Rechtbank Gelderland, 17-04-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1750, AWB - 17 _ 2735
Rechtbank Gelderland, 17-04-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1750, AWB - 17 _ 2735
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 17 april 2018
- Datum publicatie
- 20 april 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2018:1750
- Zaaknummer
- AWB - 17 _ 2735
Inhoudsindicatie
Milieuvergunning voor een varkenshouderij met daarin 3 varianten, waarbij per variant het aantal stallen en het aantal dieren varieert. Gefaseerde vergunning o.g.v. artikel 2.5a Wabo. Zeefbandpers is BBT.
Uitspraak
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/2735
in de zaak tussen
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal, verweerder.
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij]’, te [woonplaats], vergunninghoudster (gemachtigde: W. Janssen).
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de activiteit “milieu” (hierna: milieuvergunning) op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2 en 3o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Namens eiseres zijn verschenen [eiseres] en [eiseres]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, D. van Kessel, P.W.G. Rosendaal en J.A.P. Mens. Namens vergunninghoudster is [derde-partij] verschenen, vergezeld door zijn echtgenote.
Op 30 oktober 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. In de heropeningsbeslissing heeft de rechtbank verweerder verzocht om binnen vier weken een kopie van de revisievergunning op te sturen, en in te gaan op enkele vragen van de rechtbank.
Verweerder heeft op 29 november 2017 een reactie aan de rechtbank gestuurd.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren, maar geen reactie ontvangen.
De rechtbank heeft partijen vervolgens verzocht om uitspraak te doen zonder een nadere zitting. Partijen hebben niet aangegeven een nadere zitting wensen.
De rechtbank heeft op 26 maart 2018 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. De relevante wettelijke bepalingen zijn als bijlage bij deze uitspraak opgenomen.
2. Vergunninghoudster exploiteert op het perceel [locatie] te [woonplaats] een varkenshouderij. Voor deze inrichting is op 30 november 2010 een revisievergunning verleend. Tot de inrichting behoort een gbpv-installatie (tegenwoordig: IPPC-installatie).
Op 17 november 2015 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het uitbreiden van de varkenshouderij. De aanvraag ziet op de eerste fase van de vergunningverlening en betreft de milieuvergunning in samenhang met de door het college van gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bedenkingen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (tegenwoordig: Wet natuurbescherming). In de tweede fase zal een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” (hierna: bouwvergunning) worden aangevraagd.
3. Verweerder heeft het besluit voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft tijdig een zienswijze tegen de ontwerp-milieuvergunning van 15 december 2016 naar voren gebracht.
4. Vergunninghoudster heeft bij verweerder één aanvraag ingediend. De aanvraag voorziet in een uitbreiding van de varkenshouderij in drie fases, waarbij onderweg naar het uiteindelijke plan (variant 3) twee tussenstappen worden genomen (varianten 1 en 2).
Verweerder heeft bij het bestreden besluit drie varianten vergund, waarbij conform de aanvraag per variant het aantal stallen en het aantal dieren varieert. In voorschrift 1.1.1 is voor elke variant aangegeven hoeveel dieren in een bepaalde stal mogen worden gehuisvest. Dit voorschrift luidt als volgt:
“In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren, in de volgende samenstelling aanwezig zijn:

of

of


Verweerder heeft als reden voor de fasering aangegeven dat in de huidige situatie niet wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting, terwijl een voornemen bestaat om extra stal te realiseren. Vergunninghoudster moet daarom omschakelen in huisvestingssystemen voor de bestaande stallen om ook in het geval van (tijdelijk) minder stallen te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting.
Bevoegdheid
6. De rechtbank onderzoekt ambtshalve of het bestuursorgaan bevoegd was om een (milieu)vergunning te verlenen. Omdat bij de rechtbank twijfels bestonden over de bevoegdheid van verweerder om een milieuvergunning te verlenen voor varianten 1 en 2 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, en aan verweerder vragen gesteld.
Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vloeit voort dat een varkenshouderij milieuvergunningplichtig is als sprake is van een IPPC-installatie.
Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo in samenhang met bijlage 1 van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334) volgt dat sprake is van een IPPC-installatie als meer dan 750 zeugen worden gehouden.
De rechtbank stelt vast dat in variant 3 meer dan 750 zeugen worden gehouden, zodat voor deze variant een milieuvergunningplicht geldt. Varianten 1 en 2 zien daarentegen op een veebezetting met minder dan 750 zeugen. Deze varianten vallen daardoor binnen de kaders van een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM-vergunning) kan worden verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo en artikel 2.2a, eerste lid, onder g, van het Bor.
In artikel 2.2a, negende lid, van het Bor is echter opgenomen dat geen OBM-vergunning kan worden verleend indien de activiteit deel uitmaakt van een IPPC-installatie. Nu de vigerende revisievergunning ziet op een IPPC-installatie is de rechtbank daarom van oordeel dat voor variant 1 en 2 geen OBM-vergunning kan worden verleend.
De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder voor alle drie varianten bevoegd was om een milieuvergunning te verlenen.
Systematiek Wabo
Door eiseres is de vraag gesteld of het vergunnen van verschillende varianten in één milieuvergunning in strijd is met de systematiek van de Wabo.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Er is geen rechtsregel in de Wabo die eraan in de weg staat om in één milieuvergunning verschillende varianten te vergunnen.
Bestemmingsplan
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit ook reeds had moeten beoordelen of sprake is van mogelijk met het bestemmingsplan “Buitengebied” strijdig gebruik. Volgens eiseres neemt door de uitbreiding van de veestapel de ammoniakemissie toe, wat in strijd is met artikel 3.5.1 van de regels van het bestemmingsplan.
Uit artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo vloeit voort dat een aanvrager de gewenste fasering kan bepalen. Naar het oordeel van de rechtbank staat het vergunninghoudster daarom vrij om eerst een aanvraag in te dienen voor de milieuvergunning en pas later voor de bouwvergunning. Met betrekking tot de (mogelijke) strijdigheid met het bestemmingsplan overweegt de rechtbank dat dit geschilpunt in het kader van een eventuele bezwaar- en beroepsprocedure tegen de bouwvergunning aan de orde kan komen.
De beroepsgrond faalt.
Mestverwerkingsinstallatie
Verweerder heeft in het bestreden besluit in stal G (variant 3) een zeefbandpers vergund. Deze zeefbandpers wordt inpandig opgesteld in een niet-geventileerde ruimte.
Verweerder heeft met betrekking tot deze mestverwerkingsinstallatie overwogen dat hierop de BREF Intensieve Pluimvee en Varkenshouderij (2003) van toepassing is, en dat in paragraaf 5.2.6 van de BREF in tabel 5.3 een niet-limitatief overzicht wordt gegeven van Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor mestscheiding. Uit dit overzicht volgt dat een gesloten installatie wordt beschouwd als BBT, zo betoogt verweerder. Volgens verweerder is de vergunde opstelling vergelijkbaar met een gesloten installatie, zodat sprake is van BBT.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de mestverwerkingsinstallatie geen BBT is. Volgens eiseres is enkel een gesloten installatie BBT. Het plaatsen van een open installatie, zoals een zeefbandpers, in een gesloten ruimte is niet gelijk is aan een gesloten installatie, aldus eiseres.
In het verweerschrift heeft verweerder verwezen naar de BREF Intensieve Pluimvee en Varkenshouderij van februari 2017 en de op 21 februari 2017 door de Europese Commissie vastgestelde BBT-conclusies met betrekking tot de intensieve pluimvee- of varkenshouderij, en aangegeven dat mestscheiding door zeven wordt benoemd als BBT.
Verweerder heeft voorts aangegeven dat in de BREF en de BBT-conclusies geen onderscheid wordt gemaakt tussen open of gesloten mestverwerkingsinstallaties. Volgens verweerder is een zeefbandpers BBT, ongeacht of sprake is van een open of gesloten installatie.
In artikel 1.12 van de BBT-conclusies staat dat scheiding van mest door middel van zeven BBT is. In paragraaf 4.7 van de toelichting wordt mestscheiding met zeven nogmaals als voorbeeld genoemd van BBT. Nu in zowel de BBT-conclusies als de BREF een zeefbandpers uitdrukkelijk wordt genoemd als BBT, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de zeefbandpers BBT is. Het onderscheid tussen een open of gesloten systeem is daarom niet van belang.
De beroepsgrond faalt.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
|
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, mr. L.M. Koenraad en mr. S.E.M. Lichtenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: |
||
|
griffier |
voorzitter |
|
|
Afschrift verzonden aan partijen op: |
||
|
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. |