Rechtbank Gelderland, 10-03-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1473, AWB - 14 _ 7954
Rechtbank Gelderland, 10-03-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1473, AWB - 14 _ 7954
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 10 maart 2015
- Datum publicatie
- 7 april 2015
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2015:1473
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2405, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- AWB - 14 _ 7954
Inhoudsindicatie
Projectplan Waterschap. Nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van bodemvervuiling, faalt hun betoog dat het projectplan kan leiden tot verspreiding daarvan en dat verweerder daar bij de voorbereiding van het projectplan onderzoek naar had moeten doen.
Uitspraak
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/7954
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. D. Schilstra),
en
het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Vallei en Veluwe te Apeldoorn, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het projectplan “Verdrogingsbestrijding Vossenbroek” vastgesteld.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en de heer [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Doude van Troostwijk, L. Eikelenboom-Van den Bos, P. van Dijk en M. Veldhuis.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet geschiedt de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan.
Ingevolge het tweede lid bevat het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk.
2. Het projectplan ziet op het uitvoeren van de volgende inrichtingsmaatregelen in het natuurgebied het Vossenbroek:
- -
-
Het verondiepen van A-watergangen;
- -
-
Het afgraven van oevers tot natuurvriendelijke oevers;
- -
-
Het graven van een nieuwe A-watergang;
- -
-
Het verdiepen van delen van een A- en C-watergang en het bekleden met klei.
3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) is Afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.
In bijlage I, onder 7 (natuur, water en waterstaatswerken) is in categorie 7.3 de aanleg of wijziging van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de waterkering of artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet opgenomen.
Hieruit volgt dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw op deze procedure van toepassing is.
4. Eisers wonen aan [adres] aan de rand van het gebied waarop de inrichtingsmaatregelen zien. Eisers stellen dat sprake is van bodemvervuiling op het perceel kadastraal bekend als de gemeente Epe en Oene, sectie M, nummer 4070, (verder: het perceel). Eisers betogen dat het vernattingsproject zal leiden tot een verplaatsing en toename van deze bodemvervuiling door grondwaterstroming. Hierdoor zal het grondwater op het perceel van eisers vervuild raken. Eisers stellen dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat verweerder daarin niet onderkend heeft dat er vervuilde grond aanwezig is. Het bestreden besluit is naar mening van eisers onvoldoende gemotiveerd omdat verweerder geen nader onderzoek heeft verricht op dit punt. Eisers hebben ter onderbouwing van hun stelling een rapport in geding gebracht van Boluwa Eco Systems BV (verder: Boluwa) van 10 december 2014.
5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het projectplan zorgvuldig tot stand is gekomen, dat het onderzoeksrapport geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat de maatregelen uit het projectplan zullen leiden tot verontreiniging van het grondwater en dat het niet de verwachting is dat eisers schade zullen leiden ten gevolge van de maatregelen.
6. Ten aanzien van de stelling van eisers dat het project kan leiden tot een verplaatsing en toename van de bodemvervuiling is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van bodemverontreiniging. In het door eisers in geding gebrachte rapport van Boluwa wordt gesteld dat er reden is om een bodemverontreiniging op het perceel te verwachten. Geadviseerd wordt om onder andere door middel van een (aanvullend) verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 de verontreiniging op het perceel in kaart te brengen. Boluwa heeft slechts een visuele terreininspectie uitgevoerd en op basis daarvan een aantal hypotheses geformuleerd. Met de daaruit voortvloeiende aanbeveling om nader onderzoek uit te voeren, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van bodemverontreiniging.
7. Verweerder verwijst naar een rapport Tauw BV van 11 december 2002 ter onderbouwing van de stelling dat er geen sprake is van bodemvervuiling. Dit rapport betreft een verkennend bodemonderzoek in opdracht van de Dienst Landelijk Gebied Gelderland (hierna: DLGG) naar de puinverharding en de onderliggende bodemlaag van onder andere het perceel, uitgevoerd conform NEN5740. De aanleiding voor het rapport was de aankoop van de onderzoekslocatie door DLGG. In het rapport van Tauw BV wordt geconcludeerd dat op basis van de analyseresultaten kan worden gesteld dat het perceel gelet op de chemische parameters, behoudens een zeer lichte overschrijding van de streefwaarde voor EOX in de onderliggende bodemlaag, vrij is van verontreinigingen. Het betoog van eisers dat dit rapport niet bruikbaar is omdat dit voor een ander doel is opgesteld en bovendien dateert uit 2002 faalt. Uit de onderzoeksopdracht blijkt dat dat bodemonderzoek tot doel had het bepalen of er sprake was van bodemverontreiniging. Nu niet gesteld of gebleken is dat de bodem op de aangegeven plaats na 2002 verder vervuild is geraakt, heeft verweerder op basis van het rapport uit 2002 kunnen concluderen dat daarin geen vervuiling aanwezig was. Ook gelet op het belang van de DLGG om in het kader van de aankoop vervuiling vast te stellen, hoeft niet te worden getwijfeld aan de uitkomsten van het onderzoek.
7. Nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van bodemvervuiling, faalt hun betoog dat het projectplan kan leiden tot verspreiding daarvan en dat verweerder daar bij de voorbereiding van het projectplan onderzoek naar had moeten doen.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
|
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: |
||
|
griffier |
rechter |
|
|
Afschrift verzonden aan partijen op: |
||
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing. Gelet hierop worden in het hoger beroep de beroepsgronden in het beroepschrift opgenomen; wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en kunnen deze na afloop van de beroepstermijn niet meer worden aangevuld.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.