Home

Rechtbank Gelderland, 21-03-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1528, AWB - 17 _ 733

Rechtbank Gelderland, 21-03-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1528, AWB - 17 _ 733

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21 maart 2017
Datum publicatie
22 maart 2017
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2017:1528
Zaaknummer
AWB - 17 _ 733
Relevante informatie
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] [Regeling ingetrokken per 2024-01-01], Wet algemene bepalingen omgevingsrecht [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] [Regeling ingetrokken per 2024-01-01] art. 2.1

Inhoudsindicatie

Uitleg planregels. Bouwen en gebruik. Plansystematiek.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/733

uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] en anderen, te [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder.

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3], te [plaats] , (gemachtigde: mr. E. Wijnne-Oosterhoff).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder voor de realisering van een mestbassin aan de derde partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten uitvoeren van een werk, het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening, milieu en handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 3 november 2016, AWB 16/8267, heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst.

Bij besluit van 11 november 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit in zoverre gewijzigd, dat daarbij toestemming is verleend voor de activiteit bouwen en dat de toestemmingen voor de activiteiten uitvoeren van een werk en handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening zijn aangepast.

Bij brief van 15 december 2016 heeft de derde-partij verzocht om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

Bij uitspraak van 6 februari 2017, AWB 16/7588, heeft de voorzieningenrechter de getroffen voorlopige voorziening opgeheven.

Verzoekers hebben op 7 februari 2017 wederom een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij uitspraak van 20 februari 2017, Awb 17/733, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel het besluit van 13 mei 2016, zoals gewijzigd bij besluit van 11 november 2016, geschorst voor zover daarbij toestemming is gegeven het mestbassin in gebruik te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2017. De gemachtigde van verzoekers is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen L. Mekouar, W. Ooijman en P. Bovenmarsch. Namens de derde-partij is verschenen [naam 2] , bijgestaan door [naam 4] en door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

De voorzieningenrechter heeft op het verzoek van verzoekers van 7 februari 2017 reeds beslist in zijn uitspraak van 20 februari 2017. Het bestreden besluit I, zoals gewijzigd bij bestreden besluit II, is daarbij geschorst voor zover daarbij toestemming is gegeven het mestbassin in gebruik te nemen. Deze beslissing was echter slechts een ordemaatregel in afwachting van de zitting in deze zaak. In deze uitspraak zal de voorzieningenrechter daarom bezien of aanleiding bestaat de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.

Het gaat in deze zaak over een door de derde-partij gerealiseerd mestbassin voor zijn varkenshouderij aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Derde-partij wil de varkensmest uit zijn bedrijf vier keer per jaar laten scheiden door een mobiele mestscheider. De dunne fractie wordt opgeslagen in het mestbassin. De dikke fractie wordt na het scheiden van de mest, vrijwel onmiddellijk afgevoerd.

Het bestreden besluit is genomen om het mestbassin mogelijk te maken en om de situatie binnen de inrichting, die op enkele, door verzoekers verder niet aangevochten, punten afweek van de vergunde situatie, alsnog te vergunnen.

Kennisgeving

Verzoekers betogen dat de kennisgeving van het ontwerpbesluit gebrekkig is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de kennisgeving duidelijk blijkt wat de locatie is van de vergunde activiteiten en wat er feitelijk wordt vergund, namelijk het gewijzigd in werking hebben van een varkenshouderij en het aanleggen van een mestbassin. Daaruit is voldoende duidelijk wat er beoogd is te vergunnen. Dat hierin niet specifiek is benoemd op welke activiteiten in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingswet het ontwerp ziet, acht de voorzieningenrechter niet van belang. Het betoog faalt.

Vormvrije mer-beoordeling

Verzoekers betogen dat verweerder bij de vormvrije mer-beoordeling ten onrechte niet is ingegaan op de mobiele mestscheider en het mestbassin.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in het kader van deze beoordeling voldoende rekening gehouden met het mestbassin en de mobiele mestscheider. Ondanks dat deze afweging niet expliciet blijkt, is ter zitting duidelijk geworden dat verweerder deze activiteiten wel heeft meegenomen bij de beoordeling. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het mestbassin weinig geurbelasting geeft en de mestscheiding maar vier maal per jaar plaatsvind. Daarom rechtvaardigt dit geen mer, aldus verweerder.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op deze uitleg van verweerder, geen aanleiding het bestreden besluit reeds hierom te schorsen.

Beleidslijn IPPC-omgevingstoets.

Verzoekers betogen dat verweerder in strijd met de Beleidslijn IPPC-omgevingstoets heeft gehandeld.

De voorzieningenrechter overweegt dat deze beleidslijn is gemaakt om te bezien of vanwege lokale milieuomstandigheden strengere emissie-eisen moeten worden gesteld dan de eisen die uit de toepassing van de beste beschikbare technieken volgen. Verweerde stelt dat uit de beleidslijn volgt dat bij emissies van niet meer dan 5000 kg er geen aanleiding bestaat om verdergaande eisen te stellen dan uit de beste beschikbare technieken volgen. De voorzieningenrechter volgt verweerder in deze uitleg. Het betoog faalt.

Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening

Regels van het bestemmingsplan

Het perceel waarop het mestbassin is gerealiseerd heeft in het Bestemmingsplan Buitengebied 2012 de bestemming “Agrarisch met waarden”.

Ingevolge artikel 1.67 van de planregels wordt onder intensief veehouderijbedrijf verstaan een agrarisch bedrijf of een deel daarvan waar ten minste 250 m2 aan bedrijfsvloeroppervlakte aanwezig is en dat wordt gebruikt voor veehouderij volgens de Wet milieubeheer, waar geen melkrundvee, schapen of paarden worden gehouden of dieren ‘biologisch’ worden gehouden en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer;

In artikel 4.1 van de planregels wordt bepaald dat de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden onder meer zijn bestemd voor agrarische bedrijvigheid in de vorm van:

1. grondgebonden agrarische bedrijven;

2. intensieve veehouderijbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';

Ingevolge artikel 4.2.1 van de planregels mogen op de in lid 4.1 bedoelde gronden alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming 'Agrarisch met waarden' worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4.2.5, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde op de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' dat realisatie van kuilvoerplaten, tunnelkassen, mestopslag, silo's en trainingsmolen uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak.

Ingevolge artikel 4.2.2 van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen de regel dat a. realisatie uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak;

Ingevolge artikel 4.3.3. van de planregels kan, voor zover hier van belang, het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2. onder a voor het vergroten van de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak voor de huisvesting van landbouwhuisdieren behorende bij een intensief veehouderijbedrijf Ingevolge artikel 4.4.1 van de planregels kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.5 sub a voor het bouwen van een mestopslag, kuilvoerplaten, trainingsmolen en/of paardrijbak buiten het bouwvlak, onder voorwaarden dat:

(...)

f. het bouwwerk moet landschappelijk worden ingepast, hiertoe moet van te voren een landschappelijk inpassingsplan worden overlegd dat voldoet aan het bepaalde in bijlage 1, 2 en 3. Een inpassingsplan hoeft niet te worden overlegd als landschappelijke inpassing niet nodig is bijvoorbeeld vanwege de reeds aanwezige beplanting, een en ander ter beoordeling van een deskundige op het gebied van landschap;

(...)

Landschappelijk inpassingplan

Mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan

Ruimtelijke afweging in verband met het afwijken van het bestemmingsplan

Beslissing