Home

Rechtbank Den Haag, 15-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:414, 648097

Rechtbank Den Haag, 15-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:414, 648097

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 januari 2025
Datum publicatie
23 januari 2025
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:414
Zaaknummer
648097

Inhoudsindicatie

Overheidszaak; schadevordering uit hoofde van onrechtmatige overheidsdaad. Vordering is verjaard.

Uitspraak

Team handel

Zaaknummer: C/09/648097 / HA ZA 23-481

Vonnis van 15 januari 2025

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. S. van der Eijk te Den Haag,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst, De ontvanger van de Belastingdienst, Belastingdienst Haaglanden, kantoor Den Haag te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. [advocaat] te [plaats] .

Partijen worden hierna [eiser] en de Staat genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 april 2023, met productie 1; - de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 11;

- het B16-formulier van 22 augustus 2023 namens [eiser] met een verzoek tot verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer; - het bericht van 24 augustus 2023 van de rechtbank, waarin voornoemd verzoek tot verwijzing wordt afgewezen;

- het tussenvonnis van 15 november 2023, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen op 9 februari 2024;

- het B2-formulier van 1 februari 2024 namens [eiser] met het bericht dat mr. J.P. Sanchez Montoto zich onttrekt als advocaat van [eiser] ;

- het bericht van 2 februari 2024 van de rechtbank met de mededeling dat de voor 9 februari 2024 geplande mondelinge behandeling geen doorgang zal vinden en dat de zaak naar de rol wordt verwezen zodat [eiser] de gelegenheid heeft om een nieuwe advocaat te zoeken en zich te laten stellen;

- het B16-formulier van 21 februari 2024 namens [eiser] met het bericht dat mr. J.P. Sanchez Montoto zich opnieuw stelt als advocaat van [eiser] ;

- het bericht van 6 maart 2024 van de rechtbank dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 28 mei 2024;

- het B2-formulier van 24 mei 2024 namens [eiser] met het bericht dat mr. J.P. Sanchez Montoto zich onttrekt als advocaat van [eiser] ;

- het bericht van 27 mei 2024 van de rechtbank met de mededeling dat de rechtbank het B2-formulier waarbij de onttrekking is doorgegeven niet accepteert wegens strijd met de goede procesorde;

- het B2-formulier van 27 mei 2024 namens [eiser] met het bericht dat mr. J.P. Sanchez Montoto zich niet meer als advocaat zal stellen in deze zaak;

- het bericht van 27 mei 2024 van de rechtbank met de mededeling dat de rechtbank zich, gelet op de omstandigheid dat voor procedures bij Team Handel een verplichte procesvertegenwoordiging geldt, genoodzaakt ziet de mondelinge behandeling opnieuw aan te houden en dat de zaak wordt verwezen naar de rol voor het stellen van een nieuwe advocaat namens [eiser] als ook om de Staat zich te laten uitlaten over de vraag of hij vonnis wenst;

- het B2-formulier van 9 juni 2024 namens [eiser] met het bericht dat mr. S. van der Eijk zich stelt als advocaat van [eiser] ;

- het bericht van 10 juli 2024 van de rechtbank dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 25 oktober 2024;

- het bericht van 13 augustus 2024 namens [eiser] met het verzoek de mondelinge behandeling nader aan te houden;

- het bericht van 14 augustus 2024 van de rechtbank, waarbij voornoemd verzoek tot aanhouding wordt afgewezen;

- het bericht van 21 augustus 2024 namens [eiser] , waarbij nogmaals wordt verzocht om een andere datum voor de mondelinge behandeling te bepalen omdat [eiser] van 1 oktober 2024 tot en met 11 november 2024 niet beschikbaar is;

- het bericht van 23 augustus 2024 van de rechtbank dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden 19 november 2024;

- de brief van 4 november 2024 van mr. Van der Eijk, met een incidentele vordering tot voeging c.q. tussenkomst van [naam 1] en [naam 2] als eisende partijen;

- het bericht van 8 november 2024 van de rechtbank, met het verzoek aan mr. Van der Eijk om te verduidelijken in welke hoedanigheid hij voornoemde brief heeft gestuurd;

- het bericht van 18 november 2024 van mr. Van der Eijk, waarin wordt aangegeven dat de brief van 4 november 2024 is verstuurd in de hoedanigheid van advocaat van de in die brief genoemde twee personen.

1.2.

Op 19 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

1.2.1.

Verschenen is [eiser] , vergezeld van Jhalendersingh [eiser] en bijgestaan door de advocaat voornoemd. Namens de Staat was aanwezig E.J.L. Heerenveen (civiel jurist bij de Ontvanger van de Belastingdienst), bijgestaan door de advocaat voornoemd;1.2.2. Door [eiser] is verzocht om een nadere termijn voor het indienen van producties die recent zouden zijn ontvreemd. De producties moeten gereproduceerd worden alvorens deze te kunnen overleggen. Hierop heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld om bij de inhoudelijke behandeling per punt aan te geven welke stukken hij alsnog in het geding zou willen brengen om daarop vervolgens in dit vonnis te kunnen beslissen.1.2.3. De rechtbank heeft beslist dat de hierboven vermelde incidentele vordering tot voeging c.q. tussenkomst buiten behandeling wordt gelaten, omdat deze in strijd met artikel 218 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te laat is ingediend.

1.2.4.

Daarna is de rechtbank overgegaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak. Partijen hebben – mede naar aanleiding van vragen van de rechtbank – hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting.

1.3.

