Home

Rechtbank Gelderland, 24-06-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2971, 350368

Rechtbank Gelderland, 24-06-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2971, 350368

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24 juni 2020
Datum publicatie
24 juni 2020
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2020:2971
Zaaknummer
350368

Inhoudsindicatie

Verzoek verwijdering persoonsgegevens. Artikel 21 AVG. verzoek verwijdering registraties IR en EVR afgewezen. Bij hypotheekaanvraag vervalst overzicht verstrekt. Subsidiaire verzoek beperking duur registraties ook afgewezen.

Uitspraak

beschikking

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/350368 / HA RK 19-57

Beschikking van 24 juni 2019

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. H.F.A. Notenboom te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met producties 1 tot en met 7,

-

de brief van verzoekster van 1 mei 2019 met producties 8 tot en met 25,

-

de brief van verzoekster van 9 mei 2019 met producties 26 tot en met 31,

-

het verweerschrift met 41 producties,

-

de mondelinge behandeling. Verzoekster en mr. Notenboom, voornoemd, zijn verschenen. Namens verweerster zijn verschenen: [naam], als specialist klachtenmanagement werkzaam bij verweerster, en mr. Achterberg, voornoemd. Mr. Notenboom heeft ter zitting pleitaantekeningen en een email, gedateerd 5 mei 2019, overgelegd.

2 De feiten

2.1.

Bij brief van 21 december 2018 heeft verweerster verzoekster laten weten de gegevens van verzoekster te hebben opgenomen in het Incidentenregister (hierna: IR) van verweerster en in het Extern Verwijzingsregister van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (hierna: EVR). Daarbij is aangegeven dat de gegevens na 8 jaar uit de registers worden verwijderd.

2.2.

Bij email van 4 januari 2019 heeft verzoekster aan verweerster gevraagd welke persoonsgegevens van haar zijn verwerkt ten aanzien van de opname in het IR en EVR.

2.3.

Bij email van 10 januari 2019 schreef verweerster aan verzoekster dat op haar naam haar voorletters, achternaam, geboortedatum en GBA adres zijn vastgelegd. Voorts schreef verweerster: “op naam van C.C. [verzoekster] is er sprake van fraude. In het acceptatiedossier is een vals cq vervalst Lloyds Bank afschrift aangetroffen welke door de AAB adviseur is opgevraagd voor het aantoonbaar maken van het actuele banksaldo op naam van [verzoekster] (...) De bank stelt zich op het punt dat er, nadat er fraude is vast gesteld geen relatie meer kan worden onderhouden met deze natuurlijke / rechtspersoon. [verzoekster] als natuurlijk maar ook als rechtspersoon bij de bank als cliënt geregistreerd.

2.4.

Bij brief van 16 januari 2019 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de registratie in het IR en EVR van verweerster. Verzoekster concludeert in die brief dat deze registraties moeten worden verwijderd.

2.5.

Bij brief van 24 januari 2019 heeft verweerster geweigerd de registraties ongedaan te maken. In die brief staat vermeld: “De bank heeft in het hypotheekdossier op naam van mevrouw [verzoekster] fraude vastgesteld. (...)

Mevrouw C.C. [verzoekster] heeft tijdens het acceptatieproces van haar hypotheek een rekeningafschrift overlegd van haar spaarrekening bij Lloyds Bank, dit ter bevestiging en controle van haar eigen vermogen. Bij een recente controle heeft Lloyds Bank aan de bank en aan mevrouw [verzoekster] bevestigd dat dit afschrift niet authentiek is, m.a.w. het is vervalst.

De bank heeft de persoonlijke en zakelijke gegevens van mevrouw [verzoekster] opgenomen in het Extern Verwijzingsregister (EVR) en het Incidentenregister omdat haar handelswijze een risico vormt voor de belangen, integriteit of veiligheid van de bank en voor de financiële sector als geheel. (...)

De bank heeft geen moverende redenen om de registratie op naam van mw. [verzoekster] ongedaan te maken.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank, kort samengevat, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, primair verweerster beveelt om binnen twee werkdagen na deze beschikking de persoonsgegevens van verzoekster te verwijderen uit het IR en EVR, subsidiair de duur van de opname in de registers te beperken tot één jaar, dan wel voor een door de rechtbank te bepalen periode, met bevestiging door verweerster van deze verwijdering, dan wel beperking van duur, aan verzoekster en aan derden aan wie mededeling over de registraties is gedaan. Voorts verzoekt verzoekster het opleggen van een dwangsom en om een proceskostenveroordeling. Verzoekster grond haar verzoek op de (uitvoeringswet van) de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG).

3.2.

Verweerster voert verweer.

3.3.

Op de standpunten van partijen zal voor zover van belang worden ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing