Rechtbank Gelderland, 07-06-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3031, 05/881648-15
Rechtbank Gelderland, 07-06-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3031, 05/881648-15
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 7 juni 2017
- Datum publicatie
- 7 juni 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2017:3031
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:2415, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 05/881648-15
Inhoudsindicatie
De rechtbank Gelderland veroordeelde vandaag een 44-jarige man uit [plaatsnaam 1] en een 56-jarige man uit [plaatsnaam 2] tot gevangenisstraffen van 14 en 16 jaar voor het doden van [slachtoffer] onder strafverzwarende omstandigheden (gekwalificeerde doodslag).
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/881648-15
Datum uitspraak : 7 juni 2017
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te PPC Vught,
raadsvrouw: mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocaat te Oss.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 februari 2017, 5 april 2017 en 24 mei 2017.
1. De inhoud van de tenlastelegging 1
Door de raadsvrouw is ten aanzien van de tenlastelegging naar voren gebracht dat in de delictsomschrijving van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord) impliciet de delictsomschrijving van artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (doodslag) dient te worden gelezen, wat betekent dat in geval van een bewezenverklaarde doodslag niet aan de (subsidiair) tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag kan worden toegekomen.
Beoordeling door de rechtbank Aan verdachte is ten aanzien van feit 1 onder meer primair moord, subsidiair gekwalificeerde doodslag en meer subsidiair doodslag tenlastegelegd. Het verschil tussen moord en doodslag is – kort weergegeven – de vraag of de dader rustig heeft nagedacht over (de gevolgen van) zijn daad, of in een opwelling heeft gehandeld. De tekst van de tenlastelegging van moord bevat, naast voorbedachten rade, dus alle bestanddelen van doodslag. Als alleen de tekst van het primair tenlastegelegde wordt gelezen, wordt daar impliciet subsidiair doodslag tenlastegelegd. Dit kan ook niet anders. Echter bij lezing van de gehele tenlastelegging wordt, door de gehanteerde volgorde van de tenlastegelegde feiten, duidelijk dat de officier van justitie onder het primair tenlastegelegde moord, in dit geval juist niet ook doodslag ten laste heeft willen leggen. Hij heeft dit immers meer subsidiair tenlastegelegd.
Daarmee wordt verdachte onder feit 1 verweten dat hij samen met een ander of anderen dan wel alleen:
- [slachtoffer] met voorbedachte raad heeft doodgeschoten (vermoord); dan wel
- voorafgaand, ten tijde van of na de (poging tot) diefstal (met geweld)/afpersing van een auto en/of het handelen in strijd met de Opiumwet [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Dit verwijt luidt verder dat verdachte en/of zijn mededader(s) [slachtoffer] opzettelijk heeft/hebben gedood met het oogmerk om het andere strafbare feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad ervoor te zorgen dat hij/zij niet gestraft zou(den) worden voor dit feit en/of in het bezit zou(den) blijven van de opbrengst van het strafbare feit (gekwalificeerde doodslag); dan wel
- [slachtoffer] opzettelijk heeft gedood (doodslag); dan wel
- zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld, een afpersing of een poging tot één van deze feiten met de dood van [slachtoffer] tot gevolg.
Verdachte wordt ten tweede verweten dat hij zich samen met een ander of anderen dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan brandstichting.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2
Met betrekking tot de feiten 1 en 2:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan doodslag en brandstichting (feit 1 meer subsidiair en feit 2). De officier van justitie heeft daarbij de verklaringen van [verdachte] tot uitgangspunt genomen, omdat hij vanaf het begin bekennende verklaringen (waaronder over zijn eigen rol) heeft afgelegd die consistent – ook tegen personen in zijn omgeving– zijn en authentiek overkomen. Nu uit de verklaringen van [verdachte] volgt dat hij uit paniek dan wel in een opwelling heeft geschoten, kan naar de mening van de officier van justitie niet worden bewezen dat [slachtoffer] is gedood met het oogmerk om ongestraft met een ander strafbaar feit weg te komen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om verdachte met betrekking tot het bestanddeel “tezamen en in vereniging” (medeplegen) vrij te spreken, omdat verdachte heeft gehandeld in een gemoedsopwelling en de gezamenlijke uitvoering geen gevolg is geweest van een samenwerking. Voor het overige heeft de verdediging zich met betrekking tot de doodslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] recht op hun af rende, een kreet slaakte en dat hij – verdachte – uit paniek schoot.
Met betrekking tot het tweede feit, de brandstichting, heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat gemeen gevaar voor goederen niet voorzienbaar is geweest en daarom niet kan worden bewezen.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten op 20 januari 2003:
Op 20 januari 2003 om 17:02:42 uur komt de volgende melding binnen bij de meldkamer van de alarmcentrale:
“H: Ja, goeden dag, u spreekt met uh .. [getuige 1] . Ik ben getuige van een misdrijf. Ik ben over de Posbank met mijn mountainbike aan het fietsen, vlak bij paviljoen de Posbank en van daaraf uh .. ga ik uh .. richting uh .. effe kijken richting uh .. Ja wat is 't .. Zypendaalseweg. Uh .. Op een gegeven moment krijg je de uh .. krijg je een uh .. splitsing uh .. naar rechts. Daar kan je heen naar Laag Soeren. Daar is een kleine parkeerplaats (rechtbank: [naam 1] ). Daar zag ik iemand liggen in een wit shirt met een hele grote rooie plek en daar liepen twee mannen, die liepen eigenlijk weg en ik heb maar gedaan of ik het niet zag. (...) Ja, 't is echt een rooie plek op z'n rug, dus ik ben bang dat er of op, of op gestoken is of geschoten”.3 De getuige [getuige 1] heeft verder verklaard dat hij na ongeveer vijf minuten terugfietste maar toen daar niemand meer zag.4
De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 20 januari 2003 om 17:00 uur drie “droge harde knallen” hoorde. Gezien zijn ervaring met vuurwapens wist hij zeker dat het pistoolschoten waren. De schoten klonken regelmatig na elkaar met een tussenpoos van ongeveer 1 seconde. De getuige verklaart verder dat hij vanuit zijn positie goed de richting van de schoten kon bepalen. Hij trok – zonder verdere kennis over het feit – daartoe denkbeeldig een rechte lijn door het bos. De lijn liep parallel langs de Bloemersweg en dwars door de parkeerplaats [naam 1] .5
Op 20 januari 2003 om 19:40 uur werd de vermissing van [slachtoffer] gemeld.6 Om 20:22:59 uur en 20:25:02 uur volgden meldingen bij de politie over een brand 100 meter na het begin van de bossen bij de weg van Erp richting Gemert.
Vervolgens werd om 20:42:36 bij de betreffende autobrand in de Hurkse bossen – ongeveer 1000 meter buiten de bebouwde kom van Erp in de gemeente Veghel – geconstateerd dat er zich naast verkoolde en versmolten resten van goederen nog een lichaam in de uitgebrande auto bevond. De auto betrof een groene [merk] met het kenteken [kenteken] (op naam van [slachtoffer] ).7 Deze persoon lag op de achterbank van de personenauto, met daarbij zijn linker voorzijde en hoofd voorovergebogen op de vloer achter de bestuurdersstoel.8 Deze persoon is na een vergelijking van de gebitsgegevens voor en na het overlijden met 100 procent zekerheid geïdentificeerd als [slachtoffer] .9
De plaats delict [naam 1] en de doodsoorzaak
Bij het onderzoek naar het lichaam van [slachtoffer] is geconstateerd dat het lichaam sterk was verbrand en deels was verkoold. In het lichaam werd een perforatiekanaal door de voorste borstwand, het hartzakje en het hart aangetroffen. De aard van dit perforatiekanaal past bij een schotkanaal, een doorschot is mogelijk. Het intreden van de dood is, aldus de forensisch patholoog, zonder meer door het voornoemde schot (en het forse bloedverlies als gevolg daarvan) te verklaren. Het is echter mogelijk dat er meer schotletsels zijn geweest. Dit is echter door de staat waarin het lichaam zich bevond niet meer vast te stellen.10
Verder is naar aanleiding van de melding van de getuige [getuige 1] onderzoek gedaan naar de parkeerplaats [naam 1] , gelegen in het natuurgebied de Posbank aan de Burgemeester Bloemersweg te Rheden. Bij het onderzoek op en rondom de door de getuige (de rechtbank begrijpt: [getuige 1]) aangewezen plek is bloed (waaronder op de bemonsteringen SVO-207/AJH576, SVO-255/AJH581, SVO256/AJH582, SVO-257/AJH583 en SVO267/AJH587) aangetroffen.11 Vervolgens zijn deze vijf bemonsteringen van de ondergrond (gras/bladeren) onderworpen aan DNA-onderzoek met als resultaat dat de DNA-profielen uit de bemonsteringen niet alleen matchen met elkaar, maar ook met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.12
Tussenconclusie:
Gelet op al het voorgaande en in het bijzonder de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , het bloed van [slachtoffer] op de parkeerplaats [naam 1] en het sectieverslag – naast de nog volgende verklaringen/uitlatingen van [verdachte] en [medeverdachte] – , acht de rechtbank bewezen dat:
- -
-
[slachtoffer] op 20 januari 2003 omstreeks 17:00 uur op de Posbank te Rheden is doodgeschoten; en
- -
-
zijn lichaam vervolgens in zijn auto naar Erp is vervoerd, waar zijn auto met daarin zijn lichaam is uitgebrand.
De vervolgvragen zijn door wie en onder welke omstandigheden dit is gebeurd. Daartoe zal de rechtbank eerst ingaan op de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] .
Carjacking
[verdachte] heeft verklaard dat hij in 2003 door [medeverdachte] (rechtbank: [medeverdachte]) is benaderd voor het plegen van een overval. [verdachte] had nog geld van [medeverdachte] tegoed en [medeverdachte] had gehoord dat er in de auto’s van de meubelzaak [naam 2] in Erp wel geld te halen was. Nu [verdachte] daarvoor zijn eigen auto niet wilde gebruiken, moest er een andere auto (of scooter) geregeld worden. Ze besloten op een stille plek – waar zij niet het risico liepen om gezien te worden – een persoon met een pistool onder druk te zetten om zijn/haar auto af te geven. In de daaropvolgende periode – die door [verdachte] wordt geschat op twee weken – zijn ze op zoek gegaan naar een auto. Vervolgens zagen zij op 20 januari 2003 – nadat zij ter plaatse op andere plekken hadden gekeken – op een parkeerplaats in het natuurgebied de Posbank een groene auto geparkeerd staan. Het moest die auto worden, aldus [verdachte] . Ze besloten om daar in hun auto te blijven wachten totdat de persoon van die auto kwam. Ze hadden allebei een wapen binnen handbereik. Deze wapens had [medeverdachte] meegenomen en ze hadden eerder het schieten met die wapens geoefend. In de auto haalde [medeverdachte] vervolgens – nadat hij eerst vroeg of [verdachte] het zelf al had gedaan – de veiligheidspal van het wapen van [verdachte] .
Vervolgens kwam er een man (rechtbank: [slachtoffer] ) aan, die naar de voorkant van de groene auto liep. [verdachte] en [medeverdachte] stapten uit de auto en liepen op de man af. Ze riepen: “wij willen jouw auto”. [slachtoffer] rende vervolgens met open armen, onder het slaken van een kreet, op hen af. Op een afstand van twee meter haalde [verdachte] de trekker van zijn pistool over. [verdachte] verklaart verder dat niet alleen hij, maar ook [medeverdachte] toen heeft geschoten. [verdachte] zag dat [slachtoffer] stopte en vervolgens wegliep in de richting van hun auto. Na ongeveer vijf meter zakte [slachtoffer] in elkaar. Hij bewoog daarna niet meer.
Over het vervolg verklaart [verdachte] dat zij na kort overleg besloten om [slachtoffer] mee te nemen. Ze hebben hem samen in de auto van [slachtoffer] op de achterbank dan wel tussen de voorstoelen en de achterbank gelegd. Vervolgens zijn zij – [verdachte] in zijn eigen auto en [medeverdachte] in de groene auto van [slachtoffer] – naar de afgesproken plek, een bospad met twee inhammen bij de weg tussen Erp en Gemert, gereden. Ze zouden daar de auto in brand steken om sporen te wissen, aldus [verdachte] . Toen [verdachte] op die plek kwam, zag hij dat [medeverdachte] er nog niet was. Hij belde [medeverdachte] om te vragen waar hij was. Kort daarna arriveerde ook [medeverdachte] op de betreffende plek. [verdachte] vroeg [medeverdachte] of [slachtoffer] nog leefde, waarop [medeverdachte] antwoordde dat hij niet meer bewoog, allang dood was en ze hier snel weg moesten (“wegwezen”). Ze moesten de auto en de man kwijt en besloten de auto in brand te steken. [medeverdachte] pakte de jerrycan met benzine uit de auto van [verdachte] , besprenkelde de groene auto zowel rondom als voor- en achter in de auto met benzine. [verdachte] verklaart verder dat hij niet heeft gezien hoe [medeverdachte] de benzine aanstak. Hij hoorde een explosie/knal en zag daarna een grote vuurbal. Vervolgens stapte [medeverdachte] bij [verdachte] in de auto – die hij startklaar had neergezet – en reden ze weg.13 [verdachte] heeft tot slot verklaard dat zij op dezelfde avond, dan wel de dag erna, de wapens – nadat deze door [medeverdachte] waren schoongemaakt – in de Zuid-Willemsvaart tussen Den Bosch en Veghel hebben weggegooid.14
Drugsdeal
[medeverdachte] (aangeduid met S) heeft tegen undercoveragenten diverse uitlatingen gedaan over zijn betrokkenheid bij de Posbankzaak. Het gaat daarbij om de gesprekken op 1 en 2 november 2016, waarin hij eerst noemt dat zijn ‘maat’ daar is gezien. Hij vertelt:
“N: Maar wie is die gast dan (...)
S: [naam 3] (...)
N: Heet ie [naam 3] is die daar gezien
S: Ja 5 dagen van te voren (...)
C: Waar komt ie vandaan
S: Hij kwam uit Boekel, in Boekel woont ie ergens, toen woonde hij in Veghel (...)”.15
Vervolgens komt naar voren dat niet alleen [verdachte] , maar ook hij zelf die dag op de Posbank is geweest:
“S: Hij heeft gewoon pech gehad. Verkeerde moment verkeerde plaats toch? (...)
N: Jij bent daar, met iemand anders. Je bent met zijn tweeën toch zei je?
S: Ja.
N: Ja. Dan ben je daar met zijn tweeën en wat ben je aan het doen dan?
S: Ja, ik moest op iemand wachten weet je wel? (...)
S: Hij heeft dingen wel gezien, dat/maar had hij niet mogen zien snap je? (...)
N: Had je een dealtje gedaan?
S: (...) Ja. En hij kon ntv (rechtbank: ntv is niet te verstaan) kom eens kijken mee bemoeien ntv moeie je op de bek geven en dit en dat, kregen we (gewoon) ruzie. Nou pech weet je wel? Ntv ja ze zien wel spullen ja gezien spullen ja, ntv/allemaal eigenlijk (niet) komt ergens uit het niets. Wat moet je dan doen? (...)
S: Hij heeft hem gepakt weet je wel? (...)
S: Kut ja ntv mogen zien man weet je wel. Die fucking kofferbak vol ntv ding. (...) mooie plek voor ging hij een deal dealtje (te) maken. (...)
N: En toen? Hij ntv ging zich er mee bemoeien echt?
S: ja ja, tuurlijk.
N: Hij ging jullie gewoon aanspreken van wat doe je hier en zo?
S: Nee. Hij zag dat ding in de kofferbak weet je wel?
N: wat lag in de kofferbak? (...)
S: Ja, ntv wiet en zo ntv pallet (fan) ntv (weet je wel? Ntv kut!) Ntv niet zo apart weet je? Gooi die twee zakken flikker op de grond.
N: Ja ... En toen?
S: Ja, toen begon te lullen ntv/allemaal. (...) Toen ntv niet als getuige ntv/weet je. Bel de politie nou op! (Bel de) politie nou op bellen! Ntv ging ie zeggen/moet ik zeggen!
N: En toen?
S: Ja .... Kunnen ntv partij/ geen getuige achterlaten .. he? (...)
N: Waar heb je hem geschoten?
S: Ja, daar! (...)
N: ntv Heb je van voren geschoten?
S: Ja. (...) twee keer of zo. (...)
N: (...) Wist jij dat hij het/ding bij zich had?
S: ja tuurlijk wel, hij heeft wel... Als we zo’n deal ga maken heb ik zo’n ding bij (...) Of eh.. Hij heeft zo’n ding bij. (...) We konden niet meer achterlaten weggaan snap je/Die konden we niet daar achter laten en weggaan snap je? (...)
N: Wat/was hij gelijk dood?... Ja? Had gelijk Ntv aangepakt ntv/zeker. Stond hij dichtbij?
S: Ja. (...)”. 16
[medeverdachte] vervolgt:
“S: Ja .... fucking deal die helemaal uit de hand is gelopen ... geen getuige, die getuige, weet je
wel... .. snap je ... het was gewoon de bedoeling, maar verkeerd uitgelopen. (...) en hij kwam ineens uit die bosjes zetten uit het niet (...)
C: Heb jij hem toen euhh geschoten?
S: Hij kon koezen (fon) ..... automatisch wapen bij me (...)
S: Geluidsdemper en alles erop ... Hij had een pieper ..... Ja ze hebben een getuige. Verkeerde man op de verkeerde plek en zei dat politie graag wil bellen ... en zo en dit..
C: Dat zei hij allemaal
S: Ik denk dan die vent moet dood. Die laat zich graag naaien (...)
C: En toen zag die maat van jou, die zag wat jij bedoelde die ... ntv
S: Ja ja natuurlijk wat moet zij doen Het waren beetje ... kut kan je niet vechten, weet je wel, blijkt zeker
C: Grote vent volgens mij, of niet.
S: Ja is groot. Getuige achterlaten, weet je wel. Ntv nauwelijks gevuld. (...)
N: Jij hebt met die [naam 4] (opmerking verbalisant er wordt duidelijk door [naam 5] [naam 4] gezegd) had je van tevoren voor dit allemaal gebeurde had je al een keer een gesprek gehad als het ooit fout gaat dan gaan we het zo doen.
S: Ja tuurlijk. Schrik me eigen kapot.
N: Had je hem verteld nou hey de getuige laat leven.
S: Als er ooit iets gebeurd weet je als bijvoorbeeld die man omheen en andere mensen erbij dan komt er wel een automaat bij weet je wel. Dan als je een paar keer schiet ja moet je 1 ..
N: Gaat niets ntv.
S: Ntv hij schiet en pak mij ding ntv los. Dan help ik mee weet je wel.
N: Maar waarom moest hij schieten dan.
S: Gewoon
N: Waarom had je dat zo afgesproken dat hij zou gaan schieten
S: Omdat ik die deal zou maken als er mij iets zou gebeuren weet je wel er zou echt iets misgaan als er gewoon iets verkeerds zou gaan snap je?(...)”. 17
Verder heeft [medeverdachte] tegenover de undercoveragenten uitlatingen gedaan over wat direct na de dood van [slachtoffer] is gebeurd. Dit betreft de volgende uitspraken:
“S: Ja, want de 1 zegt achterbank en de ander zegt in de kofferbak.
C: Wat is het nou.
S: Gewoon achterbank. (...) De achterbank niet de achterbak weet je wel. (...)
C: Moet een aardige klus geweest zijn om die kerel op de achterbank te krijgen. (...)
S: Allemaal in een paar seconden tijd weet je. (...)”;18
“S: Ja, ik wist wel ongeveer wat ik moest doen ja. (...)
C: Wie is er toen hier (rechtbank: de loods is gelegen aan de Taylorweg te Veghel) komen rijden met die auto.
S: Ikke. (....)
C: Jullie wisten allebei wist waar je naar toe moest komen.
S: Ja. (...) En we hadden van te voren afgesproken waar en waar (...)”;19 en
“N: En toen gewoon precies hetzelfde als wij gedaan hebben? Met benzine ntv erbij ntv/ naar de sloop (...) wat heb je aangestoken
S: Ja... (...) Alcoholdoekjes. (...) aangestoken, benzine aangestoken (...)
N: waar heb je die benzine gehaald? (...)
S: Die gast heeft dat geregeld allemaal”. 20
Tot slot doet [medeverdachte] diverse uitspraken over sporen die al dan niet zijn aangetroffen:
“N: En het wapen, is dat duizend procent weg?
S: Ja, helemaal schoongemaakt alles. (...)
N: Waar heb je het weg gegooid?
S: Ja, in het kanaal ergens. (...).
S: Helemaal bij Den Bosch (fon)”;21
“C: (...) Je moest hulzen gaan zoeken ook. (...)
S: Nee joh, we hadden alles al schoongemaakt. Alles. Als hoop zou gebeuren ntv deal man. (...) Als je het gaat gebruiken nou ja dan moet je het helemaal wel schoon hebben, weet je wel. (...)
C: Had je van tevoren al schoongemaakt
S. Ja, ja tuurlijk. Elke kogel die toen ntv moet schoon zijn weet je wel”;22en
“M: Ja. Dus DNA van jou zat in die muts?
S: Waarschijnlijk, waarschijnlijk weet je wel? (...)
S: Daar kunnen ze mij eindelijk .. met die zaak kunnen ze mij associëren, voor de rest kunnen ze me helemaal nergens mee iets mee maken, want ik ben nergens gezien en ik ben (nergens) erg full in connect (fon) weet je wel? (...)
S: Wachten tot die gast wordt opgepakt, als hij begint te praten ja ...”. 23
Plaats delict in Erp
De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] vinden niet alleen steun in elkaar, maar ook in onder meer de verklaring van de getuige [getuige 2] – dat er meer schoten zijn gelost – en in het technisch onderzoek op de plaats delict in Erp waaruit volgt dat het lichaam inderdaad op de achterbank is aangetroffen zoals beide verdachten hebben verklaard. Verder is onderzoek gedaan naar een muts die ter plaatse in de Hurkse bossen te Erp is aangetroffen. Deze muts met het opschrift “Sox” (SVO-1001/AJH703) en twee oogopeningen bevond zich op een afstand van 15,50 meter van de uitgebrande [merk] .24 Bij het onderzoek naar de muts zijn vervolgens onder meer een lichaamshaar (AJH703#3) en speeksel (AJH703 #01) uit de binnenzijde, waarvan het speeksel ter hoogte van de mond, van de muts veiliggesteld.25 Van deze sporen is een DNA-profiel vastgesteld, dat matcht met het DNA van verdachte [medeverdachte] . De matchkans met betrekking tot zowel de haar als het speeksel is kleiner dan één op één miljard (rechtbank: de hoogste gradatie).26 Gelet op al het voorgaande en in het bijzonder de uitlatingen van [medeverdachte] zelf – waarbij het niet enkel gaat om een haar maar ook om een dragerspoor (speeksel) aan de binnenzijde van de muts ter hoogte van de mond – vindt de rechtbank bewezen dat dit spoor verband houdt met de feiten op 20 januari 2003.
Niet alleen [medeverdachte] , maar ook [verdachte] is op 20 januari 2003 aan de plaats delict in Erp te linken. Zo heeft namelijk de gebruiker van het IMEI-nummer [nummer 1] – het IMEI-nummer dat in de periode van 24 januari 2003 tot en met 16 maart 2003 was gekoppeld aan het telefoonnummer [nummer 2] (in gebruik bij [verdachte] ) – op 20 januari 2003 om 18:28 uur vanaf een zendmast met het cell-ID 28871 gebeld naar het telefoonnummer [nummer 3] (in gebruik bij [medeverdachte] ).27 De vervolgvraag is wat dit dan precies betekent. Daartoe is onderzoek gedaan naar het bereik van cell-ID 28871. Uit dit onderzoek komt naar voren dat cell-ID 28871 in de bebouwde kom van Veghel nergens beschikbaar is geweest. Cell-ID 28871 is echter wel ‘serving’ ofwel het sterkst beschikbaar vanaf de Gemertsedijk/Meerbosweg te Erp, in de omgeving van de plaats delict.28 Uit dit alles
leidt de rechtbank af dat [verdachte] inderdaad voorafgaand aan de brandstichting om 18:28 uur – zoals hij ook heeft verklaard – op de plaats delict in Erp naar [medeverdachte] heeft gebeld.
Conclusies
De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] (laatstgenoemde tegenover de undercoveragenten) over de voorbereiding van het misdrijf, het schieten zelf en de brandstichting grotendeels overeenkomen. Alleen over de aard van het gepleegde misdrijf, het motief om te gaan schieten, lopen de verklaringen uiteen. De rechtbank heeft geen objectief bewijs kunnen vinden voor één van de twee scenario’s. Ook de bekennende verklaringen van [verdachte] roepen vragen op die hij niet voldoende heeft beantwoord. De rechtbank hoeft echter niet uit een van de twee scenario’s is kiezen. De tekst van de tenlastelegging laat dit toe.
Op grond van al het voorgaande en in het bijzonder op basis van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] zelf, verklaringen die onder meer door de aanwezigheid van het DNA van [medeverdachte] op de plaats delict en de telecomgegevens worden ondersteund, vindt de rechtbank de betrokkenheid van zowel [verdachte] als [medeverdachte] bij beide feiten bewezen. Omdat ten tijde van de brand niet alleen goederen (waarvan na de brand verkoolde/versmolten resten zijn aangetroffen) maar ook het lichaam van de overleden [slachtoffer] in de auto lag – op dat moment juridisch een goed –, vindt de rechtbank ook bewezen dat door de brand gemeen gevaar voor goederen in de auto is ontstaan.
Medeplegen
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de samenwerking tussen de verdachten voldoende intensief is geweest om te kunnen oordelen dat zij de feiten in zijn geheel samen hebben gepleegd (medeplegen).
Gelet op het voorgaande, en in het bijzonder omdat [medeverdachte] en [verdachte] :
- -
-
samen met een criminele intentie een rustige locatie hebben uitgekozen;
- -
-
voorafgaand aan de uitvoering samen met de wapens hebben geoefend;
- -
-
samen naar de Posbank zijn gegaan;
- -
-
vervolgens op de Posbank – op initiatief van [medeverdachte] – allebei in het bezit zijn geweest van een schietklaar wapen;
- -
-
allebei op [slachtoffer] hebben geschoten, waarna hij vrijwel direct in elkaar is gezakt;
- -
-
vervolgens na kort overleg allebei naar de eerder afgesproken locatie in Erp zijn gereden;
- -
-
in Erp samen hebben besloten om de auto met daarin het lichaam van [slachtoffer] in brand te steken en dit vervolgens ook heeft plaatsgevonden,
is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een intensieve samenwerking bij beide feiten. Zij vindt dan ook bewezen dat verdachten zowel samen [slachtoffer] opzettelijk hebben gedood als samen de brand hebben gesticht (medeplegen).
Juridische kwalificatie
Tot slot ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld hoe dit handelen juridisch dient te worden geduid. Daartoe overweegt zij eerst dat zij met de officier van justitie en de verdediging van oordeel is dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer] met voorbedachte raad hebben gedood. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van moord (1 primair).
De vervolgvraag is of kan worden bewezen dat verdachten [slachtoffer] hebben gedood met het oogmerk om een ander strafbaar feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of er bij betrapping op heterdaad voor te zorgen dat zij niet gestraft zouden worden en/of in bezit van de opbrengst van het strafbare feit zouden blijven.
Scenario [medeverdachte] : drugsdeal
Met betrekking tot de uitlatingen van [medeverdachte] – onder meer inhoudende dat [slachtoffer] getuige was van een feit dat hij niet had mogen zien, ze geen getuigen mochten achterlaten en hij dood moest – is de rechtbank van oordeel dat reeds gelet op de aard van deze uitlatingen dit oogmerk kan worden bewezen.
Scenario [verdachte] : carjacking
Hierover overweegt de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte] niet alleen met een criminele intentie (het door middel van bedreiging verkrijgen van een auto) op zoek zijn gegaan naar een locatie zonder getuigen, maar zij – door de patronen schoon te maken voordat de wapens werden geladen en door voorafgaand met wapens te oefenen – zich ook op een eventuele uitvoering van de bedreiging hebben voorbereid. Nadat zij bij de Posbank zijn gearriveerd, hebben zij samen met schietklare wapens op de eigenaar van de auto gewacht. Toen [slachtoffer] vervolgens op de parkeerplaats kwam, stapten [verdachte] en [medeverdachte] uit en bedreigden zij [slachtoffer] met deze wapens met het doel om zijn auto te bemachtigen. Toen vervolgens [slachtoffer] anders reageerde dan verwacht (door niet direct de sleutel af te geven) en op hun afkwam, werd door zowel [verdachte] als [medeverdachte] op [slachtoffer] geschoten, met zijn dood tot gevolg.
Bij de politie in 2016 en ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest om [slachtoffer] te doden. Toen [slachtoffer] , kort weergegeven, in plaats van zijn auto af te geven in de aanval ging, zou hij in een opwelling hebben geschoten. Daarna zou ook [medeverdachte] hebben geschoten.
De rechtbank leidt het oogmerk van de verdachten, de reden waarom zij [slachtoffer] hebben gedood, niet alleen af uit dit deel van de verklaring van [verdachte] maar ook uit hun handelen. Uit de hierboven beschreven voorbereiding, blijkt dat zij om hun doel te bereiken zo nodig bereid waren om dodelijk geweld te gebruiken. Ook blijkt uit hun handelen dat de verdachten bereid waren om heel ver te gaan om niet gestraft te worden. Voorafgaand aan het schieten waren de patronen schoongemaakt. Dit wordt gedaan om geen sporen op een plaats delict achter te laten. Afgesproken was dat de auto verbrand zou worden om eventuele sporen uit te wissen. Direct na de dood van [slachtoffer] , wordt zijn lichaam in zijn auto gelegd en meegenomen. Zijn lichaam en zijn auto worden verbrand. De wapens worden eerst schoongemaakt en daarna in een kanaal gegooid.
Op grond van al dit voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het scenario van [verdachte] , ‘de carjacking’, sprake is geweest van een doden met het oogmerk om de diefstal/afpersing gemakkelijk te maken en/of om zich in deze heterdaadsituatie van het bezit van de auto dan wel van straffeloosheid te verzekeren. Omdat beide scenario’s gekwalificeerde doodslag opleveren, staat het feit dat de rechtbank geen keuze kan maken tussen de verschillende scenario’s de kwalificatie van het bewezenverklaarde niet in de weg. Daarom vindt de rechtbank bewezen dat verdachten zich samen schuldig hebben gemaakt aan gekwalificeerde doodslag (onder 1 subsidiair) en brandstichting (onder 2).
3 Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 20 januari 2003 te Rheden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels in/door het lichaam van die [slachtoffer] hebben/heeft geschoten, ten gevolge
waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd
gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten (poging) diefstal (met geweldpleging)/afpersing (van een auto, [merk] met kenteken [kenteken] ), althans enig vermogensdelict, en/of handelen in strijd met de Opiumwet, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s)
straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
2.
hij op of omstreeks 20 januari 2003 te Erp, gemeente Veghel, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk een brandbare (vloei-)stof (motorbenzine) hebben/heeft gesprenkeld en/of gegoten in/rondom/over een auto ( [merk] met kenteken [kenteken] ) en/of (vervolgens) een molotovcocktail hebben/heeft
aangestoken en/of een bol met een brandbare (vloei-)stof (motorbenzine) hebben/heeft besprenkeld en/of aangestoken en/of (vervolgens) die molotovcocktail en/of die brandende bol in/tegen die auto hebben/heeft gegooid en/of (aldus) die (vloei-)stof in/op/rondom die auto in brand hebben/heeft gestoken en/of brand hebben/heeft gesticht, in elk geval opzettelijk (open)
vuur in aanraking hebben/heeft gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (in de nabijheid staande) struiken, planten, bomen, gras en/of heide, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
Medeplegen van doodslag, vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan de andere deelnemer aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.
Ten aanzien van feit 2:
Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.