Rechtbank Den Haag, 03-09-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16760, C/09/682261 / HA ZA 25-269
Rechtbank Den Haag, 03-09-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16760, C/09/682261 / HA ZA 25-269
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 september 2025
- Datum publicatie
- 17 september 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16760
- Zaaknummer
- C/09/682261 / HA ZA 25-269
Inhoudsindicatie
Hoofdelijkheid. Ongerechtvaardigde verrijking. Een advocaat heeft gelden op zijn derdengeldenrekening verrekend met openstaande facturen van zijn cliënte. In een eerdere procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de advocaat door de verrekening onrechtmatig heeft gehandeld jegens een schuldeiser van zijn cliënte. De advocaat is daarom in die procedure veroordeeld tot betaling van de verrekende gelden aan de schuldeiser van zijn cliënte. De advocaat vordert in deze procedure betaling van zijn cliënte voor het bedrag dat hij aan de schuldeiser van zijn cliënte heeft betaald. De advocaat legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een hoofdelijke verbintenis voor de betaling aan de schuldeiser, dan wel dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank oordeelt dat geen grondslag bestaat voor hoofdelijkheid. Van ongerechtvaardigde verrijking is ook geen sprake. De vorderingen worden afgewezen.
Uitspraak
Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/682261 / HA ZA 25-269
Vonnis van 3 september 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.A.M. Knol,
tegen
ONDERHOUD SERVICE DIENSTVERLENING (O.S.D.) B.V. te Voorburg,
gedaagde,
hierna te noemen: OSD,
advocaat: mr. O. Heuverling.
1 De procedure
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
- de dagvaarding van 18 maart 2025 met producties 1 t/m 8;
- de conclusie van antwoord van 7 mei 2025 met producties 1 t/m 13.
Op 14 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in deze zaak van het volgende uitgegaan.
[eiser] is jarenlang opgetreden als advocaat voor OSD en Banka Financiële dienstverlening B.V. (‘Banka’), twee vennootschappen waarvan de heer [naam 1] directeur-grootaandeelhouder was.
Op 2 september 2013 heeft Banka een aantal vorderingen ter incasso gecedeerd aan OSD. OSD heeft vervolgens incassoprocedures opgestart. Op 8 oktober 2013 is Banka failliet verklaard. De curator van Banka (‘de curator’) heeft de cessie van de vorderingen ter discussie gesteld en heeft daarover op 2 januari 2014 een vaststellingsovereenkomst (‘de vso’) gesloten met OSD. Bij het opstellen van de vso was [eiser] betrokken als advocaat van OSD.
In de vso is afgesproken dat OSD enkele incassoprocedures zou voortzetten. Van de netto-opbrengst van de incassoprocedures zou 80% toekomen aan de boedel van Banka. Ten aanzien van één procedure, tegen debiteur [naam 2] , werd een afwijkende regeling opgenomen in de vso:
‘Artikel 6; afwijkende afspraak
Voor de Gecedeerde Vordering op de heer [naam 2] geldt een afwijkende afspraak, inhoudende dat de inning van deze vordering voor rekening en risico van OSD geschiedt terwijl op de opbrengst, voor zover niet hoger dan € 50.000,-, eerst in mindering strekken door OSD reeds gemaakte juridische kosten tot een bedrag van € 20.000,- en dat het surplus vervolgens in gelijke delen tussen de boedel en OSD wordt verdeeld.’
[naam 2] heeft op 28 april 2015 een bedrag van € 73.678,30 aan OSD betaald op de derdengeldrekening van [eiser] . Vervolgens heeft [eiser] zich jegens OSD beroepen op verrekening van dit gehele bedrag met openstaande facturen van OSD.
Bij vonnis van deze rechtbank van 8 januari 2025 is [eiser] veroordeeld om aan de curator een bedrag van € 33.942,64 plus wettelijke rente te betalen, omdat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de curator. In het vonnis werd overwogen:
‘4.5 [...] [eiser] was vanwege zijn betrokkenheid bij de vso dus bekend met de belangen van de curator / de boedel van BankA. Hij heeft echter zijn eigen belang voorop gesteld door extra declaraties van OSD te voldoen uit de betaling van [naam 2] . [eiser] wist dat de boedel van BankA hierdoor werd benadeeld. [eiser] heeft, gelet op deze omstandigheden, een eigen zorgvuldigheidsplicht jegens de curator, die hij heeft geschonden. Dat OSD toestemming aan [eiser] zou hebben gegeven om extra openstaande declaraties te verrekenen met de betaling van [naam 2] , doet hier niet aan af.’
[eiser] heeft, ter uitvoering van dit vonnis, op 24 februari 2025 het bedrag van € 33.942,64, vermeerderd met de wettelijke rente, betaald aan de curator.
3 Het geschil
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – veroordeling van OSD tot betaling van € 33.942,64, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. In de eerste plaats heeft hij een regresrecht op OSD, omdat op [eiser] en OSD een hoofdelijke verplichting tot betaling rustte jegens de curator. Door betaling van [eiser] is OSD gekweten, terwijl die betaling in de interne verhouding tussen de schuldenaren geheel voor rekening van OSD komt. In de tweede plaats is sprake van ongerechtvaardigde verrijking, omdat OSD door de betaling van [eiser] is verrijkt en [eiser] is verarmd, zonder dat daarvoor een redelijke grond bestaat.
OSD voert verweer. OSD heeft allereerst aangevoerd dat in 2015 geen sprake was van verrekening door [eiser] . Verder heeft zij betwist dat een hoofdelijke verplichting bestond die [eiser] en OSD tot medeschuldenaren maakten jegens de curator. Ook heeft zij betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Tot slot heeft zij een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). OSD concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.