Home

Rechtbank Den Haag, 22-05-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9324, C/09/682341 KG ZA 242

Rechtbank Den Haag, 22-05-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9324, C/09/682341 KG ZA 242

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 mei 2025
Datum publicatie
28 mei 2025
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:9324
Zaaknummer
C/09/682341 KG ZA 242

Inhoudsindicatie

Aanbesteding; schending gelijkheidsbeginsel; eisende partij heeft nav een herbeoordeling niet net als een andere inschrijver in eerder stadium van de aanbestedingsprocedure effectief kunnen controleren of die herbeoordeling in overeenstemming met de aanbestedingsstukken heeft plaatsgevonden en meer in het bijzonder of sprake is geweest van een beoordelingscommissie met een samenstelling en expertise als in de Nota van Inlichtingen is beschreven en of het in de aanbestedingsstukken beschreven beoordelingsproces is gevolgd. Aanbestedende dienst dient eisende partij (alsnog) uit te nodigen voor een evaluatiegesprek en tijdens dit gesprek dienen de namen en exacte functies van de leden van herbeoordelingscommissie te worden verstrekt.

Uitspraak

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/682341 / KG-ZA 25-242

Vonnis in kort geding van 22 mei 2025

in de zaak van

RYSE B.V. te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. M.R. Lim te Leiden,

tegen:

CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. T.A. Burger en T.M.O. Bottinga te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘RYSE’ en ‘het COA’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 maart 2025, met producties 1 tot en met 10;

- de akte houdende een vermeerdering van eis tevens houdende overlegging producties 11 tot en met 18;

- de op 30 april 2025 door RYSE overgelegde productie 19;

- de conclusie van antwoord;

- de op 1 mei 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het COA heeft de Europese openbare aanbestedingsprocedure “Management Adviesdiensten Vastgoed en Facilitair" georganiseerd. Het doel van deze aanbesteding is om met vier partijen een raamovereenkomst te sluiten voor het uitvoeren van resultaatgerichte opdrachten ten behoeve van de afdeling Vastgoed en Facilitair van het COA. De opdracht wordt gegund aan de vier inschrijvers met de economisch meest voordelige inschrijvingen op basis van de beste prijs-kwaliteit verhouding. De te sluiten raamovereenkomsten hebben een initiële looptijd van vier jaar met twee keer een optie op verlenging met maximaal twaalf maanden.

2.2.

In het ten behoeve van deze aanbestedingsprocedure door het COA opgestelde Beschrijvend Document is in paragraaf 4.1.1 onderstaande tabel opgenomen met daarin de subgunningscriteria, het maximaal te behalen aantal punten per (sub)gunningscriterium, de weging van de te onderscheiden (sub)gunningscriteria en de maximaal te behalen totaalscores:

2.3.

In paragraaf 4.1.2.2 van het Beschrijvend Document is beschreven op welke wijze de beoordeling van het gunningscriterium Kwaliteit plaatsvindt. Deze beoordeling wordt uitgevoerd door beoordelaars die uit hoofde van hun functie beschikken over de benodigde materiedeskundigheid. Ieder lid van de beoordelingscommissie beoordeelt de te onderscheiden subgunningscriteria individueel en kent per subgunningscriterium individueel een score toe. Na de individuele beoordeling vindt een plenaire sessie met alle beoordelaars plaats, waarin de scoreresultaten worden geëvalueerd. De uiteindelijke score per subgunningscriterium vindt plaats volgens het consensusmodel, waarbij de beoordelingscommissie met één stem spreekt en per subgunningscriterium tot één gezamenlijk unaniem beoordelingscijfer komt.

2.4.

In paragraaf 2.12 van het Beschrijvend Document valt te lezen dat een inschrijver die zijn inschrijving en de aanbestedingsprocedure wil evalueren, hiervoor een afspraak kan maken met het COA.

2.5.

In de Nota van Inlichtingen van 27 juni 2024 heeft het COA onderstaande vraag over de samenstelling van de beoordelingscommissie als volgt beantwoord:

2.6.

