Rechtbank Den Haag, 06-08-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15048, C/09/659746
Rechtbank Den Haag, 06-08-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15048, C/09/659746
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2025
- Datum publicatie
- 25 augustus 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15048
- Zaaknummer
- C/09/659746
Inhoudsindicatie
Collectieve actie ingesteld op grond van de Wet collectieve afdoening massaschade (WCAM) door Stichting ten behoeve van Nederlandse consumenten die in de periode tussen 2004 en 2012 hypothecaire geldleningen in Zwitserse franken (CHF-leningen) hebben afgesloten bij rechtsvoorganger van gedaagde. Het betreft leningen waarvan de rente en hoofdsom in Zwitserse franken moeten worden (terug)betaald, terwijl de kredietnemers hun inkomsten in euro’s verdienen. Door koersstijging van de Zwitserse frank ten opzichte van de euro, moeten kredietnemers meer euro’s aanwenden om rentebetalingen en aflossingen in Zwitserse franken te voldoen.
Uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: C/09/659746 / HA ZA 24-51
Vonnis van 6 augustus 2025
in de zaak van
STICHTING COMPENSATIE ZWITSERSE FRANK LENINGEN, te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. E.J. Bijleveld,
tegen
ACHMEA BANK N.V., te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 oktober 2023, met producties;
- de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 35;
- het tussenvonnis van 10 juli 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van repliek met producties 13 tot en met 34;
- de akte wijziging eis namens de Stichting met productie 35;
- de conclusie van dupliek met producties 36 tot en met 41;
- de akte overlegging producties en wijziging eis namens de Stichting met producties 36 tot en met 45;
- de akte verschaffing nadere informatie over contractdocumentatie en schade gedupeerden namens de Stichting;
- de akte uitlating producties en eiswijziging namens Achmea.
Op 13 maart 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunt aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Bij brief van 15 mei 2025 zijn namens de Stichting correcties op het proces-verbaal voorgesteld, welke brief de rechtbank aan het proces-verbaal heeft gehecht.
Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op heden.
2. Inleiding
Deze zaak betreft een vordering op grond van de Wet collectieve afdoening massaschade (WCAM). In de periode tussen 2004 en 2012 heeft de rechtsvoorganger van Achmea, Staal Bank N.V. (hierna Staal Bankiers), met klanten hypothecaire geldleningen Zwitserse frank gesloten (hierna ook wel CHF-lening of CHF-leningen genoemd). Naar de in verband hiermee gesloten overeenkomsten verwijst de rechtbank met de term CHF-overeenkomst. Een deel van deze klanten heeft zich als deelnemer gemeld of aangesloten bij de Stichting (hierna de deelnemers).
De Stichting heeft ten behoeve van de Nederlandse consumenten die een CHF-lening zijn overeengekomen en daartoe een CHF-overeenkomst hebben afgesloten (hierna de kredietnemers) verschillende vorderingen ingesteld.
In de kern komt het verwijt van de Stichting erop neer dat de kredietnemers schade hebben geleden dan wel zullen gaan lijden omdat de koers van de Zwitserse frank vanaf 2004 per saldo is gestegen ten opzichte van de koers van de euro, als gevolg waarvan de kredietnemers aan het einde van de looptijd van hun lening meer euro’s nodig hebben om het in Zwitserse frank overeengekomen bedrag van hun lening af te kunnen lossen. Tussen februari 2005 en augustus 2023 is de Zwitserse frank circa 38% duurder geworden ten opzichte van de euro. De deelnemers wonen in Nederland en genieten inkomsten in euro’s. In feite betekent de koersstijging van de Zwitserse frank ten opzichte van de euro dan ook dat zij voor hun woning een hoger bedrag in euro’s moeten aflossen dan het bedrag in euro’s dat zij bij aanvang van de lening met Achmea zijn overeengekomen.
De vorderingen van de Stichting zijn enerzijds erop gericht dat de rechtbank voor recht verklaart dat de bedingen in de CHF-overeenkomsten die de Zwitserse frank betreffen oneerlijke bedingen zijn in de zin van de EU Richtlijn oneerlijke bedingen1 (hierna de Richtlijn) en dat de nadelige gevolgen hiervan voor de kredietnemers worden weggenomen. Anderzijds stelt de Stichting dat Staalbankiers de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden door de CHF-leningen overeen te komen met de kredietnemers en vordert zij dat de schade die de kredietnemers als gevolg hiervan hebben geleden en lijden wordt vergoed. Daarbij stelt zij onder meer dat de CHF-leningen moeten worden gekwalificeerd als een complex product in de zin van financiële wetgeving.
De rechtbank geeft eerst onder 3. een weergave van de feiten. Daarna beschrijft zij onder 4. de vordering van de Stichting. Onder 5. behandelt zij de vorderingen van de Stichting.
Onder 5.1. beschrijft de rechtbank de soorten CHF-overeenkomsten die Achmea met kredietnemers heeft afgesloten en komt zij tot de conclusie dat drie categorieën van CHF-overeenkomsten met daarbij behorende financiële informatie (in de vorm van een Financiële Bijsluiter of Achtergrondinformatie) kunnen worden onderscheiden, namelijk CHF-overeenkomst 1, CHF-overeenkomst 2 en CHF-overeenkomst 3.
De Stichting heeft een vordering onder de Wet Collectieve Afhandeling Massaschade (hierna WCAM) aanhangig gemaakt. Onder 5.2. beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van de Stichting. Zij komt daarin tot het oordeel dat de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen die het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen in de CHF-overeenkomsten betreffen. De Stichting is niet ontvankelijk in haar vorderingen gericht op schending van de zorgplicht door Achmea en daarmee samenhangende vorderingen.
Onder 5.3. behandelt de rechtbank de eerste vordering van de Stichting en komt zij tot het oordeel dat deze moet worden afgewezen.
Onder 5.4. behandelt de rechtbank de stellingen van de Stichting dat de CHF-overeenkomst kwalificeert als een complex product en oordeelt zij dat dit niet het geval is.
Onder 5.5. geeft de rechtbank een definitie van de bedingen in de CHF-overeenkomsten waarop de Stichting haar pijlen heeft gericht en die zij in het vonnis de CHF-bedingen zal noemen. Ook beoordeelt de rechtbank of de CHF-bedingen kernbedingen zijn en komt zij tot de conclusie dat inderdaad sprake is van kernbedingen.
Onder 5.6. bespreekt de rechtbank of de kernbedingen transparant zijn. Zij komt tot die conclusie voor wat betreft de kernbedingen in CHF-overeenkomst 2 en CHF-overeenkomst 3. De CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 zijn niet transparant.
Onder 5.7. beoordeelt de rechtbank of de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 oneerlijk zijn en komt zij tot de conclusie dat dit niet het geval is.
Onder 5.8. bespreekt de rechtbank overige stellingen van partijen.
De conclusie van de rechtbank onder 5.9. is dat de vorderingen van de Stichting moeten worden afgewezen, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.
3 De feiten
De Stichting is een collectieve belangenbehartiger in de zin van artikel 3:305a BW. Zij is op 12 april 2022 opgericht op initiatief van een aantal klanten van Achmea. Deze waren in de jaren daarvoor met Staal Bankiers CHF-leningen overeengekomen. Aanleiding voor het oprichten van de Stichting waren de medio 2021 en nadien verschenen arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), die onder meer leningen in Zwitserse frank als onderwerp hadden.
Achmea is een dochtermaatschappij van Achmea Groep, het grootste verzekeringsconcern in Nederland. Achmea Groep is actief op het gebied van schade- en levensverzekeringen, pensioenen en bancaire diensten.
Achmea heeft in 2017 de rechten en plichten van Staal Bankiers uit hoofde van de CHF-leningen overgenomen. Om praktische redenen zal hierna in dit vonnis, tenzij anders vermeld, telkens worden gesproken over Achmea, ook waar het handelingen van haar rechtsvoorganger betreft.
Volgens opgave van Achmea heeft zij ongeveer 450 CHF-overeenkomsten gesloten. Achmea heeft niet met alle kredietnemers dezelfde CHF-overeenkomst gesloten. Er bestaan verschillende versies (zie verder onder 5.1.).
