Rechtbank Gelderland, 10-12-2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7699, 2451381
Rechtbank Gelderland, 10-12-2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7699, 2451381
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 10 december 2014
- Datum publicatie
- 12 december 2014
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2014:7699
- Formele relaties
- Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2014:1385
- Zaaknummer
- 2451381
Inhoudsindicatie
Telefoonzaak na HR 13 juni 2014 ECLI:NL:HR:2014:1385. Er is sprake van een telefoonabonnement inclusief toestel (iPhone 4S) tussen T-Mobile en consument. Intrum heeft de vordering van T-Mobile gekocht.
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van koop op afbetaling. In art. 7A:1576 lid 1 BW is bepaald dat bij koop op afbetaling moet zijn overeengekomen dat ‘de koopprijs’ in termijnen wordt betaald. De koopprijs is echter niet bepaald. Het beroep op vernietiging van de overeenkomst slaagt. De kantonrechter is van oordeel dat de nietigheid van de overeenkomst slechts betreft het deel van de overeenkomst dat ziet op de koop (op afbetaling) van een telefoontoestel en voor wat betreft de telecommunicatiedienst in stand kan blijven omdat deze gelet op inhoud en strekking van de overeenkomst niet in onverbrekelijk verband staat met het nietige deel, te weten het deel dat ziet op de verkoop (op afbetaling) van de iPhone 4S. De overeengekomen maandkosten bedroegen € 74,73 (inclusief btw). Voor het bepalen van het gedeelte van deze maandkosten dat ziet op de telecommunicatiediensten, dient vastgesteld te worden wat de verkoopwaarde van het telefoontoestel was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.
Daarnaast is de vraag of en zo ja welke rente en/of kosten T-Mobile in rekening heeft gebracht. Op grond van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 geldt in dit geval als uitgangspunt dat door T-Mobile ter zake het verstrekken van de iPhone 4S rente en kosten in rekening zijn gebracht. De kantonrechter zal in dit geval, nu de jurisprudentie op dit terrein recent is en de rechtsontwikkeling is gediend met een uitgewerkt debat op dit punt, Intrum tevens toelaten ter zake tegenbewijs te leveren. Wat betreft de hoogte van de in rekening gebrachte rente en kosten acht de kantonrechter het door gedaagde partij genoemde rente percentage van 10% (per jaar) reëel en neemt dit daarom vooralsnog – behoudens eventueel te leveren tegenbewijs – als vaststaand aan.
Intrum vordert bij wijze van schadevergoeding betaling van de resterende ‘termijnen’. Voor zover deze vordering is gegrond op de algemene voorwaarden van T-Mobile geldt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd nu Intrum niet aangeeft om welke bepaling het gaat. In de conclusie van repliek heeft Intrum de vordering tot schadevergoeding (factuur met nummer 901168002188) slechts gegrond op art. 6:277 BW. Op grond van deze bepaling heeft Intrum recht op vergoeding van de schade die T-Mobile heeft geleden doordat geen wederzijdse nakoming heeft plaatsgevonden, maar de overeenkomst is ontbonden.
Intrum stelt dat het bedrag van de schadevergoeding in redelijkheid en conform vaste jurisprudentie van de Geschillencommissie Telecommunicatie is gefixeerd op het totaal van de gederfde abonnementsgelden over het na ontbinding resterende deel van de tussen partijen overeengekomen looptijd van de overeenkomst. Bij instandhouding van de overeenkomst zouden normaliter naast vaste inkomsten bovendien variabele gespreksinkomsten worden gegenereerd. Aldus wordt winst gederfd. Ten slotte moet volgens Intrum in aanmerking worden genomen dat T-Mobile voor de totstandkoming van de overeenkomst een bonus heeft moeten betalen aan (naam dealer), de dealer waar de overeenkomst is gesloten.
De kantonrechter is van oordeel dat deze schade niet nauwkeurig valt vast te stellen. Allereerst is niet gesteld of gebleken of en welke kosten T-Mobile heeft bespaard doordat gedaagde partij geen gebruik meer heeft kunnen maken van haar telecommunicatienetwerk. Intrum heeft voorts niet voldoende onderbouwd dat gedaagde partij bij het doorlopen van de overeenkomst ‘buiten de bundel’ zou hebben gebeld. Evenmin heeft zij de hoogte van de genoemde bonus vermeld, laat staan onderbouwd dat deze is betaald. De kantonrechter zal de schade daarom begroten en schatten ex art. 6:97 BW. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter de schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW schattenderwijs begroten op 50% van het nog vast te stellen deel van de abonnementsgelden dat geacht kan worden te zien op het gedeelte van de overeenkomst betreffende het verlenen van telecommunicatie-diensten. Gedaagde partij had over de eerste drie maanden recht op korting van 50%. De kantonrechter is van oordeel dat die korting tevens betrekking had op het gedeelte van de overeenkomst dat ziet op de telecommunicatiediensten.
Intrum heeft in haar laatste akte betoogd dat T-Mobile – indien zoals thans is beslist wordt uitgegaan van een (partieel) nietige overeenkomst - zonder rechtsgrond een nieuwe telefoon aan gedaagde partij heeft verstrekt en dat gedaagde partij die telefoon in dezelfde staat aan T-Mobile dient te retourneren. Dit doet aan het voorgaande niet af, nog daargelaten dat de gestelde verplichting tot teruggave door gedaagde partij van de telefoon geen inzet van dit geding is.
Intrum wordt toegelaten
- bewijs te leveren van haar stelling dat de bij het aangaan van de tussen partijen gesloten overeenkomst ter beschikking gestelde iPhone 4S een verkoopwaarde had van € 599,00;
- tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat T-Mobile in de met de consument gesloten overeenkomst 10% rente en kosten in rekening heeft gebracht over de verkoopwaarde van de in de overeenkomst genoemde iPhone 4S;
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 2451381 \ CV EXPL 13-15655 \ 475 \ 522fh
uitspraak van
vonnis
in de zaak van
de besloten vennootschap Intrum Justitia Nederland B.V.
gevestigd te 's-Gravenhage
eisende partij
gemachtigde mr. P.L.J.M. Guinee
rolgemachtigde A. Rouw (AGC gerechtsdeurwaarders & incasso Apeldoorn)
tegen
[gedaagde partij]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
gemachtigde mr. M.M. de Jonge
Partijen worden ook hierna weer Intrum en[gedaagde partij] genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van de kantonrechter van 9 april 2014 en de daarin genoemde gedingstukken;
- de akte van Intrum;
- de akte uitlaten partijen van[gedaagde partij].
2 De feiten
Op 26 maart 2012 heeft[gedaagde partij] met T-Mobile een overeenkomst ‘voor mobiele telefonie’ gesloten voor de duur van 24 maanden. Daarbij is aan[gedaagde partij] een mobiele telefoon van het merk Apple (type iPhone 4S 16GB) ter beschikking gesteld. Op grond van deze overeenkomst kreeg[gedaagde partij] toegang tot het telecommunicatienetwerk van T-Mobile. Als aanvullende dienst is in de overeenkomst vermeld ‘Onbeperkt Internet Voordeelb.’. De maandkosten van de overeenkomst bedroegen € 74,73 (inclusief btw) met dien verstande dat[gedaagde partij] gedurende de eerste drie maanden 50% korting kreeg. De prijs van de genoemde aanvullende dienst (onbeperkt internet) bedroeg € 4,16 (exclusief btw) per maand. Hierop kreeg[gedaagde partij] gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst (24 maanden) 100% korting. Op de overeenkomst zijn (de) algemene voorwaarden van toepassing.
T-Mobile heeft de overeenkomst ontbonden per 10 juli 2012 wegens wanbetaling.
Bij brief van 28 augustus 2012 heeft de gemachtigde van[gedaagde partij] aan T-Mobile – onder meer – bericht dat hij de vernietiging c.q. ontbinding van de overeenkomst inriep omdat deze onder bedrog c.q. dwaling tot stand is gekomen en bovendien niet voldoet aan de eisen die de Wet op het consumentenkrediet (Wck) stelt.
T-Mobile heeft haar vordering op[gedaagde partij] verkocht en overgedragen aan Intrum.
3 De vordering en het verweer
De vordering en het verweer zijn in het tussenvonnis van 9 april 2014 vermeld.