RYSE heeft net als onder meer Arcadis Nederland B.V. (hierna: ‘Arcadis’) tijdig op de aanbesteding ingeschreven. Op 3 oktober 2024 heeft het COA aan RYSE bericht dat er negen geldige inschrijvingen zijn ingediend, dat de inschrijving van RYSE op de eerste plaats is geëindigd en dat RYSE voor gunning van een raamovereenkomst in aanmerking komt. Daarbij heeft het COA onderstaande scoretabel verstrekt:

2.7.

Arcadis is in de rangschikking van 3 oktober 2024 op een vijfde plaats geëindigd. Zij heeft het COA naar aanleiding van de voorlopige gunningsbeslissing verzocht om een evaluatiegesprek als bedoeld in paragraaf 2.12 van het Beschrijvend Document. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2024. Het COA heeft in verband met dit gesprek de Alcateltermijn, die op 24 oktober 2024 zou aflopen, met één week verlengd. Tijdens het evaluatiegesprek heeft het COA de namen en functies van de leden van de beoordelingscommissie met Arcadis gedeeld. Arcadis heeft het COA op 31 oktober 2024 in kort geding gedagvaard. Arcadis vorderde in die procedure – kort gezegd – een herbeoordeling van alle inschrijvingen door een nieuwe beoordelingscommissie, waarvan de samenstelling in overeenstemming is met het Beschrijvend Document.

2.8.

Op 26 november 2024 heeft het COA aan de inschrijvers bericht dat hij de voorlopige gunningsbeslissing van 3 oktober 2024 intrekt en dat hij zal overgaan tot een herbeoordeling van alle inschrijvingen door een nieuwe beoordelingscommissie. Het COA heeft die beslissing op 5 december 2024 onder meer als volgt gemotiveerd:

2.9.

Op 7 maart 2025 heeft het COA aan RYSE bericht dat haar inschrijving in het kader van de uitgevoerde herbeoordeling op een zesde plaats is geëindigd en dat zij om die reden niet voor gunning van een raamovereenkomst in aanmerking komt. Daarbij heeft het COA onderstaande scoretabel verstrekt:

2.10.

RYSE heeft het COA op 13 maart 2025 en bij herhaald verzoek van 18 maart 2025 verzocht om haar de volgende gegevens te verstrekken:

-

de samenstelling van de beoordelingscommissies, waaronder het aantal leden en hun functies;

-

alle in het kader van zowel de individuele als de consensusbeoordelingen van de inschrijvingen van RYSE, Arcadis, T&G, Brink en Colliers ingevulde beoordelingstabellen.

Daarnaast heeft RYSE het COA op 18 maart 2025 verzocht om vóór het verstrijken van de Alcateltermijn met haar een evaluatiegesprek in te plannen als bedoeld in paragraaf 2.12 van het Beschrijvend Document. In dat kader heeft RYSE het COA verzocht de Alcateltermijn met één week te verlengen.

2.11.

Het COA heeft op 19 maart 2025 aan RYSE bericht dat hij de gevraagde informatie niet zal verstrekken, dat hij bereid is om na het verstrijken van de Alcateltermijn met RYSE een evaluatiegesprek te voeren omdat hij daar eerder geen tijd voor heeft en dat hij geen aanleiding ziet om de Alcateltermijn te verlengen.

2.12.

RYSE heeft het COA op 21 maart 2025 nogmaals verzocht om een evaluatiegesprek als bedoeld in paragraaf 2.12 van het Beschrijvend Document. Daarbij heeft RYSE zich op het standpunt gesteld dat het COA het gelijkheidsbeginsel schendt doordat hij met Arcadis wel voor het verstrijken van de Alcateltermijn een evaluatiegesprek heeft gevoerd en tijdens dit gesprek informatie over de samenstelling van de beoordelingscommissie en het beoordelingsproces heeft verstrekt. Daarnaast heeft RYSE met een beroep op artikel 194 lid 1 Rv – zakelijk weergegeven – verzocht om inzage of afschrift van de volgende gegevens:

-

de samenstelling van de beoordelingscommissies, waaronder het aantal leden en hun functies;

-

alle correspondentie, beoordelingsformulieren en andere stukken die zijn opgesteld in het kader van zowel de uitgevoerde individuele als de uitgevoerde consensusbeoordelingen van de inschrijvingen van RYSE.

2.13.

Het COA heeft RYSE op 25 maart 2025 onder meer als volgt bericht:

2.14.

Het COA heeft RYSE op 14 april 2025 uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Het COA heeft drie tijdstippen voor dit gesprek voorgesteld. Daarbij heeft het COA vermeld dat hij eraan hecht dat dit gesprek buiten aanwezigheid van advocaten plaatsvindt.

2.15.

RYSE heeft op 15 april 2025 aan het COA bericht dat zij op de uitnodiging wenst in te gaan. Daarbij heeft zij 22 april 2025 als datum gekozen. RYSE heeft aangekondigd dat haar advocaat bij het evaluatiegesprek aanwezig zal zijn. In dat verband heeft RYSE het volgende opgemerkt:

2.16.

RYSE heeft op 17 april 2025 aan het COA bericht dat tijdens het evaluatiegesprek onder meer haar advocaat aanwezig zal zijn. Daarnaast heeft RYSE onder meer als volgt aan het COA bericht:

2.17.

Het COA heeft op 17 april 2025 aan RYSE bericht dat een evaluatiegesprek uitsluitend zonder advocaten kan plaatsvinden. Daarbij heeft het COA benadrukt dat voorafgaand aan het gesprek geen aanvullende informatie zal worden toegezonden en dat tijdens het gesprek de namen van de beoordelaars niet zullen worden verstrekt.

2.18.

RYSE heeft op 18 april 2025 aan het COA bericht dat de door het COA aan het evaluatiegesprek verbonden voorwaarden voor haar niet acceptabel zijn. Daarbij heeft RYSE er met een beroep op het gelijkheidsbeginsel onder meer op gewezen dat het COA tijdens het met Arcadis gevoerde evaluatiegesprek wel de namen van de beoordelaars heeft verstrekt.

2.19.

Het COA heeft op 18 april 2025 als volgt aan RYSE bericht:

2.20.

RYSE heeft het COA in reactie op dit bericht nog diezelfde dag medegedeeld dat haar advocaat het evaluatiegesprek zal bijwonen en dat zij er gelet op het gelijkheidsbeginsel vanuit gaat dat het COA tijdens dit gesprek met haar dezelfde informatie zal delen als destijds met Arcadis is gedeeld.

2.21.

Het COA heeft RYSE op 22 april 2025 bericht dat hij in zijn eerder ingenomen standpunten volhardt. RYSE heeft het COA in reactie op dit bericht er nogmaals op gewezen dat hij zich schuldig maakt aan een schending van het gelijkheidsbeginsel.

3 Het geschil

3.1.

RYSE vordert na vermeerdering van eis – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. het COA te verbieden de opdracht te gunnen;

II. het COA te gebieden de voorlopige gunningsbeslissing van 7 maart 2025 in te trekken en alle inschrijvers daarvan schriftelijk te berichten;

III. het COA te gebieden tot heraanbesteding van de opdracht over te gaan;

subsidiair:

I. het COA te gebieden om RYSE binnen drie werkdagen na datum van vonniswijzing uit te nodigen voor een evaluatiegesprek, welk gesprek binnen twee weken na de uitnodiging op een in onderling overleg te bepalen moment dient plaats te vinden;

II. het COA te gebieden om op grond van het gelijkheidsbeginsel, artikel 195 lid 1 Rv dan wel artikel 22 Rv aan RYSE inzage in dan wel afschrift van de navolgende gegevens te verstrekken:

a) gegevens over de samenstelling van zowel de oorspronkelijke als de herbeoordelingscommissie, waaronder in ieder geval het aantal leden, de namen van de leden en functies die de leden vervullen;

b) alle correspondentie, beoordelingsformulieren en andere stukken opgesteld door individuele leden van de beoordelingscommissie, die verband houden met de beoordelingen van de inschrijving van RYSE;

c) alle correspondentie, beoordelingsformulieren en andere stukken opgesteld door of namens de volledige beoordelingscommissie (waaronder derden die bij de beoordelingen betrokken zijn geweest of de beoordelingen hebben begeleid), waaronder de notulen van de consensusvergaderingen die in het kader van die beoordelingen hebben plaatsgevonden;

zulks met bepaling dat het COA deze gegevens binnen drie werkdagen na de datum van dit vonnis aan RYSE ter beschikking dient te stellen;

III. het COA te verbieden de opdracht te gunnen voordat een nieuwe Alcateltermijn van twintig dagen na ontvangst van de gegevens of het evaluatiegesprek ongebruikt is verstreken alsmede het COA te verbieden om de opdracht te gunnen gedurende een door RYSE aanhangig te maken kort geding;

meer subsidiair in goede justitie een passende voorziening te treffen;

zowel primair, subsidiair als meer subsidiair op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van het COA in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert RYSE – samengevat – aan dat het COA Arcadis naar aanleiding van de eerste voorlopige gunningsbeslissing in de gelegenheid heeft gesteld om te controleren of de samenstelling van de beoordelingscommissie en de procedure van beoordeling van de ingediende inschrijvingen in overeenstemming zijn met hetgeen daarover in de aanbestedingsstukken is bepaald. De daarvoor benodigde informatie heeft Arcadis van het COA verkregen tijdens een evaluatiegesprek dat conform de inhoud en strekking van paragraaf 2.12 van het Beschrijvend Document hangende de met het oog op dit gesprek verlengde Alcateltermijn is gevoerd. Tijdens dit gesprek, waarbij in ieder geval één lid van de beoordelingscommissie aanwezig was, heeft het COA volgens RYSE de namen en functies van de leden van de beoordelingscommissie met Arcadis gedeeld en heeft hij met Arcadis gesproken over de gang van zaken tijdens de te onderscheiden fases van het beoordelingsproces. De door Arcadis uitgevoerde controle heeft aan het licht gebracht dat het COA niet conform de aanbestedingsstukken heeft gehandeld, reden waarom het COA heeft besloten tot een herbeoordeling van alle inschrijvingen door een nieuwe beoordelingscommissie. RYSE stelt dat het COA haar deze controlemogelijkheid in het kader van de uitgevoerde herbeoordeling ten onrechte onthoudt door met haar geen evaluatiegesprek te voeren en haar niet die informatie te verstrekken die hij wel aan Arcadis heeft verstrekt. Volgens RYSE handelt het COA daarmee in strijd met zowel het gelijkheidsbeginsel als het transparantiebeginsel. Daarbij merkt RYSE op dat er aanleiding is voor twijfel of de leden van de herbeoordelingscommissie specifiek de door het COA in de Nota van Inlichtingen genoemde functies bekleden. Vanwege de schending van het gelijkheids- en transparantiebeginsel kleven er volgens RYSE ernstige gebreken aan de aanbestedingsprocedure, reden waarom tot een heraanbesteding dient te worden overgegaan. Subsidiair stelt RYSE dat als er geen heraanbesteding dient plaats te vinden, zij op grond van het gelijkheidsbeginsel, artikel 195 lid 1 Rv dan wel artikel 22 Rv het recht heeft om in dezelfde (informatie)positie als Arcadis te worden gebracht. In dat verband dient/dienen volgens RYSE aan haar alle informatie/gegevens over de samenstelling van de beoordelingscommissie en het doorlopen beoordelingsproces te worden verstrekt en dient haar vervolgens de mogelijkheid te worden geboden om de tweede voorlopige gunningsbeslissing aan te vechten in kort geding.

3.3.

Het COA voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil