Rechtbank Gelderland, 18-04-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1785, AWB - 18 _ 426
Rechtbank Gelderland, 18-04-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1785, AWB - 18 _ 426
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 18 april 2018
- Datum publicatie
- 13 maart 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2018:1785
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:236, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- AWB - 18 _ 426
Inhoudsindicatie
Oplegging last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, sub 1, a, b, en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het bepaalde in het bestemmingsplan “Buitengebied” en het bepaalde in artikel 3.71d, vierde lid, onder b, van de Activiteitenregeling Milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling).
Uitspraak
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 18/258 en 18/426
op de beroepen en verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen
(gemachtigde: E.J. van Heiningen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2017 heeft verweerder verzoeker onder oplegging van dwangsommen gelast een en ander ongedaan te maken op het perceel [locatie] in [woonplaats] ([locatie]) (hierna: het perceel).
Bij besluit van 12 december 2017 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 30 mei 2017 ongegrond verklaard.
Hiertegen heeft verzoeker beroep (AWB 18/258) ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 18/426).
Bij uitspraak van 22 januari 2018 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel het besluit van 12 december 2017 geschorst.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken met nummers AWB 18/297 en 18/425. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Plooi en mr. C.P.A. Bots. De uitspraak is aangehouden in afwachting van nadere informatie van verweerder. Op de nadere informatie die verweerder heeft ingediend, heeft verzoeker schriftelijk gereageerd. De voorzieningenrechter heeft partijen vervolgens meegedeeld dat zij een nadere zitting niet nodig acht. Nadat geen van de partijen binnen de daartoe door de rechtbank gestelde termijn heeft verklaard gehoord te willen worden, is het onderzoek gesloten. Hierna zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Twee opmerkingen vooraf.
De voorzieningenrechter zal niet alleen uitspraak doen op de verzoeken om voorlopige voorziening, maar ook op de beroepen. Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
De wetsartikelen die voor deze uitspraak van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
1. Bij besluit van 30 mei 2017 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, sub 1, a, b, en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het bepaalde in het bestemmingsplan “Buitengebied” en het bepaalde in artikel 3.71d, vierde lid, onder b, van de Activiteitenregeling Milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling).
Verzoeker is, voor zover van belang, gelast binnen een termijn van zes weken na verzenddatum van dit besluit:
- -
-
vloerplaten, gebroken puin, houtafval, vlechtmatten kuilvoederbalen, bouwmaterialen, diverse wagens en voertuigen in buitenopslag/stalling en overige niet nader genoemde materialen en afvalstoffen te verwijderen en verwijderd te houden;
- -
-
de extra m2 aan oppervlakteverharding van circa 380 m2 aan losgestort puin/stenen (geconstateerd tijdens de controle op 13 juli 2015 (...) te verwijderen en verwijderd te houden;
- -
-
de dieseltank door een hiervoor gecertificeerd bedrijf te laten saneren door een hiervoor erkend bedrijf en het saneringscertificaat aan verweerder toe te sturen.
Ten aanzien van de dieseltank
2. Tijdens een controle op 24 februari 2015 heeft verweerder op het perceel van verzoeker een oude dieseltank aangetroffen. Verweerder heeft daarna tijdens een controle op 10 januari 2017 geconstateerd dat de tank niet meer aanwezig was. Wellicht stond de tank in het bedrijfsgebouw waarvan op dat moment de deur was afgesloten. Verweerder heeft verzoeker gelast de dieseltank door een hiervoor gecertificeerd bedrijf te laten saneren en het saneringscertificaat toe te sturen. Dan is aan artikel 3.71d, vierde lid, der b, van de Activiteitenregeling voldaan. Verweerder heeft een dwangsom opgelegd van € 5.000 als niet wordt voldaan aan de last voor het niet op juiste wijze saneren van de dieseltank.
Verzoeker voert aan dat geen dieseltank meer aanwezig is. In het verleden is er een tank voor opslag van water geweest in het bedrijfsgebouw. Deze tank heeft verzoeker in 2016 verwijderd. Hiervan heeft hij geen saneringscertificaat. Hij kan nu feitelijk niet meer aan de last voldoen.
Na de controle op 24 februari 2015 heeft verweerder de dieseltank niet meer op het perceel aangetroffen. Bij de controles nadien heeft verweerder de aanwezigheid van de dieseltank niet meer geconstateerd. Nu verzoeker stelt de tank in 2016 te hebben verwijderd, had het op de weg van verweerder gelegen een nader onderzoek in te stellen om te kijken of de tank toch in het bedrijfsgebouw staat, zoals verweerder vermoedt. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, staat niet vast dat verzoeker het feitelijk nog in zijn macht had om aan de last te voldoen. Immers, als de dieseltank niet meer aanwezig is, kan eiser geen saneringscertificaat meer voor de verwijdering verkrijgen.
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Er is sprake van schending van de artikel 3:2 van de Awb.
Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt wat betreft de last ten aanzien van de dieseltank voor vernietiging in aanmerking. De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het besluit van 30 mei 2017 te herroepen.