Rechtbank Den Haag, 21-02-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3043, C/09/679068, FT-RK 25/62 HO
Rechtbank Den Haag, 21-02-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3043, C/09/679068, FT-RK 25/62 HO
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 februari 2025
- Datum publicatie
- 28 februari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3043
- Zaaknummer
- C/09/679068, FT-RK 25/62 HO
Inhoudsindicatie
WHOA. Homologatie akkoord. WHOA-toestand, verwevenheid concernbelangen. Informatieverplichting, houder cumulatief preferente aandelen buiten akkoord gehouden.
Uitspraak
vonnis
Team Insolventie – meervoudige kamer
verzoek tot homologatie van een akkoord
rekestnummer: C/09/679068, FT-RK 25/62 HO
uitspraakdatum: 21 februari 2025
Vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw)
in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement van:
de besloten vennootschap
[bedrijf 1] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
tevens handelend onder de namen [bedrijven] ,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. K.C. Mensink te Den Haag.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
- de startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw, gedeponeerd op 1 september 2024;
- het stemverslag met bijlagen ex artikel 382 Fw, gedeponeerd op 17 december 2024;
- het verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Fw met bijlagen van 23 januari 2025 van [bedrijf 1] ;
- de beschikking van deze rechtbank van 28 januari 2025 inzake dagbepaling behandeling homologatie en aanstelling observator;
- de zienswijze van 4 februari 2025 van de observator [naam 1] (hierna: de observator) ex artikel 384 lid 7 Fw;
- de e-mails van 5 februari 2025 van mr. Mensink inzake proof of funds en organogrammen;
- de spreekaantekeningen van mr. Mensink zijdens [bedrijf 1] ;
- het salarisvoorstel van de observator, ingekomen op 7 februari 2025;
- het bericht dat [bedrijf 1] akkoord gaat met het salarisvoorstel, ingekomen op 11 februari
2025.
De rechtbank heeft de behandeling van het ingediende verzoek bepaald op
6 februari 2025.
Het verzoek is op 6 februari 2025 middels een online videoverbinding in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn verschenen en gehoord: en gehoord: en gehoord:
- de heer [naam 2] , middellijk bestuurder van [bedrijf 1] ;
- de heer [naam 3] , manager Finance en Project Control (controller) bij [bedrijf 1] ;
- de heer [naam 4] , partner bij Total Finanz;
- de heer [naam 5] , zelfstandig kredietspecialist en op inhuurbasis werkzaam voor Total Finanz;
- mr. K.C. Mensink, advocaat van [bedrijf 1] alsmede mevrouw [naam 6] , student-stagiaire;
- mr. [naam 1] , de observator;
- de heer [naam 7] en mevrouw [naam 8] namens de Belastingdienst.
De rechtbank heeft op 6 februari 2025 na de zitting de uitspraak bepaald op vandaag.
2 De feiten
[bedrijf 1] exploiteert een onderzoeks- en adviesbureau dat haar klanten helpt met
toepasbare inzichten voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. [bedrijf 1]
maakt en beheert webapplicaties en dashboards en doet marktonderzoeken. Haar klanten zijn voornamelijk overheden en overheidsorganisaties. De juridische structuur van [bedrijf 1] kan als volgt worden weergegeven. Ter zitting is onderstaande structuur besproken en als aanvulling hierop is door [bedrijf 1] nader toegelicht dat de STAK [bedrijf 1] cumulatief preferente aandelen houdt, terwijl [bedrijf 2] Group B.V. de gewone aandelen houdt:
Het bestuur van [bedrijf 1] werd tot 17 december 2024 gevormd door [bedrijf 2] en de heer [naam 9] . Vanaf die datum is uitsluitend [bedrijf 2] haar bestuurder. De heer [naam 2] is middellijk bestuurder van [bedrijf 1] .
Afbeelding verwijderd vanwege privacy-redenen
Achtergronden van de financiële problemen
De financiële problemen van [bedrijf 1] zijn met name ontstaan door de hoge huur van het bedrijfspand alsmede de salarissen van het personeel. Vanaf 2022 is [bedrijf 1] verlieslatend en vanaf 2024 is sprake van een negatieve Ebitda. [bedrijf 1] heeft medio 2024 geconstateerd dat zij verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. [bedrijf 1] heeft overleg gevoerd met haar belangrijkste stakeholders, te weten de verhuurder [bedrijf 3] B.V., de Belastingdienst, het UWV en [bedrijf 2] .
[bedrijf 1] stelt dat zij zonder substantiële verlaging van de huurlasten niet levensvatbaar kan worden. [bedrijf 1] en de verhuurder hebben nieuwe afspraken gemaakt. Daarbij is het aantal gehuurde vierkante meters verminderd en zijn de huur per vierkante meter en de servicekosten verlaagd. Daarnaast heeft [bedrijf 2] zes maanden huur betaald (zonder regres op [bedrijf 1] ) en zijn afspraken gemaakt over betaling van een leegstandsvergoeding. Met de Belastingdienst heeft [bedrijf 1] afspraken gemaakt over betalingstermijnen.
3 Het akkoord en de stemming
[bedrijf 1] wil komen tot een sanering van haar op 1 september 2024 (fixatiedatum)
bestaande schuldenlast van totaal € 1.857.769. Het akkoordvoorstel bestaat uit
enerzijds verlaging van de schuldenlast, en anderzijds verlaging van de huur- en
personeelskosten door middel van aanpassing van de huurovereenkomst en het overnemen
van verplichtingen door de aandeelhouder. Beide zijn nodig om de dreigende insolventie te
voorkomen.
[bedrijf 1] heeft laten berekenen dat de vereffeningswaarde van haar onderneming in
geval van een faillissement -/- € 650.000,- bedraagt. In die situatie valt er dus niets te
verdelen onder de schuldeisers, ongeacht de opbrengst van de (grotendeels oninbare)
debiteuren en de inventaris. Die opbrengsten worden geschat op totaal € 300.000,-.
De (boedel)kosten van doorbetaling van personeel (ruim 80 medewerkers; ten minste zes
weken op grond van artikel 40 Fw) en huur (ten minste drie maanden op grond van artikel
39 Fw) zullen naar schatting € 850.000,- bedragen. Daar komende de kosten van de curator
bij. Die worden geschat op € 100.000,-.
De reorganisatiewaarde is begroot op een bedrag van € 1.268.000,-. Deze waarde is
vastgesteld op basis van de Discounted Cash Flow methode, uitgaande van een
toekomstig groeipercentage van 1% en een disconteringsvoet (WACC) tegen 20%.
De waarde die onder het akkoord wordt verdeeld is vastgesteld op € 554.000,-. Het verschil wordt verklaard door de vorderingen van het pensioenfonds, leveranciers en ING Bank van tezamen € 714.000,- die buiten het akkoord vallen.
De klassenindeling met de schulden en aangeboden percentages
[bedrijf 1] heeft aan de vier betrokken schuldeisers een akkoord aangeboden.
De klassenindeling en het aangeboden akkoord houden het volgende in:
Klasse: Vordering: uitkering: %:
1. preferent: Belastingdienst € 1.207.769,- € 362.330,70 30%
2. concurrent: UWV € 143.319,- € 21.497,85 15%
3. concurrent: verhuurder € 1.900.000,- € 170.307,- 9% (althans: 8,96352%)
4. concurrent: [bedrijf 2] € 345.000,- € 0 0%
---------------- ---------------
Totaal € 3.596.088,- € 554.828,55
Dit akkoord voorziet ook in afspraken met de Belastingdienst over de betalingstermijnen: 50% ineens en 50% in twaalf maandelijkse termijnen met ingang van januari 2025. Als zekerheid hiervoor wordt geboden een hoofdelijke verbintenis van de aandeelhouder [bedrijf 2] .
Het uitkeringspercentage aan het UWV is het quotiënt van 1) de reorganisatiewaarde van [bedrijf 1] na aftrek van de betalingen aan de verhuurder en de Belastingdienst.
De verhuurder vormt een afzonderlijke klasse, aangezien zij genoegen neemt met een veel grotere schade door verlaging van het huurcontract en een uitkering van slechts 9% op haar leegstandschade.
De vordering van [bedrijf 2] betreft de regresvordering inzake achterstallige huur die [bedrijf 1] niet kon betalen en die [bedrijf 2] vanwege haar garantstelling heeft betaald.
[bedrijf 2] heeft afgezien van enige uitkering om daarmee het akkoord mogelijk te maken.
Overige schuldeisers zijn niet betrokken: dit zijn leveranciers die ofwel noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , ofwel onderaannemers die noodzakelijk zijn voor de verwerving van opdrachten, of regulier lopende kosten binnen de reguliere betaaltermijn.
De financiering van het akkoord
De (indirect) aandeelhouder is bereid het akkoord te financieren.
De stemuitslag
De stemgerechtigden konden tot en met 11 december 2024 hun stem uitbrengen.
[bedrijf 1] heeft het stemverslag op 17 december 2024 op de griffie van de rechtbank gedeponeerd.
De uitslag van de stemming is als volgt: klasse 1 met alleen de Belastingdienst,
klasse 3 met alleen de verhuurder en klasse 4 met alleen de aandeelhouder (naar de
rechtbank begrijpt: van de gewone aandelen en niet van de cumulatief preferente aandelen)
hebben ingestemd. Klasse 2 met alleen het UWV heeft tegengestemd. Overigens merkt de
rechtbank op dat in het verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Fw met bijlagen van 23 januari
2025 van [bedrijf 1] uitsluitend wordt gerept over de drie eerste klassen, en klasse 4, met alleen
de aandeelhouder, uitsluitend wordt genoemd in paragraaf 5.16 van het Voorstel voor een
akkoord onder de WHOA, gedateerd 29 november 2024, alsmede in bijlage 2 daarbij. In het
stemverslag (bijlage 2 bij het verzoekschrift) komt klasse 4 echter niet meer voor.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat klasse 4 geen deel (meer) uitmaakt van dit akkoord.