Rechtbank Gelderland, 15-11-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4917, AWB 17/5694
Rechtbank Gelderland, 15-11-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4917, AWB 17/5694
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 15 november 2018
- Datum publicatie
- 20 november 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2018:4917
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:3035, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- AWB 17/5694
Inhoudsindicatie
Eiseres heeft haar zorgverzekeraar verzocht om vergoeding van de kosten van een consult en onderzoeken verricht door een arts in België. Zij heeft daarbij de verwijsbrief van haar huisarts en nota’s overgelegd. De zorgverzekeraar heeft haar in dat kader nadere informatie verzocht, meer in het bijzonder de anamnese, het onderzoek, de bevindingen en de indicatie voor de onderzoeken door de Belgische arts alsmede de bevindingen van eerder uitgevoerd internistisch onderzoek in Nederland. Eiseres heeft dit geweigerd. Zij heeft het hierdoor ontstane geschil voorgelegd aan de Geschillencommissie Zorgverzekeringen (SKGZ). Deze commissie heeft in verband met de behandeling van dit geschil advies gevraagd aan het Zorginstituut Nederland (ZiN). Het ZiN heeft op 13 november 2015 en op 29 januari 2016 advies aan deze commissie uitgebracht. Deze commissie heeft bij niet-bindend advies het verzoek om te bepalen dat de zorgverzekeraar gehouden is de aanspraak alsnog in te willigen ten laste van de zorgverzekering afgewezen.
Eiseres heeft op 9 september 2016 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de zorgverzekeraar in verband met het niet naleven van de privacywetgeving. Dat verzoek baseert zij op de stelling dat de zorgverzekeraar meer medische detailinformatie heeft opgevraagd dan noodzakelijk is voor haar claim tot betaling van de kosten die haar in rekening zijn gebracht. Het besluit tot afwijzing van het verzoek is bij het besluit op bezwaar gehandhaafd.
De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid is verboden. Dit verbod geldt niet voor zorgverzekeraars voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst van verzekering
De zorgverzekeraar is om te kunnen beoordelen of zij tot vergoeding van de kosten overgaat, overgegaan tot de formele controle of de prestatie naar de stand van de wetenschap en de praktijk tot het verzekerde pakket van eiseres behoort.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de hand van het advies van het ZiN er vanuit heeft mogen gaan dat sprake was van een formele controle, waarvoor de opgevraagde gegevens noodzakelijk waren. Op basis hiervan mocht verweerder afzien van handhaving.
Uitspraak
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/5694
in de zaak tussen
en
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[derde-partij] , te [woonplaats] .
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2017 heeft verweerder geweigerd tot handhaving van de Wet bescherming persoonsgegevens tegen [zorgverzekeraar] over te gaan.
Bij besluit van 19 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 19 juli 2018 heeft de derde-partij als rechtsopvolger van [zorgverzekeraar] gebruik gemaakt van de gelegenheid om als derde-partij aan het geding deel te nemen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2018. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.S. Smit-Bongertman en E. Nijhof. Namens de derde-partij is verschenen mr. E. van Daal, bijgestaan door [derde-partij] .
Overwegingen
1. De relevante wet- en regelgeving zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Achtergrond van het geschil
In 2015 is eiseres door haar huisarts doorverwezen naar de Belgische internist [internist] . Haar zorgverzekeraar [zorgverzekeraar] , een van de rechtsvoorgangers van de derde partij, hierna [zorgverzekeraar] , heeft op 1 mei 2015 de vergoeding van de kosten van de door [internist] uitgevoerde behandeling geweigerd, omdat de behandelingen door [internist] als niet gebruikelijk in de kring van beroepsgenoten wordt beschouwd. Nadat eiseres had aangegeven het hier niet mee eens te zijn, heeft [zorgverzekeraar] op 5 juni 2015 ten behoeve van haar medisch adviseur aanvullende informatie opgevraagd, meer in het bijzonder de anamnese, het onderzoek, de bevindingen en de indicatie voor de onderzoeken door [internist] alsmede de bevindingen van eerder uitgevoerd internistisch onderzoek in Nederland. Eiseres heeft dit geweigerd. Op 18 augustus 2015 heeft eiseres het hierdoor ontstane geschil voorgelegd aan de Geschillencommissie Zorgverzekeringen (SKGZ). Deze commissie heeft in verband met de behandeling van dit geschil advies gevraagd aan het Zorginstituut Nederland (ZiN). Het ZiN heeft op 13 november 2015 en op 29 januari 2016 advies aan deze commissie uitgebracht. Op 2 maart 2016 heeft deze commissie bij niet-bindend advies het verzoek om te bepalen dat [zorgverzekeraar] gehouden is de aanspraak alsnog in te willigen ten laste van de zorgverzekering afgewezen.
