Home

Rechtbank Den Haag, 01-05-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6182, C-09-639527-HA ZA 22-1023

Rechtbank Den Haag, 01-05-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6182, C-09-639527-HA ZA 22-1023

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
1 mei 2024
Datum publicatie
1 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:6182
Zaaknummer
C-09-639527-HA ZA 22-1023

Inhoudsindicatie

Staat handelt niet onrechtmatig door invoering coronatoegangsbewijs

De rechtbank heeft uitspraak gedaan in de procedure die drie burgers tegen de Staat waren begonnen. Eisers vinden dat de Staat jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door van 25 september 2021 tot 25 februari 2022 het coronatoegangsbewijs (CTB) in te voeren.

De maatregelen die de overheid in de coronaperiode heeft genomen, waaronder het CTB, hebben diep ingegrepen in het dagelijkse leven van alle burgers, ook in dat van eisers. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het CTB een inmenging was in de grondrechten van eisers. Wanneer sprake is van inmenging in grondrechten moet de Staat stellen en bewijzen dat die inmenging gerechtvaardigd was.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de inmenging in de grondrechten van eisers gegeven de situatie eind 2021/begin 2022 geen schending van die grondrechten vormde. Dit betekent dat de invoering van het CTB jegens eisers niet onrechtmatig was, zodat de rechtbank hun vorderingen afwijst.

Uitspraak

Civiel recht

Zaaknummer: C/09/639527 / HA ZA 22-1023

Vonnis van 1 mei 2024

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] , te [plaats 1] ,2. [eisende partij sub 2] , te [plaats 1] ,3. [eisende partij sub 3] , te [plaats 2] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: eisers,

advocaat: mr. H. de Groen te Soest,

tegen

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Ministerie van Justitie en Veiligheid; Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), te Den Haag,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. J.H.C.A. Muller te Den Haag.

1 Samenvatting

1.1.

Deze zaak gaat over de vraag of de Staat tegenover eisers onrechtmatig heeft gehandeld door van 25 september 2021 tot 25 februari 2022 het coronatoegangsbewijs (CTB) in te voeren.

Eisers vinden dat zij door de invoering van het CTB in hun grondrechten zijn beperkt, zonder dat daarvoor een goede reden was. Het CTB was volgens hen namelijk ongeschikt voor de doelen die de Staat ermee zei te willen bereiken, en was dit in september 2021 ook al duidelijk. Volgens eisers was het CTB dus alleen een drukmiddel om te stimuleren dat mensen zich lieten vaccineren, terwijl aan vaccinatie allerlei risico’s waren verbonden. Mensen zoals eisers die zich niet lieten vaccineren, mochten op bepaalde locaties niet meer naar binnen en werden zo maatschappelijk buitengesloten. Eisers vinden dit alles onrechtmatig en vorderen vergoeding van de schade die zij daardoor hebben geleden.

De Staat stelt dat tijdens de coronaperiode sprake was van botsende grondrechten die hij als overheid moest afwegen. In de uitzonderlijke omstandigheden van dat moment was de invoering van het CTB volgens de Staat een nodige en proportionele maatregel. De Staat stelt dat hij die maatregel ook niet zomaar heeft genomen, maar pas nadat hij zich daarover uitgebreid had laten adviseren door verschillende deskundigen en maatschappelijke organisaties. De maatregel is ook zodra dat kon weer ingetrokken.

De maatregelen die de overheid in de coronaperiode heeft genomen, waaronder het CTB, hebben diep ingegrepen in het dagelijkse leven van alle burgers, ook in dat van eisers. De rechtbank oordeelt daarom in dit vonnis dat het CTB een inmenging was in de grondrechten van eisers, zodat de Staat moet stellen en bewijzen dat die inmenging gerechtvaardigd was.

Of de inmenging gerechtvaardigd was, moet de rechtbank beoordelen op basis van de situatie zoals die was op het moment dat het CTB werd ingevoerd, en op basis van wat er destijds aan informatie voorhanden was. Eisers en de Staat verschillen fundamenteel van mening over wat die situatie precies was: niet alleen over hoe gevaarlijk de ziekte Covid-19 precies was, maar ook wat men daarover in 2021-2022 al kon weten.

