Home

Rechtbank Den Haag, 05-02-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1138, C/09/652193/HA RK 23-326

Rechtbank Den Haag, 05-02-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1138, C/09/652193/HA RK 23-326

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
5 februari 2025
Datum publicatie
5 februari 2025
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:1138
Zaaknummer
C/09/652193/HA RK 23-326

Inhoudsindicatie

AVG, inzage persoonsgegevens (art. 15 AVG), wissing persoonsgegevens (art. 17 AVG), beperking van de verwerking (art. 18 AVG) en staking verwerking persoonsgegevens (art. 21 AVG). Verzoekster deels niet-ontvankelijk, overige verzoeken afgewezen.

Uitspraak

beschikking

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/652193 / HA RK 23-326

Beschikking van 5 februari 2025

in de zaak van

[woonplaats 1] te [woonplaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. G.G.J.A. Knoops te Amsterdam,

tegen

1. HET PRESIDIUM VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN GENERAAL te Den Haag1,

2. DE GRIFFIER VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL te Den Haag,

advocaat mr. G.J. Zwenne te Den Haag,

3. [naam 2] te [woonplaats 2] ,

4. [naam 3] te [woonplaats 3] ,

advocaat mr. A.A. al Khatib te Amsterdam,

hierna samen te noemen: de gedelegeerd opdrachtgevers,

advocaat mr. J.J. Gevers te Groningen,

hierna te noemen: Hoffmann,

1 De zaak in het kort

1.1.

In 2022 hebben het Presidium en de Griffier van de Tweede Kamer twee anonieme brieven ontvangen. In de tweede brief werden negentien situaties beschreven waarin verzoekster als Voorzitter van de Tweede Kamer ongewenst gedrag zou hebben vertoond tegenover ambtenaren in dienst van de Tweede Kamer. Het Presidium en de Griffier hebben toen samen opdracht gegeven aan Hoffmann, om te onderzoeken of de in de brieven beschreven situaties echt waren gebeurd en zo ja, hoe daarop vanuit de top van de organisatie was gereageerd. Deze opdracht en de reden daarvoor zijn echter uitgelekt naar de pers, nog vóór verzoekster op de hoogte was gesteld. De kwestie trok veel aandacht in de media en leidde tot politieke onrust. Het Presidium en de Griffier hebben de begeleiding van het onderzoek vervolgens uitbesteed aan de gedelegeerd opdrachtgevers. Verzoekster heeft niet meegewerkt aan het onderzoek; zij heeft zich ook verzet tegen de publicatie van een samenvatting van de onderzoeksresultaten. Het onderzoek is inmiddels afgerond en de Staat heeft lopende deze procedure in een Kamerbrief een samenvatting gedeeld met de Tweede Kamer.

1.2.

In deze procedure verzoekt verzoekster dat de rechtbank verweerders beveelt om de verwerking van haar persoonsgegevens te staken en te wissen, en om de verwerking van haar persoonsgegevens te beperken zodat die gegevens niet worden verwerkt in een rapportage, samenvatting of andere publicatie. Daarnaast verzoekt verzoekster om inzage in de over haar verwerkte persoonsgegevens. Daarbij stelt verzoekster dat verweerders gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de verwerking van haar persoonsgegevens.

1.3.

Het Presidium en de Griffier van de Tweede Kamer en de gedelegeerd opdrachtgevers en Hoffmann vinden dat de verzoeken niet kunnen worden toegewezen, deels omdat die verzoeken niet eerst bij hen zijn ingediend en deels omdat die verzoeken – voor zover ze konden worden toegewezen – al zijn toegewezen.

1.4.

De rechtbank stelt voorop dat het Presidium en de Griffier van de Tweede Kamer – en dus niet [voorzitter] en [griffier] als privépersonen – de formele opdrachtgever tot het in deze zaak centraal staande feitenonderzoek zijn. De rechtbank verstaat het verzoek daarom zo dat het gericht is tegen deze instituten en niet tegen de privépersonen (anders zou de rechtbank de tegen het Presidium en de Griffier gerichte verzoeken niet kunnen behandelen). Daarbij geldt dat op verweerders inderdaad een gezamenlijke verantwoordelijkheid rust ten aanzien van de verwerking van de persoonsgegevens van verzoekster in het kader van het ter discussie staande feitenonderzoek.

1.5.

De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerders dwingende gerechtvaardigde gronden hadden voor de verwerking van verzoeksters persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder f AVG. Het gaat daarbij om de belangen van de bij de Tweede Kamer werkzame ambtenaren bij het waarborgen van een sociaal veilige werkomgeving, de eigen gerechtvaardigde belangen van de Tweede Kamer en van andere belanghebbenden, waaronder die van het algemene publiek. Aan de belangen, rechten en vrijheden van verzoekster komen in dit geval niet meer gewicht toe. Verweerders hebben rekening gehouden met de privacybelangen van verzoekster en hebben voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verzoekster heeft in deze procedure onvoldoende bijzondere of specifieke persoonlijke belangen aangevoerd die de balans anders doen uitvallen. De rechtbank wijst de verzoeken tot staking en beperking van de verwerking van verzoeksters persoonsgegevens daarom af.

1.6.

Het verzoek tot wissing moet eerst bij verweerders zelf worden ingediend, temeer omdat verzoekster verweerders eerder juist heeft voorgehouden dat zij niet tot wissing mochten overgaan.

1.7.

Aan de tegen Hoffmann gerichte verzoeken komt de rechtbank niet toe, omdat niet gebleken is dat verzoekster een verzoek in de zin van artikel 15 t/m 22 AVG aan Hoffmann heeft gedaan.

1.8.

De verzoeken tot inzage wijst de rechtbank af, omdat verweerders verzoekster (de mogelijkheid tot) inzage al hebben geboden voor zover dit gelet op de belangen van derden mogelijk was. De meeste informatie waarom zij heeft verzocht, heeft verzoekster inmiddels geheel ontvangen of op locatie kunnen inzien; ten aanzien van enkele concrete gegevens hebben verweerders gemotiveerd een beperkte vorm van inzage aangeboden. Verzoekster heeft ten aanzien van die concrete uitzonderingen niet aangegeven waarom die niet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

1.9.

Verzoekster heeft ook een dagvaarding ingediend waarin zij de Staat, de gedelegeerd opdrachtgevers en Hoffmann gezamenlijk aansprakelijk stelt voor de schade die zij heeft geleden door – kort gezegd – het feitenonderzoek en de uitingen daarover (hierna: de dagvaardingsprocedure). Ook in die zaak (met nummer C/09/652703 / HA ZA 23-741) doet de rechtbank vandaag uitspraak.

2 Leeswijzer

Deze beschikking is als volgt opgebouwd:

De rechtbank bespreekt eerst hoe de procedure is verlopen (Hoofdstuk 3), van welke feiten zij uitgaat bij de beoordeling van deze zaak (Hoofdstuk 4) en welke verzoeken verzoekster heeft gedaan (Hoofdstuk 5).

Dan beoordeelt de rechtbank het verweer dat verzoekster ten aanzien van (een deel van) de verzoeken niet-ontvankelijk is (Hoofdstuk 6)

Daarna zal de rechtbank de (dan resterende) verzoeken inhoudelijk beoordelen. Daarbij komt eerst de vraag aan de orde of verweerders zijn aan te merken als gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijken. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of het onderzoeksprotocol de rechten die verzoekster op grond van de AVG heeft schendt. Daarna zullen het inzageverzoek, het stakingsverzoek en het verzoek de verwerking van persoonsgegevens te beperken worden beoordeeld (Hoofdstuk 7).

Deze beschikking sluit af met een korte opsomming van alle beslissingen (Hoofdstuk 8).

3 De procedure

3.1.

In het procesdossier zitten de volgende stukken en berichten:

-

het verzoekschrift op grond van artikel 35 lid 1 van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: UAVG), bij de rechtbank ingekomen op 14 augustus 2023, met bijlagen 1 t/m 30;

-

de brief van mr. Gevers van 26 september 2023;

-

de brief van mr. Gevers van 28 september 2023;

-

de brief van mr. Knoops van 3 oktober 2023;

-

het verweerschrift van de gedelegeerd opdrachtgevers, met producties 1 t/m 18;

-

het verweerschrift van Hoffmann, met productie 1;

-

het verweerschrift van [voorzitter] en [griffier] , met producties 1 en 2;

-

brief van Arib van 14 oktober 2024 waarin zij mr. Van Nimwegen machtigt om in rechte voor haar op te treden bij de behandeling van het verzoekschrift.

3.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2024. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank heeft partijen vragen gesteld, die zij hebben beantwoord; partijen en hun advocaten hebben ook op elkaar kunnen reageren. Na de zitting heeft de rechtbank een proces-verbaal opgemaakt, dat vanwege de aard van de zaak gelijk met deze uitspraak aan partijen wordt toegezonden.

3.3.

Na de mondelinge behandeling is de zaak aanhouden omdat in de dagvaardingsprocedure door gedaagden een akte mocht worden genomen. Daarna is de datum voor het doen van uitspraak vastgesteld op vandaag.

4 De feiten

5 Het verzoek

6 De beoordeling: ontvankelijkheid

7 De beoordeling: inhoudelijk

8 De beslissing