Rechtbank Gelderland, 21-12-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:7044, AWB 15/1909, 15/1954 en 15/1978
Rechtbank Gelderland, 21-12-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:7044, AWB 15/1909, 15/1954 en 15/1978
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 21 december 2016
- Datum publicatie
- 13 februari 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2016:7044
- Zaaknummer
- AWB 15/1909, 15/1954 en 15/1978
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Beoordeling omgevingsvergunning rubberrecyclingbedrijf voor binnenplans afwijken van het bestemmingsplan, het oprichten en in werking hebben van een inrichting en een omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Het bestuursorgaan heeft voor wat betreft de aspecten geluid en visuele hinder onvoldoende gemotiveerd dat het bedrijf van vergunninghouder naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met het voorheen ter plaatse gevestigde bedrijf. Voorts ziet de rechtbank, bij gebreke aan een reactie van het bestuursorgaan, geen grond dat een advies van de waterbeheerder in dit geval niet nodig is. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld de gebreken te herstellen.
Uitspraak
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 15/1909, 15/1954 en 15/1978
in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. B. de Jong);
[eiseres 2] , te [woonplaats] , eiseres 2
(gemachtigde: mr. M.T. Hoen);
[eiser 3] te [woonplaats] , eiser 3
(gemachtigde: mr. M.T. Hoen)
(hierna tezamen: eisers),
en
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [plaats] .
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij (hierna: [derde belanghebbende] ) een omgevingsvergunning verleend voor een rubberrecyclingbedrijf aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het perceel) voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan, het oprichten en in werking hebben van een inrichting en een omgevingsvergunning beperkte milieutoets.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 5 november 2015. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Smaling. Namens eiseres 2 is verschenen de gemachtigde. Eiser 3 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden T. Wallaard, J.A.J. Hoefnagels en ing. W. Halfman. Namens derde-partij zijn verschenen [derde belanghebbende] .
Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een mediationtraject te doorlopen. Bij brief van 15 juli 2016 heeft verweerder de rechtbank bericht dat het mediationtraject niet is geslaagd en dat wordt verzocht om uitspraak te doen op de beroepen. Daarop heeft de rechtbank partijen verzocht om toestemming te verlenen de zaken zonder nadere zitting af te doen. Partijen hebben deze toestemming verleend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. [derde belanghebbende] exploiteert sinds 2013 een rubberrecyclingbedrijf op het perceel. De hoofdactiviteiten binnen de inrichting zijn het op- en overslaan en sorteren van rubber, waaronder banden van voertuigen. Het rubber wordt gesorteerd op soort, maat en staat. Kunststoffen en metalen die zich tussen het rubber bevinden worden uitgesorteerd en opgeslagen. Het rubber wordt vanuit het bedrijf verkocht voor verdere verwerking of hergebruik. Op het buitenterrein van de inrichting wordt een shredder gebruikt om buitenmaatse banden te shredderen. Vóór [derde belanghebbende] exploiteerde [bedrijf] een groothandel in houtproducten op het perceel.
2. De omgevingsvergunning is verleend voor:
1. het met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (binnenplans) afwijken van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem 2010’;
2. het met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo oprichten en in werking hebben van een inrichting;
3. een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo.
3. Eisers zijn omwonenden van de inrichting en een stichting die zich tot doel stelt de landschappelijke en milieuwaarden in het gebied te beschermen. Hun beroepsgronden zullen hierna gezamenlijk besproken worden.
Algemeen
Eisers betogen dat het bestreden besluit in strijd met de geldende mandaatregeling is ondertekend door verweerder. Het bestreden besluit had moeten worden ondertekend door de Omgevingsdienst Achterhoek (hierna: ODA), aldus eisers.
Het betoog treft geen doel. Het is juist dat bij de ‘Aanvulling mandaatregister gemeente Lochem voor Omgevingsdienst Achterhoek (ODA)’ (Gemeenteblad 2015, nr. 13469), met ingang van 19 februari 2015 de ODA gemandateerd is om namens verweerder besluiten te nemen als hier aan de orde. Echter, artikel 10:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de mandaatgever bevoegd blijft de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen. Van die bevoegdheid heeft verweerder hier gebruik gemaakt.
Eisers betogen voorts dat de aanvraag onvolledig is. Ten onrechte staat op het aanvraagformulier onder ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ slechts vermeld ‘Opslag rubber’. De activiteiten van [derde belanghebbende] zijn echter veel uitgebreider dan alleen rubberopslag, aldus eisers.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de verleende omgevingsvergunning, waarvan twaalf stukken alsmede de aanvraag deel uitmaken, voldoende duidelijkheid geeft over de activiteiten die [derde belanghebbende] mag verrichten. Dat de aanvraag beperkt is in de aanduiding van de activiteiten, leidt dan ook niet tot de conclusie dat het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt. Het betoog treft geen doel.
Eisers betogen voorts dat voor wat betreft de lozing van afvalwater de aanvraag niet voldoet aan paragraaf 4.2 van het Bor. Deze lozing wordt niet onderbouwd met analysegegevens, aldus eisers.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aanvraag blijkt dat bij [derde belanghebbende] sprake is van diverse reguliere afvalwaterstromen. Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk vuilwaterriool. Het hemelwater wordt in het binnen de inrichting aanwezige waterbassin gepompt en van daaruit geloosd op het gemeentelijke riool. Er is geen indicatie dat het hemelwater vervuild is, aldus verweerder.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om verweerder niet te volgen in zijn standpunt dat, gegeven deze afvoer van afvalwater, geen noodzaak bestaat dit met analysegegevens te onderbouwen. Van strijd met het Bor is dan geen sprake. Het betoog faalt.
Eisers betogen voorts dat ten onrechte geen aanvalsplan van de brandweer bekend is. Dit betoog treft evenwel geen doel. De rechtbank volgt verweerder dat het aanvalsplan buiten het bestek van de verleende omgevingsvergunning valt, aangezien de brandveiligheidseisen waaraan moet worden voldaan rechtstreeks voortvloeien uit het Bouwbesluit.
Eisers betogen dat [derde belanghebbende] in de toekomst zijn activiteiten zal uitbreiden. De activiteiten kunnen volgens hen meer dan 200% groeien. Daarbij hebben zij gewezen op een interview met de exploitant. Verweerder heeft hiermee ten onrechte geen rekening gehouden bij de beoordeling van de aanvraag, aldus eisers.
Het betoog faalt. Verweerder dient de aanvraag te beoordelen zoals die voorligt. Mogelijke toekomstige ontwikkelingen – nog daargelaten dat er geen concrete aanknopingspunten zijn welke vorm die hebben en dat die ook daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd – heeft verweerder dan ook niet bij die beoordeling hoeven betrekken.
Afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo)
Tussen partijen is in geschil of voldaan is aan de voorwaarden die gelden om toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de .
Voor het perceel geldt op grond van artikel 5.1 van het bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijf’. De desbetreffende gronden zijn bestemd voor onder meer een bedrijf, volgens de bij deze regels behorende Lijst van bestaande bedrijven (niet-agrarisch) in Bijlage 4 bij het bestemmingsplan. Een rubberrecyclingbedrijf komt op die lijst niet voor.
Artikel 5.5 van de regels van het bestemmingsplan bepaalt dat het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning kan afwijken van de gebruiksregels voor de vestiging van een bedrijf dat niet is genoemd in deze lijst, mits het te vestigen bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met het rechtstreeks toegelaten bedrijf of in een lagere milieucategorie valt.
Niet is in geschil dat [bedrijf] een rechtstreeks toegelaten bedrijf was en dat [derde belanghebbende] niet in een lagere milieucategorie valt dan [bedrijf] . De rechtbank ziet zich dan gesteld voor de vraag of [derde belanghebbende] naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met [bedrijf] .
Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat dat het geval is, verwezen naar het rapport van Arcadis van 17 maart 2014, ‘Ruimtelijke onderbouwing behorende bij de omgevingsvergunning t.b.v. [adres] in [woonplaats] ’. In het rapport zijn de milieuaspecten geur, stof, geluid, gevaar en diverse andere indices getoetst en is geconcludeerd dat wordt voldaan aan de in de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (hierna: de handreiking) vermelde richtafstanden voor categorie 3.1-bedrijven. Dit betekent dat [derde belanghebbende] naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met [bedrijf] , zo concludeert het rapport. Verweerder heeft de overwegingen uit het rapport tot de zijne gemaakt.
De rechtbank wijst erop dat voor de beoordeling van de vergelijkbaarheid van [bedrijf] en [derde belanghebbende] niet van belang is in welke SBI-categorie [derde belanghebbende] volgens de handreiking valt. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank veeleer van belang de invloed van de activiteiten van [bedrijf] , zoals die op grond van de ter plaatse geldende planregels verricht mochten worden, vergeleken met die van [derde belanghebbende] , op de omgeving van de inrichting. In welke milieu-categorie die activiteiten vallen, is hoogstens indicatief voor de milieubelasting. Daarom laat de rechtbank dit geschilpunt verder onbesproken.
Dit oordeel brengt bovendien met zich dat de rechtbank niet het standpunt van verweerder deelt dat de vaststelling dat al dan niet wordt voldaan aan de richtafstanden volgens de handreiking, bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van vergelijkbare bedrijven. Het bestemmingsplan biedt ook geen steun voor de betekenis die verweerder voor de hier bedoelde beoordeling aan de richtwaarden geeft.
