Rechtbank Gelderland, 01-08-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3841, C/05/324173 / HA ZA 17-392
Rechtbank Gelderland, 01-08-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3841, C/05/324173 / HA ZA 17-392
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 1 augustus 2018
- Datum publicatie
- 6 september 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3841
- Zaaknummer
- C/05/324173 / HA ZA 17-392
Inhoudsindicatie
Achteraf opgestelde dadingovereenkomst brengt geen wijzigingen in juridische verhouding ten tijde van eerder uitgesproken faillissement. Bewaarder van bedrijfsmiddelen van gefailleerde had deze niet mogen afgegeven aan beslaglegger, die zich beriep op eigendomsvoorbehoud en pandrecht, zonder de over die bedrijfsmiddelen te voeren procedures af te wachten. Curator kan door afgifte bedrijfsmiddelen geen opheffing beslag meer vorderen. Handelen bewaarder kan jegens de boedel onrechtmatig zijn mits komt vast te staan dat curator zelf de zaken zou hebben kunnen terughalen. Verwijzing naar rol voor nadere toelichting curator hoe hij met succes de in beslaggenomen zaken voor de boedel zou hebben kunnen opeisen. Als curator de bedrijfsmiddelen had kunnen terughalen dan zal voor welke schade de boedel heeft geleden een vergelijking moeten worden gemaakt tussen huidige situatie en situatie zoals die zou zijn geweest als bewaarder de zaken aan curator zou hebben afgegeven. Ook hierover mag curator zich uitlaten.
Uitspraak
vonnis
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/324173 / HA ZA 17-392
Vonnis van 1 augustus 2018
in de zaak van
JOHAN MARIA ADRIANUS JACOBUS THIELEN
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gefailleerde],
kantoorhoudende [adres gefailleerde],
eiser,
advocaat mr. E.C.M. Braun te Tiel,
tegen
[naam gedaagde] ,
wonende [adres gedaagde],
gedaagde,
advocaat mr. C. Schimmel-Bom te Veenendaal.
Partijen zullen hierna de curator en [naam gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 25 oktober 2017
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 20 februari 2018.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Op 1 december 2015 heeft deze rechtbank [gefailleerde] (hierna: gefailleerde) op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard en de curator als zodanig benoemd.
De heer [naam gefailleerde 1] (hierna: [naam gefailleerde 1]) is de schoonvader van de heer [naam gefailleerde 2] (hierna: [naam gefailleerde 2]). Allebei exploiteerden zij een schildersbedrijf. [naam gefailleerde 1] is de bestuurder van [naam 1] Holding B.V. (hierna: [naam gefailleerde 1] Holding) en [naam gefailleerde 2] van [naam gefailleerde 2] Holding B.V. (hierna: [naam gefailleerde 2] Holding). [naam gefailleerde 2] Holding is de moedermaatschappij van gefailleerde. In gefailleerde werd feitelijk het schildersbedrijf uitgeoefend.
Op 2 maart 2014 heeft [naam gefailleerde 1] Holding aan [naam gefailleerde 2] Holding voor € 55.000,00 ex btw haar wagenpark en inventaris verkocht. Kort daarna is het gekochte geleverd. [naam gefailleerde 2] Holding heeft het gekochte aan gefailleerde via verhuur ter beschikking gesteld.
[naam gefailleerde 1] Holding heeft op 30 september 2014 voor de hiervoor bedoelde koop aan [naam gefailleerde 2] Holding een factuur gestuurd. Daarop heeft zij genoteerd dat zij zich uitdrukkelijk het recht van eigendom voorbehoudt totdat volledig is betaald. Onder aan die factuur is namens [naam gefailleerde 2] Holding door [naam gefailleerde 2] voor akkoord getekend.
In september 2015 heeft [naam gefailleerde 2] Holding tot zekerheid voor de betaling van de onder 2.3 bedoelde koopprijs tevens haar “bestaande machines en inventaris” in (bezitloos) pand gegeven aan [naam gefailleerde 1] Holding. Volgens de daarvoor opgemaakte pandakte was op dat moment de koopprijs nog niet betaald. De pandakte is namens beide partijen ondertekend.
Ook heeft gefailleerde aan [naam gefailleerde 1] Holding in september 2015 tot zekerheid voor de betaling van die koopprijs een pandrecht op haar bestaande en toekomstige voorraad gegeven. De daarvan opgemaakte pandakte is namens [naam gefailleerde 1] Holding en [naam gefailleerde 2] Holding ondertekend. Bij de naam van gefailleerde als pandgever ontbreekt een handtekening.
Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [naam gefailleerde 1] Holding op 19 november 2015 ten laste van [naam gefailleerde 2] Holding en gefailleerde beslag tot afgifte gelegd op de roerende zaken in en bij de bedrijfsruimte van gefailleerde. Deze zaken zijn ook meegenomen en in gerechtelijke bewaring gegeven aan [naam gedaagde], die door de rechtbank als gerechtelijk bewaarder was aangesteld. [naam gedaagde] exploiteert eveneens een schildersbedrijf.
Nadat al haar bedrijfsmiddelen waren meegenomen, heeft gefailleerde haar eigen faillissement aangevraagd, dat op 1 december 2015 is uitgesproken.
[naam gefailleerde 1] Holding heeft vervolgens op 16 december 2016 [naam gefailleerde 2], [naam gefailleerde 2] Holding en de curator gedagvaard voor deze rechtbank tegen 23 maart 2016, kort gezegd op de grond dat de koopovereenkomst van 2014 niet correct is nagekomen.
Op 11 februari 2016 heeft [naam gedaagde] de inbeslaggenomen zaken laten taxeren. De zaken zijn gewaardeerd op een liquidatiewaarde van € 15.000,00.
De hoofdzaak is door [naam gefailleerde 1] Holding uiteindelijk nooit aangebracht.
Stellende dat door het niet aanbrengen het beslag van rechtswege was komen te vervallen, heeft de curator [naam gedaagde] als bewaarder aangesproken – schriftelijk voor het eerst bij brief van 22 november 2016 - tot afgifte van de bij gefailleerde inbeslaggenomen zaken omdat deze tot de faillissementsmassa zouden behoren.
[naam gedaagde] bleek niet in staat tot afgifte omdat hij de zaken al had afgegeven en deze inmiddels aan derden geleverd waren, zo heeft hij de curator bericht bij brief van 20 februari 2017. Vervolgens heeft [naam gedaagde] verklaard dat de zaken zijn afgegeven aan [naam gefailleerde 1] Holding, nadat deze op de voet van artikel 5:2 BW als revindicerend eigenaar de zaken zou hebben opgeëist. [naam gefailleerde 1] Holding zou de zaken daarna hebben verkocht.
In het voorjaar van 2017 heeft [naam gefailleerde 2] zowel in privé als in hoedanigheid van bestuurder van gefailleerde en van [naam gefailleerde 2] Holding met [naam gefailleerde 1] in privé en tevens handelend als bestuurder van [naam gefailleerde 1] Holding een dadingsovereenkomst gesloten, waarbij onder meer is overeengekomen dat [naam gefailleerde 1] Holding aan [naam gefailleerde 2] € 10.000,00 zal betalen, lopende procedures zullen worden gestaakt en partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen.
3 Het geschil
De curator vordert samengevat – de veroordeling van [naam gedaagde] tot betaling van € 42.500,00, vermeerderd met rente en kosten. De curator stelt daartoe dat [naam gedaagde] als gerechtelijk bewaarder was gehouden de litigieuze zaken te bewaren in afwachting van de uitkomst van de over die zaken te voeren procedure. Door de zaken zonder dit proces en zonder rechterlijke toestemming als bedoeld in artikel 858 lid 1 Rv aan [naam gefailleerde 1] Holding af te geven, is onrechtmatig gehandeld jegens de boedel en/of de gezamenlijke schuldeisers omdat de zaken bij gefailleerde in beslag zijn genomen en daarmee in beginsel tot de te liquideren faillissementsmassa behoren.
De schade van € 42.500,00 begroot de curator op de waarde van de zaken die aan hem afgegeven hadden moeten worden, vermeerderd met de kosten van het werk dat de curator heeft moeten verrichten vanwege de onrechtmatige gedragingen van [naam gedaagde]. De liquidatiewaarde van die zaken is volgens de in opdracht van [naam gedaagde] gemaakte taxatie € 15.000,00. Stellende dat hij de zaken onderhands had kunnen verkopen, begroot de curator de schade op basis van dit rapport op € 25.000,00. Ook zijn er zaken volgens het proces-verbaal van inbeslagneming door de deurwaarder meegenomen die vervolgens niet in het taxatierapport terugkomen, zoals schuurmachines, boormachines en stoommachines. De waarde daarvan wordt geschat op € 15.000,00. Zijn werkzaamheden begroot de curator op € 2.500,00.
[naam gedaagde] voert verweer en wijst daarbij onder meer op het eigendomsvoorbehoud dat [naam gefailleerde 1] Holding zou hebben gemaakt en de pandrechten die aan haar zouden zijn verstrekt.