De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat de situatie in september 2021 nog zo riskant en onvoorspelbaar was dat de Staat op dat moment in redelijkheid tot de invoering van het CTB heeft kunnen besluiten.

Hoewel er in 2021 ook wetenschappers en medici waren die schreven dat Covid-19 voor de meeste mensen helemaal niet zo erg was, was de breed gedragen wetenschappelijke en medische opvatting dat voorzichtigheid geboden was. Bovendien bevestigden ook de meeste critici dat Covid-19 voor bepaalde groepen in de samenleving wel erg gevaarlijk was. Daarbij kwam dat zich in september 2021 nieuwe, besmettelijker varianten van het virus over de wereld verspreidden; op dat moment was nog niet duidelijk of die varianten mensen zieker of juist minder ziek zouden maken. Wat de langetermijngevolgen van een besmetting met Covid-19 zouden zijn, wist nog niemand: daarvoor was de ziekte te kort geleden ontdekt.

Ook heel belangrijk was dat het zorgpersoneel in september 2021 al anderhalf jaar lang extreem zwaar was belast: veel zorgverleners waren zelf ziek of hadden de zorg verlaten. Daarbij kwam dat er door de coronazorg al anderhalf jaar veel gewone zorg was uitgesteld; die uitgestelde zorg moest worden ingehaald, terwijl de (nieuwe) gewone zorg en de Coronazorg ook doorliepen. En de herfst en de winter kwamen eraan, met alle gewone (griep- en verkoudheids)virussen die daarbij hoorden.

In die situatie was het begrijpelijk dat de Staat het zekere voor het onzekere heeft genomen en het CTB heeft ingevoerd, zowel om kwetsbare mensen te beschermen als om de zorg te ontlasten. Voordat de Staat dit deed, was op Europees niveau ook al besloten tot het nemen van deze maatregel; veel landen in de wereld voerden op nationaal niveau soortgelijke maatregelen in.

De wettelijke basis voor het CTB voldeed aan de eisen die de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) daaraan stellen.

De rechtbank oordeelt namelijk dat het CTB als maatregel weliswaar ingrijpend, maar in de situatie van dat moment toch proportioneel was. De Staat moest de grondrechten van alle burgers namelijk afwegen. Sommigen werden door het CTB gehinderd in hun privéleven, onderneming of andere vormen van deelname aan de samenleving, terwijl anderen daardoor juist werden beschermd in hun recht op leven en gezondheid, privéleven, onderneming of andere vormen van deelname aan de samenleving. Die afweging heeft de Staat gemotiveerd gemaakt; daarbij is hij binnen de beleidsruimte gebleven die het EVRM lidstaten gunt.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de inmenging in de grondrechten van eisers gegeven de situatie geen schending van die grondrechten vormde. Dit betekent dat de invoering van het CTB jegens eisers niet onrechtmatig was, zodat de rechtbank hun vorderingen afwijst.

2 Inhoudsopgave

2.1.

In paragraaf 3 van dit vonnis zal de rechtbank eerst beschrijven welke stukken er in het procesdossier zitten en hoe de procedure is verlopen. In paragraaf 4 beschrijft de rechtbank de feiten waarvan zij bij de beoordeling is uitgegaan; in paragraaf 5 staat kort wat eisers hebben gevorderd en wat het verweer van de Staat inhoudt. In paragraaf 6 gaat de rechtbank in op het verweer van de Staat dat de vordering van eiser 2 niet geheel mag worden beoordeeld omdat de dagvaarding niet ook is uitgebracht namens zijn eenmanszaak.

2.2.

De kern van het vonnis staat in paragraaf 7. In die paragraaf beschrijft de rechtbank eerst welk juridisch kader op deze zaak van toepassing is, om daarna de vorderingen aan de hand daarvan te beoordelen. Een samenvatting van de beslissing staat in paragraaf 8.

3 De procedure

4 De feiten

5 Het geschil

6 Ontvankelijkheid eiser 2

7 De beoordeling

8 De beslissing