Eiseres heeft op 9 september 2016 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen [zorgverzekeraar] in verband met het niet naleven van de privacywetgeving. Dat verzoek baseert zij op de stelling dat [zorgverzekeraar] meer medische detailinformatie heeft opgevraagd dan noodzakelijk is voor de beoordeling van haar claim tot betaling van de kosten die haar in rekening zijn gebracht door de Belgische internist [internist] . Verweerder heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het bepaalde bij of krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).1
3. In geschil is of verweerder in redelijkheid het verzoek van eiseres kon afwijzen om over te gaan tot handhaving tegen [zorgverzekeraar] van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Standpunt verweerder.
4. Verweerder acht de door [zorgverzekeraar] opgevraagde gegevens noodzakelijk voor de uitvoering van de zorgverzekering. Het gaat hier niet om de materiële controle die [zorgverzekeraar] moet uitvoeren, maar om de formele controle. De formele controle (behoort de verleende zorg tot de stand van de wetenschap en praktijk en daarmee tot verzekerde zorg) kan in dit geval evenwel niet geheel los worden gezien van de materiële controle (is de in rekening gebrachte prestatie gezien de gezondheidstoestand van verzekerde het meest aangewezen). De vraag welke informatie noodzakelijk is om te bepalen of zorg behoort tot het verzekerde pakket is in hoge mate afhankelijk van een medisch-inhoudelijke beoordeling. Het ZiN heeft advies uitgebracht met betrekking tot het geschil dat aan de Geschillencommissie Zorgverzekeringen is voorgelegd. Verweerder mag er in navolging van deze commissie van uitgaan dat het ZiN bij uitstek over de vereiste medische-inhoudelijke expertise beschikt. Ook [zorgverzekeraar] heeft aan dit advies het nodige gewicht mogen toekennen. Hij heeft in de bezwaargronden van eiseres geen aanleiding gezien dat [zorgverzekeraar] zich op basis van het advies van het ZIN niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de door haar opgevraagde stukken noodzakelijk zijn ter beoordeling van de vraag of er sprake is van verzekerde zorg.
Standpunt van eiseres.
5. Eiseres heeft een uitgebreid gemotiveerd beroepschrift ingediend. Samengevat heeft zij zich op het standpunt gesteld dat uit de door haar aan [zorgverzekeraar] overgelegde verwijsbrief van haar huisarts en nota’s van onderzoeken de indicatie van doorverwijzing en voor de onderzoeken blijken en dat de op 5 juni 2015 door [zorgverzekeraar] gevraagde gegevens niet nodig zijn om te kunnen beoordelen of diagnostisch onderzoek, waar het hier over gaat, behoort tot de stand van de wetenschap. Verder is zij van opvatting dat de medisch adviseur van [zorgverzekeraar] niet ter zake kundig is om deze gegevens te kunnen interpreteren en waarderen. Het overleggen van de gewenste gegevens gaat te ver en is een ontoelaatbare schending van haar recht op privacy, aldus eiseres.
Standpunt [zorgverzekeraar].
6. [zorgverzekeraar] sluit zich aan bij het standpunt van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank.
Verweerder kan ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende een onderzoek instellen naar de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het bepaalde bij of krachtens de Wbp.2 Verweerder is bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom ter handhaving van bij of krachtens de Wbp gestelde verplichtingen.3
De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid is verboden.4 Dit verbod geldt niet voor zorgverzekeraars voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst van verzekering.5 In de Zorgverzekeringswet is bepaald dat een ieder op verzoek van de zorgverzekeraar alle inlichtingen en gegevens, waaronder persoonsgegevens als bedoeld in Wbp verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekeringen of van deze wet.6 Verweerder heeft beoordeeld of [zorgverzekeraar] de gevraagde gegevens nodig had voor de formele controle, in dit geval het onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of het tarief dat door een zorgaanbieder voor een prestatie in rekening is gebracht een prestatie betreft, die behoort tot het verzekerde pakket van de verzekerde.7 Of de prestatie tot het verzekerde pakket van de verzekerde behoort, wordt mede bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten.8
Voorop staat dat dit beroep niet gaat over de rechtmatigheid van de weigering van [zorgverzekeraar] om de zorgkosten te vergoeden. Wel kan in deze procedure de vraag aan de orde komen of het opvragen van de gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de zorgverzekering. [zorgverzekeraar] achtte de opgevraagde gegevens noodzakelijk voor de uitvoering van de zorgverzekering van eiseres. Nadat [zorgverzekeraar] aanvankelijk had geweigerd om de kosten voor vergoeding in aanmerking te brengen heeft zij in reactie op bezwaren van eiseres deze gegevens opgevraagd om te kunnen beoordelen of zij alsnog tot vergoeding van deze kosten overgaat. Daartoe is zij overgegaan tot de formele controle of de prestatie naar de stand van de wetenschap en de praktijk tot het verzekerde pakket van eiseres behoort.
Of de gevraagde informatie noodzakelijk is, is in de eerste plaats aan de zorgverzekeraar om te beoordelen. Indien eiseres de informatie niet wenst te verstrekken en daarom de gevraagde zorg niet wordt vergoed, kan zij het geschil daarover voorleggen aan de Geschillencommissie Zorgverzekeringen. Zij heeft dat ook gedaan. Deze commissie beoordeelt vervolgens eveneens of zij deze gegevens noodzakelijk acht. De commissie wint daarbij het advies in van het ZiN. In dit geval zijn zowel de zorgverzekeraar als de Geschillencommissie Zorgverzekeringen in navolging van het ZiN gemotiveerd tot het standpunt gekomen dat zij deze gegevens noodzakelijk achten voor de beslissing over de toekenning.
Nadat verweerder het handhavingsverzoek had ontvangen, heeft zij een onderzoek ingesteld. Zij heeft bij de beoordeling of deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekering uitdrukkelijk betrokken dat Delta Lloyds opvatting wordt ondersteund door het ZiN. Het ZiN is onafhankelijk en in Nederland bij uitstek deskundig als het gaat om de vraag of zorg voor vergoeding in aanmerking komt en welke gegevens voor de beantwoording van deze vraag noodzakelijk zijn. Nu het advies van het ZiN zorgvuldig tot stand is gekomen en de rechtbank niet onjuist voorkomt, mocht verweerder dit advies een zwaarwegende rol laten spelen in haar eigen beoordeling of sprake is van handelen in strijd met de Wbp. Tegenover het advies van het ZiN heeft eiseres alleen haar eigen – weliswaar grondig onderbouwde – opvatting geplaatst, maar zij heeft niet een ander deskundigenadvies laten uitbrengen. Dat is onvoldoende om te concluderen dat verweerder niet van het advies van het ZiN heeft mogen uitgaan. Aan de hand van dit advies heeft verweerder er van mogen uitgaan dat sprake was van een formele controle, waarvoor de opgevraagde gegevens noodzakelijk waren. Op basis hiervan mocht verweerder afzien van handhaving.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft mogen afzien van inwilliging van het handhavingsverzoek.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
|
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: |
||
|
griffier |
rechter |
|
|
Afschrift verzonden aan partijen op: |
||
|
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. |
Bijlage: Relevante wet- en regelgeving ten tijde van het bestreden besluit.