Ten slotte is de datum voor vonnis (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] was (economisch) eigenaar van 34 onroerende zaken in Den Haag (hierna: ‘de onroerende zaken’). De Ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger) heeft namens de Staat in de jaren ’90 op de onroerende zaken executoriaal beslag gelegd om deze uit te winnen tot verhaal van verschillende belastingschulden van [eiser] . Voor de Ontvanger bleek het niet eenvoudig om de belastingschulden van [eiser] te innen, omdat [eiser] gebruik maakte van strolieden die de onroerende zaken op hun namen hadden staan. De Ontvanger heeft de inzet van strolieden met succes in rechte bestreden; zij zijn bij diverse rechterlijke uitspraken (onherroepelijk) veroordeeld te dulden dat de onroerende zaken executoriaal of onderhands worden verkocht ter afboeking op de belastingschulden van [eiser] .

2.2.

Vervolgens heeft de Ontvanger de verkoop van de onroerende zaken ter hand genomen. Op 5 november 2002 zijn de onroerende zaken onderhands verkocht aan de gemeente Den Haag voor een koopprijs van in totaal € 882.956. De levering heeft plaatsgevonden bij notariële akte van 28 april 2003. De koopsom is gestort op de kwaliteitsrekening van de notaris ten overstaan van wie het transport heeft plaatsgevonden.

2.3.

Bij verzoekschrift van 1 augustus 2003 heeft de Ontvanger de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een rechter-commissaris te benoemen ten overstaan van wie de verdeling van de verkoopopbrengst zal plaatsvinden. Bij de rechter-commissaris zijn vorderingen ingediend door de Ontvanger en drie andere schuldeisers. [eiser] heeft ook gereageerd. Hij heeft een overzicht van een aantal schuldeisers en hun vorderingen verstrekt. Bij beschikking van 29 maart 2004 is de verkoopopbrengst (minus de kosten van de rangregeling) door de rechter-commissaris verdeeld op de wijze zoals vermeld in het aan de beschikking gehechte overzicht (hierna ook: ‘de rangregeling’). Tegenspraak tegen de rangregeling was mogelijk tot 1 mei 2004.

2.4.

De notaris die de verkoopopbrengst onder zich had heeft naar aanleiding van de staat van verdeling al (hij had het onder 2.7. genoemde bevelschrift van de rechter-commissaris moet afwachten) een bedrag van € 768.568,79 aan de Ontvanger betaald. Bij brief van 23 april 2004 heeft de Ontvanger [eiser] geïnformeerd over de ontvangst van het aandeel van de verkoopopbrengst en de afboeking daarvan op vijf belastingaanslagen van [eiser] .

2.5.

Bij brief van 29 mei 2004, ondertekend met [eiser] , is op voornoemde brief van de Ontvanger gereageerd. Daarbij is het standpunt ingenomen - kortgezegd - dat de verkoop van de onroerende zaken aan de gemeente Den Haag onrechtmatig was.

2.6.

Bij brief van 2 juni 2004 aan de rechtbank, ondertekend door [eiser] , is geklaagd over het feit dat de notaris de Ontvanger al heeft betaald. Verder staat daarin vermeldt: “In een eerder schrijven heb ik u al te kennen gegeven dat de gehele aankoop/overdracht van de desbetreffende woningen onwettig is en derhalve ook een rangregeling grondslag mist.” 2.7. Op 14 oktober 2004 vond ten overstaan van de rechter-commissaris de mondelinge behandeling plaats van de op verzoek van de Ontvanger opgestelde en door [eiser] tegengesproken rangregeling. Het bevelschrift met het proces-verbaal van de behandeling is op 2 november 2004 door de rechter-commissaris gegeven. Het bevelschrift sloot aan op de eerdere staat van verdeling. Uit het proces-verbaal blijkt dat [eiser] aanwezig was bij de mondelinge behandeling. Vermeld is dat hij bezwaar heeft tegen de opgestelde staat van verdeling en dat zijn bezwaar erop neerkomt (samengevat) dat er geen toestemming is verleend voor onderhandse verkoop zodat de verkoop en daarmee ook de verdeling van de verkoopopbrengst onrechtmatig is. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het bezwaar van [eiser] niet valt aan te merken als tegenspraak in de zin van artikel 486 Rv en [eiser] daarom niet verwezen naar een rolzitting van de rechtbank (renvooi).

2.8.

Bij dagvaarding van 26 april 2023 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld en in rechte betrokken.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is jegens [eiser] door tot (ver)koop en levering van de onroerende zaken over te gaan;

II. de Staat veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding en deze te begroten dan wel nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 april 2023 (datum dagvaarding) tot aan de dag van algehele voldoening,

met veroordeling van de Staat in de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.

3.2.

[eiser] legt (samengevat) aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de onroerende zaken onderhands te verkopen, waarbij de Staat acteerde in de hoedanigheid van beslaglegger, koper en verkoper. Volgens [eiser] zijn de onroerende zaken zodoende verkocht zonder andere (potentiële) gegadigden te laten meedingen. Daarmee heeft de Staat gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, waaruit volgens het naar analogie toe te passen Didam-arrest1 voortvloeit – kort gezegd – dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen. [eiser] stelt dat met voormelde wijze van verkoop niet de maximale opbrengst kon worden behaald, waardoor hij financieel is benadeeld door de handelswijze van de Staat. De verkoopprijs van € 882.956 was beduidend minder dan de marktwaarde/economische waarde van de onroerende zaken destijds; op het moment van levering circa € 30 miljoen volgens [eiser] . [eiser] vordert de schade te begroten op het prijsverschil dan wel de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure om de schade nader op te maken bij staat.

3.3.

De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De Staat beroept zich primair op verjaring en subsidiair betwist hij schadeplichtig te zijn.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing