Rechtbank Den Haag, 02-04-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5537, C/09/666886 / HA ZA 24-460
Rechtbank Den Haag, 02-04-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5537, C/09/666886 / HA ZA 24-460
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 april 2025
- Datum publicatie
- 8 april 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5537
- Zaaknummer
- C/09/666886 / HA ZA 24-460
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid curator. Insolventierecht. Procesrecht. Curator vordert ontbinding van door failliet als huurverkoper met eiser gesloten huurkoopovereenkomst. Kantonrechter wijst ontbinding toe, waarna curator het pand verkoopt aan derde. In hoger beroep wordt de gevorderde de ontbinding alsnog afgewezen. Maatstaf beoordeling aansprakelijkheid curator vanwege het vervolgens niet (kunnen) nakomen van de huurkoopovereenkomst. Risico tenuitvoerlegging uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.
Uitspraak
Team handel
Zaaknummer: C/09/666886 / HA ZA 24-460
Vonnis van 2 april 2025
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1] , België
eisende partij,
advocaat: mr. A. Quispel,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats 2] ,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M.M. Mok.
Partijen worden hierna [eiser] en de curator genoemd. Waar nodig wordt ten aanzien van de curator aangegeven of het haar hoedanigheid als curator (‘q.q.’) of voor zichzelf (‘pro sé’) betreft.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 mei 2024 met producties 1 – 20;
- de conclusie van antwoord met producties 1 – 5;
- het tussenvonnis van 21 augustus 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties van [eiser] met producties 21 – 30;- de akte overlegging producties van de curator met productie 6.
Op 28 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Hierbij waren partijen en hun advocaten aanwezig. Aansluitend hebben partijen verzocht de procedure enige tijd aan te houden in verband met schikkingsonderhandelingen. Ten slotte is, op verzoek van partijen, vonnis bepaald.
2 De feiten
De curator is bij vonnis van 23 juni 2020 benoemd tot curator in het faillissement van de heer [naam] (hierna: [naam] ).
Ruim daarvoor, op 7 december 2001, hebben [eiser] en [naam] een huurkoopovereenkomst gesloten (hierna: de huurkoopovereenkomst) ten aanzien van het appartementsrecht aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: het appartement). [eiser] bewoonde het appartement niet zelf, maar verhuurde dat.
Op enig moment hebben [eiser] en [naam] een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de huurkoopovereenkomst, waarmee (onder meer) vorderingen over en weer werden verrekend en afspraken werden gemaakt over wie van partijen (op welk moment) de VvE bijdrage diende te voldoen.
Na haar benoemding (zie hiervoor onder 2.1) heeft de curator (q.q.) [eiser] gedagvaard en (onder meer) achterstallige betalingen en ontbinding van de huurkoopovereenkomst gevorderd. Bij vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 22 juli 2021 (hierna: het ontbindingsvonnis) is, onder meer, de huurkoopovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld om binnen veertien dagen de sleutels aan de curator (q.q.) af te geven en de inschrijving van de huurkoopovereenkomst bij het Kadaster te verwijderen. Ook is [eiser] veroordeeld om binnen twee weken na de betekening van het vonnis aan de huurder van het appartement te laten weten dat deze voortaan de huurbetalingen aan de curator (q.q.) moet voldoen. Het ontbindingsvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op 31 augustus 2021 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld tegen het ontbindingsvonnis.
Op 20 oktober 2021 heeft de curator (q.q.) [eiser] in kort geding gedagvaard en, kort gezegd, gevorderd dat [eiser] wordt bevolen de inschrijving van de huurkoopovereenkomst in de openbare registers door te halen en de sleutels van het appartement af te geven, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag met een maximum van € 500.000.
Op 24 november 2021 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden. Tijdens die zitting hebben de curator (q.q.) en [eiser] een schikking getroffen die is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. Die schikking houdt kort gezegd in dat [eiser] de huurkoopovereenkomst uitschrijft uit het Kadaster en de sleutels aan de curator (q.q.) overhandigt en dat de curator (q.q.) 20% van de netto verkoopopbrengst van het appartement bij de notaris in depot stort. Blijkens het proces-verbaal strekt het depot “tot zekerheid voor enige vordering die [eiser] toe mocht komen indien in de bodemprocedure bij uitspraak in kracht van gewijsde gegaan blijkt dat er geen grond is/was voor ontbinding van de huurkoopovereenkomst”.
De curator (q.q.) heeft het appartement verkocht en op 21 april 2022 geleverd aan een derde. Zij heeft, met goedkeuring van [eiser] , 20% van de verkoopopbrengst op de derdengeldrekening van haar kantoor gestort, omdat het lastig bleek deze bij een notaris in depot te storten.
Het gerechtshof Den Haag heeft op 31 januari 2023 eindarrest gewezen in het door [eiser] ingestelde hoger beroep. Het gerechtshof heeft daarin, voor zover van belang, het vonnis van de kantonrechter (grotendeels) vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de curator (q.q.) afgewezen, onder veroordeling van de curator (q.q.) tot terugbetaling van hetgeen [eiser] uit hoofde van het ontbindingsvonnis aan de curator (q.q.) heeft betaald (na de in het randnummer hierna bedoelde verrekening) en in de proceskosten in twee instanties. Tegen dat arrest heeft de curator (q.q.) geen cassatie ingesteld.
[eiser] heeft, kort voor het vonnis van de kantonrechter (zie hiervoor onder 2.4) grotendeels aan zijn resterende betalingsverplichtingen onder de huurkoopovereenkomst voldaan door betaling aan Nationale Nederlanden, de hypotheekverstrekker van [naam] . Het, volgens het gerechtshof, nog resterende bedrag aan door [eiser] verschuldigde achterstallige VVE-bijdragen (€ 1.987,59) is door het hof in mindering gebracht op het door de curator (q.q.) aan [eiser] terug te betalen bedrag dat [eiser] eerder, op grond van het ontbindingsvonnis, aan de curator (q.q.) had betaald.
De curator (q.q.) heeft, na het arrest van het gerechtshof, het op haar derdengeldrekening gestorte bedrag van € 29.774,47, aan [eiser] betaald.
3 Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van de curator, zowel in hoedanigheid als privé, tot betaling van € 173.309,30, vermeerderd met rente en kosten. De verwijten van [eiser] jegens de curator komen in de kern neer op het volgende. Op grond van art. 7 van de huurkoopovereenkomst was [naam] , en na diens faillietverklaring de curator (q.q.) gehouden om nadat [eiser] de volledige huurkoopsom met rente had voldaan, medewerking te verlenen aan (notariële) levering van het appartement aan [eiser] . De huurkoopovereenkomst moet na het arrest van het hof worden geacht nooit te zijn ontbonden en [eiser] heeft volledig betaald. Doordat de curator intussen het appartement heeft verkocht aan een derde, kan het appartement echter niet meer aan [eiser] worden geleverd. Aldus heeft de curator niet gehandeld als van een redelijk handelend curator mag worden verwacht.
De curator voert verweer. De curator concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De curator voert daarbij – onder meer – aan dat partijen een schikking hebben getroffen op grond waarvan [eiser] er mee zou hebben ingestemd dat het appartement zou worden verkocht en hij, als hij in hoger beroep gelijk zou krijgen, een vordering zou kunnen indienen in het faillissement waarvan dan 20% was gezekerd. [eiser] heeft dat gemotiveerd betwist.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.