De CHF-overeenkomsten hebben onder meer het volgende gemeen:
i. Achmea leent een bedrag in Zwitserse frank als equivalent van een bedrag in euro’s tegen de dagkoers op het moment van verstrekking;
ii. kredietnemers kunnen kiezen uit een rentevaste periode van 3, 6 of 12 maanden. Afhankelijk van de keuze van de kredietnemer wordt de rente op basis van de 3-, 6- of 12- maands LIBOR vastgesteld, te verhogen met een individueel voor de kredietnemer bepaalde opslag;
iii. betaling van de rente dient maandelijks plaats te vinden;
iv. na afloop van iedere rentevaste periode kan een kredietnemer een andere rentevaste periode kiezen, mits hij/zij Achmea hierover tijdig informeert;
v. na afloop van iedere rentevaste periode kan de hoofdsom boetevrij worden afgelost;
vi. kredietnemers zijn verplicht meer zekerheid te verschaffen dan gebruikelijk bij reguliere hypotheken. De vorm waarin verschilt. Zo wordt in sommige overeenkomsten gevraagd om een overdekking van 20% (in die zin dat de hypotheekinschrijving voor een bedrag geschiedt dat minimaal 20% hoger ligt dan de hypothecaire lening) en dat de deelnemer voor aanvullende dekking dient zorg te dragen indien het percentage onder 20% daalt.
Tot 2009 opende de kredietnemer op het moment dat hij/zij een CHF-lening afsloot een bankrekening in Zwitserse frank (CHF-rekening). Het bedrag van de lening werd in Zwitserse frank op de CHF-rekening gestort. Indien een woning werd aangekocht, werd het CHF-bedrag tegen de dan geldende dagkoers omgezet naar euro’s en overgeboekt naar een rekening in euro’s van de kredietnemer. Het bedrag in euro’s werd vervolgens in verband met de levering van de woning overgemaakt naar de derdengeldrekening van de notaris.
Rentebetalingen werden van de euro-rekening van de kredietnemer geboekt en omgezet naar Zwitserse franken op de CHF-rekening. Vervolgens werd het rentebedrag van de CHF-rekening geïnd. De CHF-rekening werd telkens na betaling automatisch aangezuiverd door het equivalent van het CHF-rentebedrag in euro’s over te boeken vanaf een eurorekening (waarop de kredietnemers euro’s stortten). Vanaf 2009 is de CHF-rekening opgeheven en heeft Achmea de rentebetalingen in euro’s rechtstreeks vanaf de eurorekening geïncasseerd, tegen de geldende CHF-dagkoers. Bij iedere incassering werd op het dagafschrift de CHF-koers vermeld. Omzetting van euro’s in Zwitserse franken geschiedde in eerste instantie op de dag dat de rente verschuldigd was en vanaf 2015 op de laatste dag van de maand waarin de rente verschuldigd was. Bij vervroegde aflossing werden euro’s tegen de koers van de dag van aflossing omgezet in Zwitserse franken, waarna de CHF-lening werd afgelost. Kredietnemers die dit wilden, konden direct in Zwitserse franken betalen.
Eind 2008 is de koers van de Zwitserse frank – mede als gevolg van de kredietcrisis en maatregelen van de Europese Centrale Bank (ECB) – sterk gestegen ten opzichte van de euro. Tussen 2008 en 2011 is de waarde van de Zwitserse frank verder gestegen ten opzichte van de euro. In 2011 heeft de Zwitserse Central Bank (SNB) een minimale wisselkoers van 1,20 Zwitserse frank per euro ingevoerd. Ook daarna is de koers van de Zwitserse frank ten opzichte van de euro verder gestegen. In 2015 heeft de Zwitserse Nationale Bank (SNB) de wisselkoers van 1,20 losgelaten. Pas in de periode 2020 tot en met medio 2022 is de koersverhouding min of meer stabiel gebleven. Vanaf juni 2022 is de waarde van de Zwitserse frank ten opzichte van de euro weer gestegen. Als gevolg van de stijgingen van de koers van de Zwitserse frank is het equivalent in euro’s van de uitstaande schulden van de kredietnemers die een CHF-lening hadden gesloten, gestegen.
Gelijktijdig is de CHF Libor rente (per 1 januari 2022 vervangen door SARON) gedaald van 2,111 (in 2007) naar – 0,768 (in 2021). De CHF Libor rente (driemaands) is tussen medio 2007 en medio 2021 voortdurend lager geweest dan de Euribor rente (driemaands); gemiddeld was het verschil 0,751. Op enig moment was de CHF Libor rente negatief.
Achmea heeft kredietnemers in de periode tussen 2004 en 2023 via (nieuws)brieven geïnformeerd over de ontwikkelingen van de Zwitserse frank ten opzichte van de euro. De administratie van Achmea voorzag erin dat iedere kredietnemer per kwartaal via een geïntegreerd overzicht en per jaar via fiscale overzichten werd geïnformeerd over de waarde van het uitstaande bedrag in euro’s aan de hand van de koers van dat moment.
4 De vordering
De Stichting vordert, na twee wijzigingen van eis, samengevat, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (rb: de Stichting noemt in haar processtukken de CHF-lening ook wel de ‘CHF-hypotheek’):
Vordering I, de afbakening van het geschil:
- de verklaring voor recht dat de Contractdocumentatie als door haar gedefinieerd de enige documentatie is die Achmea generiek heeft gebruikt ter gelegenheid van de verkoop van de CHF-hypotheek;
- de verklaring voor recht dat Achmea zich jegens de Stichting en de gedupeerden niet mag beroepen op andere documentatie en/of overeenkomsten en/of voorwaarden dan voormelde Contractdocumentatie.
Vordering II (primair), voor het geval wordt aangenomen dat de bedingen die de Stichting oneerlijk acht, geen kernbedingen zijn:
A de verklaring voor recht dat de CHF-bedingen, te weten het onderdeel “tegen de dan geldende dagkoers”, alsmede alle andere onderdelen/bedingen van de Contractdocumentatie die inhoudelijk dezelfde strekking en/of gevolgen hebben, namelijk dat ze de gedupeerden ertoe nopen dat ze aflossing en rentebetalingen dien(d)en te voldoen in CHF (al dan niet tegen de geldende dagkoers), oneerlijke bedingen zijn in de zin van de Richtlijn;
B de verklaring voor recht dat de hiervoor onder A. genoemde bedingen op de voet
van art. 3:49 BW in samenhang met artikel 6:233 onder a BW bij brief van de Stichting van 24 april 2023 collectief zijn vernietigd, althans dat de rechtbank de onder A. bedoelde bedingen vernietigt, althans dat de rechtbank voor recht verklaart dat de onder A. bedoelde bedingen vernietigbaar zijn;
C de verklaring voor recht, dat, als gevolg van het hiervoor gevorderde, de inhoud
en/of strekking van de op de gedupeerden rustende (betalings)verplichtingen jegens Achmea enkel hieruit bestaan, dat de betalingen dien(d)en te worden uitgevoerd in euro’s, zodanig dat ze qua hoogte corresponderen met de hoofdsom van de CHF-hypotheek zoals die bij aanvang werd uitgedrukt in euro’s, althans te bepalen dat het rechtsgevolg van de vernietiging van de CHF-bedingen hieruit bestaat dat de betalingen enkel dien(d)en te worden uitgevoerd in euro’s, zodanig dat ze qua hoogte corresponderen met de
hoofdsom van de CHF-hypotheek zoals die bij aanvang werd uitgedrukt in euro’s;
D de verklaring voor recht dat alle betalingen die de gedupeerden hebben verricht, voor zover die méér omvatten dan waartoe zij op grond van het hiervoor gevorderde gehouden waren, onverschuldigd zijn verricht in de zin van art. 6:203 BW en door Achmea dienen te worden terugbetaald, te vermeerderen met de wettelijke rente;
E de beslissing neemt die het oneerlijke karakter van de CHF-bedingen wegneemt en het evenwicht tussen partijen herstelt in de strekking van Vordering II, althans Achmea verplicht om over te gaan tot onderhandelingen met de Stichting binnen de kaders van het in Vordering II gevorderde, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de gedupeerden in de positie dienen te worden gebracht als hadden de CHF-bedingen nooit bestaan;
F de verklaring voor recht dat Achmea jegens de gedupeerden onrechtmatig heeft gehandeld, door in strijd met wettelijke verplichtingen en de op haar rustende bijzondere zorgplicht de CHF-hypotheek op de beschreven wijze aan de gedupeerden te verkopen en/of de gedupeerden daarbij onvoldoende duidelijk te maken en uit te leggen welke gevaren en mogelijke consequenties aan het product verbonden waren;
G de verklaring voor recht dat de CHF-hypotheek ook dient te worden gekwalificeerd
als een complex product en/of derivaat in de zin van financiële wetgeving en/of als een derivaat en dat Achmea ook de uit die bepalingen voortvloeiende verplichtingen en zorgplicht niet voldoende heeft nageleefd;
H de verklaring voor recht dat Achmea aansprakelijk is voor alle vermogensschade die
de gedupeerden door voornoemde schendingen van de wettelijke plichten en de zorgplicht hebben geleden;
I de verklaring voor recht dat Achmea ten tijde van de afsluiting van de CHF-hypotheek gehouden was om een toets op overkreditering uit te voeren;
Vordering III (subsidiair ten opzicht van vordering II), aangenomen dat de bedingen die de Stichting oneerlijk acht, geen kernbedingen zijn:
Dit gedeelte van de vorderingen van de Stichting is gelijk aan de vorderingen onder II. met als enige uitzondering, dat de Stichting onder C. subsidiair de verklaring voor recht vordert dat indien komt vast te staan dat de deelnemers hun betalingsverplichtingen dien(d)en te voldoen in CHF, de Stichting zich terecht beroept op de Kásler-exceptie en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) op grond waarvan de betalingsverplichtingen van de Gedupeerden zelfstandig of in onderlinge samenhang bezien toch geen andere strekking en/of gevolg (meer) hebben dan dat ze in euro’s dien(d)en te worden uitgevoerd, zodanig dat ze qua hoogte corresponderen met de hoofdsom van de CHF-hypotheek zoals die bij aanvang werd uitgedrukt in euro’s;
Vordering IV (primair) aangenomen dat de bedingen die de Stichting oneerlijk acht, kernbedingen zijn:
Dit gedeelte van de vorderingen van de Stichting is gelijk aan de vorderingen onder II, met als enige uitzondering dat de Stichting onder A. de verklaring voor recht vordert dat de CHF-bedingen, te weten het onderdeel tegen de dan geldende dagkoers”, alsmede alle andere onderdelen/bedingen van de Contractdocumentatie die inhoudelijk dezelfde strekking en/of gevolgen hebben, namelijk dat ze de gedupeerden ertoe nopen dat de aflossing en rentebetalingen dien(d)en te voldoen in Zwitserse franken (al dan niet tegen de geldende dagkoers), niet duidelijk en begrijpelijk zijn in de zin van artikel 6:231 onder a BW en/of de Richtlijn;
Vordering V (subsidiair ten opzicht van vordering IV) aangenomen dat de bedingen die de Stichting oneerlijk acht, kernbedingen zijn:
A de verklaring voor recht dat de CHF-bedingen, te weten het onderdeel tegen de
dan geldende dagkoers”, alsmede alle andere onderdelen/bedingen van de Contractdocumentatie die inhoudelijk dezelfde strekking en/of gevolgen hebben, namelijk dat ze de gedupeerden ertoe nopen dat ze aflossing en rentebetalingen dien(d)en te voldoen in CHF (al dan niet tegen de geldende dagkoers), in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW;
B vervallen;
C de verklaring voor recht dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in de omstandigheden van dit geval meebrengen dat de inhoud en/of strekking van de op de gedupeerden rustende (betalings)verplichtingen enkel hieruit bestaan dat ze in euro’s dien(d)en te worden uitgevoerd, zodanig dat ze corresponderen met de hoofdsom van de CHF- hypotheek zoals die bij aanvang werd uitgedrukt in euro’s, althans dat het rechtsgevolg van het beroep van de Stichting en de gedupeerden op de eisen van redelijkheid en billijkheid hieruit bestaat dat de betalingen dien(d)en te worden gedaan in euro’s naar rato van de hoofdsom van de CHF-hypotheek zoals die hij aanvang in euro’s luidde;
Voor het overige, D. tot en met I., is dit gedeelte van de vorderingen van de Stichting gelijk aan Vordering II. D. tot en met I.
Vordering VI – Schade deelnemers in verband met de kosten van collectieve actie:
de verklaring voor recht dat Achmea op de voet van artikel 6:96 BW gehouden is om aan de deelnemers ten titel van schadevergoeding de kosten te vergoeden die zij hebben gemaakt om hun belangen te behartigen en de collectieve actie mogelijk te maken, alles te vermeerderen met de wettelijke rente
Vordering VII. de kosten van de Stichting:
de verklaring voor recht dat Achmea op de voet van de artikel 3:305a BW in samenhang met artikel 6:96 BW en de rechtspraak gehouden is om ten titel van schadevergoeding aan de Stichting de kosten te vergoeden die zij redelijkerwijs heeft gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid van Achmea jegens de gedupeerden en de daarmee verband houdende schade, een en ander nader op te maken bij staat, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade, onder aftrek van hetgeen mogelijk wordt toegewezen onder Vordering VIII.
Vordering VIII. de proceskosten:
de veroordeling van Achmea op de voet van artikel 237 Rv. tot betaling aan de Stichting
van de kosten van dit geding.
Vordering IX. overig (meest subsidiair):
Subsidiair ten aanzien van alle vorderingen, een andere vordering toe te wijzen dan wel de beslissing te nemen die uw rechtbank rechtvaardig zal achten.
Achmea voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.