De rechtbank stelt echter vast dat verweerder voor de diverse indices niet alleen heeft vastgesteld of al dan niet wordt voldaan aan de richtafstand (uitgaande van een bedrijf in milieucategorie 3.2) maar ook of de invloed op de omgeving van de activiteiten van [derde belanghebbende] vergelijkbaar is met die van [bedrijf] . De rechtbank zal vanuit het hier geschetste kader de betwiste indices bespreken.
Geur
In het rapport staat vermeld dat, gelet op het werkboek ‘Rubber- en kunststofverwerkende industrie’ opslag van rubber geen geuroverlast oplevert. Verder staat in het rapport dat alle rubberproducten op een afstand van minimaal 30 meter van woningen van derden liggen.
Niet is in geschil dat de activiteiten van [bedrijf] geen geurhinder opleverden.
De enkele stelling van eisers dat de geuremissie van het rubber duidelijk waarneembaar is op grote afstand, met name in het zomerseizoen, kan zonder nadere onderbouwing niet leiden tot het oordeel dat voor wat betreft geur [bedrijf] en [derde belanghebbende] niet vergelijkbaar zijn. Het betoog faalt.
Geluid
Eisers betogen dat het dagelijks in bedrijf zijn van een grote kraan met dieselmotor, het laden en lossen van losse onderdelen in plaats van pallets, zoals bij [bedrijf] , het verplaatsen van containers en het bewerken door shredderen significant meer lawaai veroorzaakt dan de opslag van hout die bij [bedrijf] plaatsvond.
In het rapport staat vermeld dat uit het geluidonderzoek dat is opgesteld ten behoeve van de vergunningaanvraag, blijkt dat kan worden voldaan aan de geldende richtwaarden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de afstand van de dichtstbij gelegen woning tot de activiteiten van [derde belanghebbende] circa 20 meter is en dat dit niet anders was bij [bedrijf] . Daarbij komt dat voor [bedrijf] op grond van het van toepassing zijnde Activiteitenbesluit meer geluidruimte beschikbaar was dan is gebruikt. Ten slotte is er in het rapport op gewezen dat [derde belanghebbende] in hoofdzaak rubber opslaat.
Verweerders standpunt dat kan worden voldaan aan de geldende richtwaarden – daargelaten de juistheid van dat standpunt – brengt, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, niet zonder meer met zich dat [bedrijf] en [derde belanghebbende] voor wat betreft het aspect geluid vergelijkbaar zijn. Het had op de weg van verweerder gelegen de geluidproducerende activiteiten van [bedrijf] , voor zover planologisch rechtstreeks toegestaan, en [derde belanghebbende] te inventariseren en vervolgens te vergelijken naar hun invloed op de omgeving. Verweerder heeft met de enkele verwijzing naar de richtwaarden deze vergelijking niet op de juiste wijze uitgevoerd.
In dat verband wijst de rechtbank erop dat de enkele omstandigheid dat het shredderen van banden incidenteel, dat wil zeggen maximaal 12 maal per jaar plaatsvindt, niet met zich brengt dat deze activiteit voor wat betreft de planologische beoordeling die hier aan de orde is, buiten beschouwing kan worden gelaten. Bij die planologische beoordeling dienen immers alle planologisch relevante activiteiten te worden betrokken en dat het shredderen dat niet is, ziet de rechtbank niet in.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd.
Stofhinder
Eisers betogen dat bij de op- en overslag van autobanden en tijdens het bewerken, shredderen en verplaatsen met een kraan fijnstof vrijkomt. [bedrijf] produceerde geen fijnstof, aldus eisers.
In het rapport staat vermeld dat zowel bij [bedrijf] als bij [derde belanghebbende] niet-stuifgevoelige producten worden opgeslagen op het terrein van de inrichting. Daarbij is acht geslagen op de Nederlandse emissierichtlijn (NeR) Lucht. Met goodhousekeeping maatregelen is stofhinder verwaarloosbaar.
De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten in het betoog van eisers om het standpunt van verweerder voor onjuist te houden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voor zover al fijnstof vrijkomt bij het shredderen, dit een activiteit betreft die niet meer dan (maximaal) 12 keer per jaar voorkomt. Het betoog faalt.
Gevaar
Eisers wijzen op het gevaar van brand bij [derde belanghebbende] en menen dat dit bedrijf in zoverre niet vergelijkbaar is met [bedrijf] .
Verweerder kan evenwel worden gevolgd dat, gelet op het rapport, bij [derde belanghebbende] zeer beperkt sprake is van gevaarlijke activiteiten en dat maatregelen zijn getroffen om de gevaren vanwege brand zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Voorts kan de rechtbank er niet aan voorbijgaan dat bij [bedrijf] brandgevaarlijk hout was opgeslagen. Het betoog faalt.
Bodemverontreiniging
Eisers betogen dat bij [bedrijf] bekende en bij [derde belanghebbende] onbekende (chemische) stoffen door het hemelwater worden getransporteerd naar het omliggende bos- en EHS-gebied.
In het rapport staat vermeld dat het risico op bodemverontreiniging bij [bedrijf] groter was dan thans bij [derde belanghebbende] . Daartoe is verwezen naar de zogenoemde UBI-codering. Op grond daarvan is de opslag van (ongevulkaniseerd) rubber geen activiteit met kans op bodemverontreiniging.
De rechtbank ziet geen grond om het standpunt van verweerder voor onjuist te houden. Het betoog faalt.
Visuele hinder
Eisers wijzen erop dat bij [derde belanghebbende] thans sprake is van de opslag van circa 6 meter hoge bergen aan rubberafvalproducten en dat [bedrijf] geen visuele hinder opleverde.
In het rapport staat vermeld dat de gebouwen en de wijze van opslag vergelijkbaar zijn bij de beide bedrijven.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het bestreden besluit een nadere onderbouwing voor wat betreft visuele hinder. De stelling dat bij [derde belanghebbende] sprake is van opslag van banden van 6 meter hoog heeft verweerder niet betwist. Dat dit vergelijkbaar is met de hoogte van de toegestane opslag van [bedrijf] is gesteld, maar verder niet onderbouwd. Ook in zoverre is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.
Tussenconclusie voor wat betreft het afwijken van het bestemmingsplan
Verweerder heeft voor wat betreft de aspecten geluid en visuele hinder in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende gemotiveerd dat [derde belanghebbende] naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is aan [bedrijf] . Dat betekent dat niet vast staat dat verweerder terecht toestemming heeft gegeven om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, af te wijken van het bestemmingsplan. Aan het einde van deze uitspraak zal de rechtbank ingaan op de consequenties die dit oordeel heeft.
Gegeven dit oordeel wordt in deze uitspraak niet ingegaan op de beroepsgrond of verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid de bedoelde toestemming heeft kunnen verlenen.
Overig bestemmingsplan
Eisers betogen voorts dat bij de toetsing aan het bestemmingsplan ten onrechte niet is getoetst aan de nadere aanduidingsregels.
Op grond van het bestemmingsplan rusten op het perceel tevens de aanduidingsregels ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’, ‘Landschapstype Bos- en landgoederenlandschap’ en ‘Beschermingszone natte landnatuur’.
Artikel 40.1, onder c, van het bestemmingsplan bepaalt dat – voor zover thans van belang – ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ voor intensieve veehouderijen geldt het bepaalde daaromtrent in de bestemmingen ‘Agrarisch’ in artikel 3 ‘Agrarisch met waarden’ in artikel 4.
Artikel 40.2.1 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘Landschapstype Bos- en landgoederenlandschap’ het beleid is gericht op de instandhouding en ontwikkeling van het bos- en landgoederenlandschap met de volgende kernkwaliteiten: parkachtige historische tuinen, oude boerderijen en landerijen, bos en houtwallen, afwisseling bos met kleinschalig landschap, boomgroepen en solitaire bomen in weides, landen met dubbele bomenrijen.
Artikel 40.4 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘Beschermingszone natte landnatuur’ het beleid is gericht op de instandhouding van natte natuur en in de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’ is aangegeven of er bij het verlenen van afwijkingen of aanlegvergunningen en bij de wijziging van het bestemmingsplan aan dit beleid moet worden getoetst en op welke wijze.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op artikel 40.1, onder c, toetsing aan de daar vermelde aanduiding niet aan de orde is, aangezien [derde belanghebbende] geen intensieve veehouderij is.
Verweerder heeft zich ten aanzien van de aanduiding ‘Landschapstype Bos- en landgoederenlandschap’ op het standpunt gesteld dat het landschapsbeeld is beschermd via een stelsel van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Dit stelsel is in de regels van het bestemmingsplan opgenomen binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. Voor de bestemming die hier geldt, ‘Bedrijf’, is een dergelijk stelsel niet van toepassing. Daarom is toetsing aan deze aanduiding niet aan de orde, aldus verweerder.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit standpunt onrechtmatig is. Eisers hebben daarvoor ook geen argumenten aangedragen.
Ten slotte volgt de rechtbank verweerder dat de aanduiding ‘Beschermingszone natte landnatuur’ weliswaar voor het perceel geldt, maar dat toetsing uitsluitend aan de orde is voor wat betreft de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’, waarvan in dit geval geen sprake is.
Het betoog faalt.