Rechtbank Den Haag, 14-05-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9616, C/09/681837 / KG ZA 25-218
Rechtbank Den Haag, 14-05-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9616, C/09/681837 / KG ZA 25-218
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 mei 2025
- Datum publicatie
- 11 juni 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9616
- Zaaknummer
- C/09/681837 / KG ZA 25-218
Inhoudsindicatie
Kort geding. Aanbesteding. Geen sprake van aanbestedingsstukken die voor meerderlei uitleg vatbaar zijn, dus geen grond voor primair gevorderde heraanbesteding. Twijfels bij eiseres over de vraag of voorlopige winnaar wel op een bepaald uitgevraagd aspect is ingegaan en terecht de maximale score bij vraag 1 van casus 1 heeft gekregen zijn - gelet op motivering gunningsbeslissing – niet onbegrijpelijk, maar het is aannemelijk dat voorlopige winnaar op dat aspect is ingegaan. Eiseres heeft overigens ook geen belang bij subsidiair gevorderde herbeoordeling, omdat een herbeoordeling niet tot relevante wijziging van het eindoordeel kan leiden.
Uitspraak
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/681837 / KG ZA 25-218
Vonnis in kort geding van 14 mei 2025
in de zaak van
Vodafone Libertel B.V. te Maastricht,
eiseres,
advocaten mrs. P.F.C. Heemskerk, S. Sanders en M. van den Brink te Amsterdam,
tegen:
1. Academisch Ziekenhuis Maastricht (in deze h.o.d.n. Maastricht UMC+) te Maastricht,
2. Stichting Amsterdam UMC te Amsterdam,
3. Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC) te Rotterdam,
4. Academisch Ziekenhuis Leiden (in deze h.o.d.n. Leids Universitair Medisch Centrum) te Leiden,
5. Stichting Radboud Universitair Medisch Centrum te Nijmegen,
6. Academisch Ziekenhuis Groningen (in deze h.o.d.n. Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG)) te Groningen,
7. Universitair Medisch Centrum Utrecht te Utrecht,
gedaagden,
advocaat mr. P. Bluemink te Groningen,
waarin is tussengekomen:
KPN B.V. te Rotterdam,
advocaten mrs. J.F. van Nouhuys en E.S.C. van der Hoek te Rotterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Vodafone’, ‘de UMC’s’ en ‘KPN’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 32;
- de door de UMC’s overgelegde conclusie van antwoord;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging.
- de brieven van de zijde van Vodafone van 8 april 2025 (met bijlage) en van 29 april 2025;
- de brief van KPN van 24 april 2025.
Op 30 april 2025 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door Vodafone en KPN pleitnotities overgelegd. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. Het incident tot tussenkomst subsidiair voeging en beslissing op terbeschikkingstelling van stukken
KPN heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Vodafone en de UMC’s dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de UMC’s. De UMC’s hebben hier geen bezwaar tegen gemaakt. Vodafone heeft wel bezwaar gemaakt tegen de tussenkomst, maar niet tegen de voeging. Vodafone heeft hierbij gesteld dat KPN een lege conclusie tot interventie heeft ingediend, zonder gronden. Het standpunt van KPN zal daarom pas ter zitting blijken, waardoor Vodafone daar niet deugdelijk op zal kunnen reageren. Dit is, aldus Vodafone, in strijd met de goede procesorde. Dit geldt ook voor de subsidiair gevorderde voeging, zo stelt Vodafone, maar daar verzet Vodafone zich desondanks niet tegen.
De voorzieningenrechter heeft het bezwaar van Vodafone ter zitting verworpen en heeft KPN toegelaten als tussenkomende partij. KPN heeft haar belang tot tussenkomst in de incidentele conclusie onderbouwd en voldoende aannemelijk gemaakt. Dat zij haar inhoudelijke standpunt over de vorderingen van Vodafone en de onderbouwing daarvan niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling kenbaar heeft gemaakt, staat niet aan tussenkomst in de weg. Het is in kort geding niet vereist om voorafgaand aan de zitting al verweer te voeren. De voorzieningenrechter heeft benadrukt dat dit onverlet laat dat zij de goede procesorde zal bewaken. Voor zover het betoog van KPN ter zitting daartoe aanleiding geeft, kan de mondelinge behandeling worden geschorst om de advocaten van Vodafone in de gelegenheid te stellen ruggenspraak te houden met hun cliënt of zal de behandeling worden aangehouden om Vodafone in de gelegenheid te stellen later nog te reageren, zo deelde de voorzieningenrechter ter zitting mee. Vodafone heeft vervolgens niet verzocht van deze mogelijkheid gebruik te mogen maken en bleek ter zitting voldoende in staat te reageren op het betoog van KPN.
In aanloop naar de zitting heeft Vodafone de volledige dagvaarding en een groot deel van de producties aan KPN ter beschikking gesteld. Zij heeft een aantal producties niet aan KPN ter beschikking gesteld, omdat deze volgens haar bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten. KPN heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter beslist dat de door Vodafone aan KPN verstrekte informatie volstaat om KPN in de gelegenheid te stellen verweer te voeren tegen de vorderingen van Vodafone. Diverse passages uit de voorlopige gunningsbeslissing die ter discussie staat zijn door Vodafone geciteerd in de dagvaarding en de voorzieningenrechter heeft gecontroleerd dat deze citaten correct zijn overgenomen. Over die informatie beschikt KPN dus en de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat KPN daarmee over voldoende informatie beschikt om niet in haar procedurele belangen te worden geschaad. Verdere informatie uit de gunningsbeslissing of uit haar eigen inschrijving hoeft Vodafone niet te delen met KPN, nu dat bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. Dat klemt temeer nu de telecommunicatiemarkt een zeer competitieve en concurrentiegevoelige markt is. Om diezelfde reden heeft KPN ook haar eigen inschrijving en de aan haar verzonden gunningsbeslissing niet met Vodafone gedeeld. De voorzieningenrechter heeft daarbij de mogelijkheid opengehouden dat mogelijk op onderdelen andere/nadere beslissingen zouden moeten worden genomen als het inhoudelijke debat ter zitting daartoe aanleiding zou geven. Daarvan is echter geen sprake geweest.
3 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De UMC’s hebben een aanbestedingsprocedure georganiseerd ten behoeve van “Bereikbaarheidsdiensten”. Inzet van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van zeven individuele overeenkomsten met één marktpartij voor de levering van vaste en mobiele telefoniediensten voor elk van de deelnemende UMC’s. De beoogde duur van de raamovereenkomsten is vier jaar, met een mogelijkheid van verlenging van twee keer één jaar. Gunning vindt plaats op basis van de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding, waarbij het onderdeel prijs voor 30% meeweegt en kwaliteit voor 70%.
Het onderdeel kwaliteit is onderverdeeld in 11 verschillende casussen, waarvoor in totaal 700 punten behaald kunnen worden. In dit kort geding is met name Casus 1 (Continue geborgde bereikbaarheid voor Acute Zorg (Vast & Mobiel) relevant. Voor Casus 1 kunnen maximaal 175 punten worden behaald. Indien voor casus 1 minder dan 105 punten worden behaald, leidt dat tot uitsluiting van de aanbesteding.
Over de beoordeling van het onderdeel kwaliteit staat het volgende in paragraaf 1.5.5 van de Aanbestedingsleidraad1:


Casus 1 luidt, voor zover nu relevant, als volgt:

(...)

(...)




In de casus staat vermeld dat voor vraag 1, 2 en 3 telkens maximaal 13 punten behaald kunnen worden, aan de hand van de volgende beoordelingsmatrix:


Verder vermeldt de casus het volgende over de punten die worden toegekend voor vraag 4 en 5:


Over casus 1 zijn in de Nota van Inlichtingen de volgende vragen beantwoord:



Vodafone, KPN en Odido hebben tijdig een geldige inschrijving ingediend. Bij brief van 26 september 2024 hebben de UMC’s medegedeeld voornemens te zijn de opdracht aan KPN te gunnen. Vodafone kon zich niet vinden in deze gunningsbeslissing en heeft daartegen een kort geding aanhangig gemaakt. Op 21 november 2024 hebben de UMC’s vervolgens de gunningsbeslissing van 26 september 2024 ingetrokken, waarna Vodafone het kort geding heeft ingetrokken.
Op 14 februari 2025 is de nieuwe voorlopige gunningsbeslissing aan Vodafone toegezonden (hierna: de gunningsbeslissing). Uit deze gunningsbeslissing volgt dat de UMC’s voornemens zijn de opdracht te gunnen aan KPN en dat de inschrijving van Vodafone op de tweede plaats is geëindigd. De inschrijvers hebben voor Casus 1 de volgende scores behaald:

De totaalscore op het gunningscriterium kwaliteit is als volgt:

In de gunningsbeslissing wordt, onder meer, de volgende toelichting gegeven over Casus 1:

(...)

(...)

(...)


(...)

(...)

Naar aanleiding van de gunningsbeslissing heeft Vodafone schriftelijk het volgende voorgelegd aan de UMC’s:


Vodafone stelt in de brief dat de beoordeling van de inschrijvingen onjuist heeft plaatsgevonden en dat het gunningsvoornemen niet in stand kan blijven.
Bij brief van 11 maart 2025 hebben de UMC’s als volgt gereageerd op het bezwaar van Vodafone:





4 Het geschil
Vodafone vordert – zakelijk weergegeven – de UMC’s te gebieden:
primair:
-
de gunningsbeslissing in te trekken, althans hieraan geen verdere uitvoering te geven, de aanbesteding te staken en gestaakt te houden en de UMC’s te verbieden met KPN op basis van de gunningsbeslissing te contracteren;
-
indien en voor zover de UMC’s de opdracht nog willen vergeven, de opdracht opnieuw aan te besteden;
subsidiair:
-
de gunningsbeslissing in te trekken, althans hier geen verdere uitvoering aan te geven en de UMC’s te verbieden met KPN op basis van de gunningsbeslissing te contracteren;
-
over te gaan tot een herbeoordeling van (in elk geval) de inschrijving van Vodafone en KPN (en die van de overige inschrijvers) door een nieuwe objectieve beoordelingscommissie, conform het bepaalde in de Aanbestedingsleidraad en met inachtneming van hetgeen in dit vonnis over de herbeoordeling wordt bepaald;
-
indien en voor zover de UMC’s de opdracht nog willen vergeven, een nieuwe gunningsbeslissing te nemen voorzien van (opnieuw) een standstilltermijn van 20 dagen;
alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de UMC’s in de kosten van dit geding.
Daartoe voert Vodafone – kort samengevat – het volgende aan. Volgens Vodafone is Casus 1, een wezenlijk onderdeel van de aanbesteding, niet op een zodanig duidelijke, precieze en ondubbelzinnige manier geformuleerd dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver de juiste reikwijdte van Casus 1 had kunnen begrijpen. Dit heeft aanleiding gegeven tot verschillende interpretaties, met andere inschrijvingen tot gevolg en dat moet leiden tot heraanbesteding. Als de feiten niet maken dat tot heraanbesteding moet worden besloten, dan moet subsidiair een herbeoordeling plaatsvinden, waarbij het gestelde nadeel van Vodafone niet negatief mag worden meegewogen en het gestelde voordeel van KPN niet positief mag worden meegewogen.
De UMC’s en KPN voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
KPN vordert – zakelijk weergegeven – de UMC’s te verbieden de opdracht te gunnen aan een ander dan KPN, voorzover de UMC’s de opdracht nog willen gunnen, met veroordeling van Vodafone in de kosten van de procedure.
Verkort weergegeven stelt KPN daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt.
Voor zover nodig zullen de standpunten van Vodafone en de UMC’s met betrekking tot de vorderingen van KPN hierna worden besproken.