Rechtbank Gelderland, 09-04-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2381, AWB - 15 _ 751
Rechtbank Gelderland, 09-04-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2381, AWB - 15 _ 751
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 9 april 2015
- Datum publicatie
- 4 juni 2015
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2015:2381
- Zaaknummer
- AWB - 15 _ 751
- Relevante informatie
- Arbeidsomstandighedenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-07-2025], Arbeidsomstandighedenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-07-2025] art. 34, Arbeidsomstandighedenbesluit [Tekst geldig vanaf 01-02-2025 tot 01-07-2025], Arbeidsomstandighedenbesluit [Tekst geldig vanaf 01-02-2025 tot 01-07-2025] art. 4.48a
Inhoudsindicatie
Het verrichten van werkzaamheden die waren gericht op het leeghalen van het terrein en de stallen voordat de aanwezige asbesthoudende producten door het aannemingsbedrijf zouden worden verwijderd is een overtreding van artikel 4.48a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Uitspraak
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/751
op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. P.W.M. Huisman),
en
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder:
1. aan verzoeker op grond van artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet een boete opgelegd van € 1.800;
2. conform de Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen besloten om een aantal in dat besluit nader genoemde inspectiegegevens openbaar te maken.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.W.J. Crommelin.
Overwegingen
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Met betrekking tot de spoedeisendheid.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een spoedeisend belang bij het voorkomen van openbaarmaking, gelet op de aard van het besluit en de mogelijke gevolgen ervan. Verzoeker heeft aangevoerd dat openbaarmaking zal leiden tot een onomkeerbaar gevolg, dat voor zijn bedrijf grote (financiële) gevolgen zal hebben. Omdat openbaarmaking rechtstreeks voortvloeit uit het boetebesluit zal ook dit boetebesluit door de voorzieningenrechter in zijn oordeel worden betrokken.
Met betrekking tot het bestreden besluit.
Bij een controle op 11 september 2014 op de locatie aan de [adres] heeft een arbeidsinspecteur van verweerder geconstateerd dat werkzaamheden waren verricht bestaande uit het bouwkundig slopen van stallen.
Bij het bestreden besluit is aan verzoeker een boete opgelegd en is besloten de in dit besluit genoemde gegevens openbaar te maken. Verweerder heeft op basis van het door de arbeidsinspecteur opgemaakte rapport van 30 oktober 2014 geconcludeerd dat verzoeker sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd voordat de op het terrein en in de stallen aanwezige asbestproducten waren verwijderd waardoor het asbest in en op de stallen werd beschadigd, terwijl bij hem bekend was dat de te slopen stallen asbesthoudende toepassingen bevatten.
Ter zitting is door verzoeker erkend dat hij werkzaamheden heeft verricht op het terrein aan de [adres]maar is gesteld dat deze werkzaamheden geen betrekking hadden op het verwijderen van asbest. De kraan waarmee verzoeker op het terrein aanwezige andere objecten aan het verwijderen was, is per ongeluk in aanraking gekomen met de stallen 4 en 5, waarin zich asbest bevond, waarna deze stallen gedeeltelijk zijn ingestort. In geen geval was sprake van sloopwerkzaamheden van asbesthoudende materialen, daarvoor had verzoeker het in asbestverwijdering gespecialiseerde Aannemingsbedrijf [bedrijf] ingeschakeld. Verzoeker was slechts bezig met het leeghalen van het terrein zodat het aannemingsbedrijf daar de asbesthoudende materialen kon verzamelen. Verzoeker stelt zich dan ook op het standpunt dat nog geen sprake was van andere werkzaamheden, als bedoeld in artikel 4.48a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Artikel 4.48a, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalt dat voordat wordt aangevangen met andere werkzaamheden, het aanwezige asbest wordt dan wel de aanwezige asbesthoudende producten worden verwijderd, behalve wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden.
Vast staat dat verzoeker op het terrein werkzaamheden heeft verricht die niet bestonden uit het verwijderen van het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten maar die waren gericht op het leeghalen van het terrein en de stallen voordat de aanwezige asbesthoudende producten door het aannemingsbedrijf zouden worden verwijderd. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was dan ook sprake van andere werkzaamheden als bedoeld in voormeld artikellid van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De stelling van verzoeker dat het om werkzaamheden zou gaan die in geen enkel verband stonden met de sloop van de asbesthoudende delen van de stallen 4 en 5, wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Ter zitting is door verzoeker verklaard dat hij bezig was het terrein schoon te maken en dat ook de stallen 4 en 5 moesten worden leeg gemaakt voordat met de verwijdering van de asbesthoudende producten kon worden begonnen. Dit is te meer aannemelijk nu in de offerte die het aannemingsbedrijf aan [verzoekers bedrijf] had uitgebracht is vermeld dat de te saneren ruimte(s) leeg, bezemschoon en vrij bereikbaar dienden te zijn.
Verweerder heeft naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd dat verzoeker artikel 4.48a van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder tevens in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen. Met betrekking tot de openbaarmaking overweegt de voorzieningenrechter dat van strijd van verweerders beleidsregel om de gegevens zoals weergegeven in het bestreden besluit te publiceren, met de Wet openbaarheid bestuur niet is gebleken. Verweerder heeft in redelijkheid het belang van de burger bij goede voorlichting zwaarder kunnen laten wegen dan eventuele reputatieschade bij verzoeker.
Nu het bestreden besluit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar ook voor het overige stand zal kunnen houden, betekent dit dat het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
|
Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2015. |
||
|
griffier |
voorzieningenrechter |
|
|
Afschrift verzonden aan partijen op: |
||
|
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. |