Rechtbank Gelderland, 29-03-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2418, C/05/305864 / HA ZA 16-364
Rechtbank Gelderland, 29-03-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2418, C/05/305864 / HA ZA 16-364
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 29 maart 2017
- Datum publicatie
- 1 mei 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2017:2418
- Zaaknummer
- C/05/305864 / HA ZA 16-364
- Relevante informatie
- Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) [Tekst geldig vanaf 01-05-2023] [Regeling ingetrokken per 2023-05-01], Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) [Tekst geldig vanaf 01-05-2023] [Regeling ingetrokken per 2023-05-01] art. 236, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 162
Inhoudsindicatie
Curator weigert geleasete auto uit de boedel te laten aan de bestuurder van de failliete B.V. Nadat Hof heeft geoordeeld dat bestuurder erop mocht vertrouwen dat de auto voor haar zou zijn, spreekt zij de curator in privé aan. Geen persoonlijke aansprakelijkheid curator.
Uitspraak
vonnis
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/305864 / HA ZA 16-364
Vonnis van 29 maart 2017
in de zaak van
1 [eiser sub 1],
wonende te 't Harde, gemeente Elburg,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser sub 2].,
gevestigd te 't Harde, gemeente Elburg,
eiseressen,
advocaat mr. A. Robustella te Ede,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te Zwolle,
gedaagde,
advocaat mr. F.B.A.M. van Oss te Harderwijk.
Partijen zullen hierna [eiser sub 1], [eiser sub 2] (gezamenlijk aan te duiden als [eisende partij]) en [gedaagde] worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 9 november 2016
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 17 februari 2017.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser sub 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser sub 2]. [eiser sub 2] was enig aandeelhouder en bestuurder van de op 28 december 2010 in staat van faillissement verklaarde vennootschap Terra Villa B.V. (hierna: de gefailleerde). [gedaagde] is op 28 december 2010 benoemd tot curator van gefailleerde.
In 2007 had de gefailleerde een nieuwe BMW 320d met kenteken 62-XN-GL voor circa € 54.000,00 gekocht. De auto werd feitelijk gebruikt door [eiser sub 1]. De aankoop was eerst gefinancierd via BMW Financial Services. In 2010 liep die financieringsovereenkomst af en diende gefailleerde nog een slottermijn van € 10.000,00 te betalen teneinde de auto in eigendom te krijgen. Ook voor het bedrag van € 10.000,00 is gefailleerde vervolgens een financieringsovereenkomst (onder de noemer: ‘leaseovereenkomst’) aangegaan, dit keer met ABN Amro (hierna: de Bank). Daarbij heeft de Bank in augustus 2010 een eerste pandrecht op de auto bedongen alsmede een hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser sub 2] en een bedrag van € 10.000,00 beschikbaar gesteld, waarmee gefailleerde BMW Financial Services heeft afbetaald en de auto in eigendom heeft gekregen. Vanaf dat moment diende gefailleerde maandelijks € 455,00 aan de Bank te betalen. Op de datum van faillissement had de Bank nog een vordering van € 9.100,00 op gefailleerde. De auto had ten tijde van de faillietverklaring een onderhandse verkoopwaarde van circa € 18.000,00 ex btw.
Daags na het faillissement, op 29 december 2010, heeft een medewerker van [gedaagde] het bedrijf van gefailleerde bezocht. Toen is met [eiser sub 1] onder meer gesproken over het gebruik van de auto. De auto is die dag niet ingeleverd door [eiser sub 1] en zij is er daarna in blijven rijden. Stukken met betrekking tot de financiering van de auto zijn toen door [eiser sub 1] niet afgegeven.
In een brief van 30 december 2010 is namens de curator aan [eiser sub 1] geschreven dat hij van oordeel is dat zij niet langer in de auto moet blijven rijden en dat zij de auto ter beschikking moet houden voor de curator dan wel de leasemaatschappij, in ieder geval totdat er duidelijkheid is over de status van de lease en het standpunt van de leasemaatschappij.
Op 5 januari 2010 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] als curator. Toen is ook over de auto gesproken. [eiser sub 1] heeft gevraagd erin te mogen blijven rijden, ook omdat zij ernstig ziek was. Over wat er toen verder is besproken met betrekking tot de auto lopen de standpunten uiteen. De uitkomst was wel dat [eiser sub 1] in de auto kon blijven rijden.
Bij brief van 13 januari 2011 heeft de Bank aan de curator de leaseovereenkomst gestuurd en medegedeeld dat haar vordering op gefailleerde € 9.100,00 is. Op diezelfde dag heeft de Bank [eiser sub 1] als bestuurder van [eiser sub 2] aangesproken tot betaling van € 9.100,00 omdat [eiser sub 2] zich naast gefailleerde jegens de Bank hoofdelijk aansprakelijk had gesteld.
Op 18 januari 2011 heeft er nog een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser sub 1] en de curator.
Op 19 januari 2011 heeft de curator aan [eiser sub 1] geschreven dat het inlossen van het bedrag van € 9.100,00 niet inhoudt dat zij de auto mag behouden en dat zij de auto uit de boedel dient te kopen. [eiser sub 1] is aangezegd de auto op 20 januari 2011 in te leveren.
Op 20 januari 2011 heeft [eiser sub 1] de curator geschreven dat zij het niet eens is met diens besluit dat zij de auto moest inleveren omdat hij haar had aangegeven dat zij zelf de overname met de Bank kon regelen.
Bij mail van diezelfde datum heeft de curator [eiser sub 1] geantwoord dat hij tijdens de bespreking met [eiser sub 1] telefonisch contact heeft gehad met de Bank om te verifiëren of er door [eiser sub 1] met de Bank als pandhouder al overeenstemming was bereikt over de overname van de auto. De Bank heeft hem toen aangegeven dat dat niet het geval was en aan de curator verzocht de auto in te nemen, waarna de curator aan [eiser sub 1] heeft verzocht de auto in te leveren omdat deze eigendom van de boedel was en aan de Bank is verpand.
Het bedrag van € 9.100,00 is omstreeks 21 januari 2011 aan de Bank betaald. Een derde die de belangen van [eiser sub 1] vertegenwoordigde heeft op die dag aan de curator geschreven dat zijn kantoor “ten behoeve van [eiser sub 2] en/of [eiser sub 1]” de Bank zou betalen.
De Bank heeft op 31 januari 2011 de curator bericht dat het bedrag van € 9.100,00 was ontvangen.
Tussen [eiser sub 1] en de curator is vervolgens een discussie ontstaan over de vraag of de auto eigendom van [eiser sub 1] was geworden. [eiser sub 1] stelde dat dit zo met de curator was afgesproken als zij ervoor zou zorgen dat het bedrag van € 9.100,00 aan de Bank werd betaald, terwijl de curator stelde dat er niets met haar was afgesproken en de auto onverkort tot de boedel behoorde.
Op 29 april 2011 heeft de curator conservatoir beslag doen leggen op de auto en deze in gerechtelijke bewaring laten nemen. Over de auto is vervolgens door de curator een procedure aanhangig gemaakt tegen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bij de toenmalige rechtbank Zutphen.
Bij vonnis van 25 januari 2012 heeft de rechtbank Zutphen kort gezegd geoordeeld dat de auto toebehoort aan de boedel van gefailleerde en voorts voor recht verklaard dat [eiser sub 1] aansprakelijk is voor de schade die de boedel heeft geleden en nog zal lijden doordat zij de auto niet op 20 januari 2011 bij de curator heeft ingeleverd. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op 10 februari 2011 heeft de curator de auto voor € 12.300,00 verkocht aan een derde. Verder heeft de curator, mede in verband met de inmiddels gemaakte kosten, beslag laten leggen op een uitkering van [eiser sub 1]. Daarop is een bedrag van € 5.670,22 geïncasseerd.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Na een comparitie na aanbrengen, twee tussenarresten en het horen van getuigen, heeft het hof bij eindarrest van 26 augustus 2014 het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de curator afgewezen, met veroordeling van de curator in de kosten van beide instanties. Het hof was kort gezegd van oordeel dat [eiser sub 1] de afspraken met de curator zo heeft mogen begrijpen dat zij de eigendom van de auto zou verkrijgen indien zij de verdere afwikkeling met de Bank ter hand zou nemen en zij zou zorgdragen voor de betaling van de restantvordering aan de Bank. Daarna viel de auto niet langer in de boedel, aldus het hof.
Na dit arrest bleef [eiser sub 1] met lege handen staan: de faillissementsboedel bood geen verhaal voor de proceskosten waartoe de curator was veroordeeld en de inmiddels op haar uitkering via beslaglegging geïnde gelden kon zij daarop ook niet verhalen, evenmin als het verlies dat zij leed doordat de auto in februari 2011 was verkocht.