Rechtbank Gelderland, 21-01-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:407, NL19.11533
Rechtbank Gelderland, 21-01-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:407, NL19.11533
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 21 januari 2020
- Datum publicatie
- 24 januari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2020:407
- Zaaknummer
- NL19.11533
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid. De bestuurders van een stichting hadden er rekening mee moeten houden dat eiseres een in rechte vastgestelde vordering op de stichting zou krijgen en hadden dus niet mogen overgaan tot turboliquidatie. De activa in de stichting zijn kort voor de turboliquidatie overgeheveld naar de bestuurders zelf. Er is ook sprake van selectieve betaling.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer: NL19.11533
Vonnis van 21 januari 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiseres] gevestigd te [woonplaats] ,eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,advocaat mr. S.A. van Snippenburg te Nijmegen,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,verweerders, hierna samen te noemen: [gedaagde c.s.] ,advocaat mr. T.G.G. Raijmakers te Eindhoven.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de procesinleiding
- -
-
het verweerschrift
- -
-
het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 10 december 2019.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseres] exploiteert een aannemingsbedrijf. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren bestuurders van [de Stichting] , hierna te noemen: de Stichting. De Stichting exploiteerde een voetveer tussen Gelderland en Noord-Brabant.
De Stichting heeft in 2017 een procedure bij de kantonrechter in Arnhem aanhangig gemaakt tegen [eiseres] . [eiseres] is bij verstekvonnis van 12 april 2017 veroordeeld om aan de Stichting te betalen een bedrag van € 24.999,00, te vermeerderen met rente en kosten. De Stichting heeft dit vonnis geëxecuteerd en beslag doen leggen ten laste van [eiseres] onder meerdere gemeenten.
Op 8 juni 2017 heeft [eiseres] een verzetdagvaarding uitgebracht. In reconventie heeft [eiseres] een bedrag van ongeveer € 35.000,00 van de Stichting gevorderd. Op
24 november 2017 heeft de mondelinge behandeling in die zaak plaatsgehad.
Bij brief van 4 december 2017 heeft de raadsman van [eiseres] de Stichting aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt door de beslaglegging: “Uw cliënte heeft beslag gelegd bóven een bedrag dan waartoe in het verstekvonnis de vordering werd toegewezen. Dit is jegens mijn cliënte onrechtmatig. Zij lijdt daardoor schade, (...)
Vorige week liet u mij desgevraagd weten dat het beslag voor het bovenmatige deel zal worden opgeheven. Opgemerkt zij evenwel dat ik tot op heden geen verificatoire bescheiden ontving waaruit blijkt dat het beslag voor het bovenmatige deel is opgeheven. (...) Afgelopen vrijdag werd aan uw cliënte een dagvaarding in kort geding uitgebracht. Dit ter verkrijging – kort gezegd – van een titel om de executie van het verzetvonnis te schorsen en voor het bovenmatig deel op te heffen. (...) Indien en voorzover voordien uw cliënte de uitwinning van de beslagen desalniettemin doorzet terwijl nadien – op basis van het eindvonnis in de verzetprocedure – mocht blijken dat de uitwinning onterecht was en dat vervolgens uw cliënte niet in staat is de onterecht uitgewonnen gelden binnen bekwame tijd terug te betalen, leidt dit in de huidige context van het debat naar het oordeel van mijn cliënte onvermijdelijk tot een aan [gedaagde sub 1] als bestuurder zodanig te maken ernstig verwijt dat hij als bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan worden geacht en gehouden voor de terugbetaling van de ten onrechte uitgewonnen gelden. (...)”
De Stichting heeft op de bestuursvergadering van 31 december 2017 – waarop [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aanwezig waren – het besluit genomen om het voetveer over te dragen aan [gedaagde sub 1] in privé “ter gedeeltelijke vereffening met de openstaande vordering van [gedaagde sub 1] in privé op de Stichting”, zulks voor een bedrag van € 51.182,35. Daarnaast is vastgesteld dat [gedaagde sub 1] een vordering van € 78.651,87 op de Stichting heeft en is het volgende besluit genomen:
“Vereffend wordt met [gedaagde sub 1] :
€ 51.182,35 (boekwaarde voetveer) + € 19.584,94 (per bankoverdracht aan [gedaagde sub 1] privé) = € 70.767,29.
Het resterende bedrag van € 7.884,58 zal zo spoedig mogelijk aan [gedaagde sub 1] in privé worden overgemaakt door de Stichting (...).
b) [gedaagde sub 2] heeft in privé een vordering van € 21.500,-
Deze vordering wordt z.s.m. door de Stichting aan [gedaagde sub 2] per bankoverdracht overgemaakt. (...)”
Op 2 januari 2018 heeft de Stichting een bedrag van € 19.584,94 aan [gedaagde sub 1] overgemaakt met als omschrijving “terugbetaling deel lening aan [gedaagde sub 1] Prive”. Op
5 januari 2018 heeft [gedaagde sub 1] een aanvullende lening van € 1.000,00 aan de Stichting verstrekt zodat de Stichting haar lopende verplichtingen kon nakomen.
Bij kort geding vonnis van 19 januari 2018 is de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis geschorst in afwachting van de uitkomst van de aanhangige verzetprocedure. Ook zijn de ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslagen opgeheven onder de opschortende voorwaarde dat [eiseres] door middel van een bankgarantie zekerheid stelt voor een bedrag van € 6.700,00. Voor dat bedrag was het verstekvonnis nog niet verder ten uitvoer gelegd.
Op 6 februari 2018 heeft opnieuw een bestuursvergadering van de Stichting plaatsgevonden. Daarin heeft het bestuur het volgende besluit genomen, welk besluit door [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en administrateur [administrateur A] is getekend:
“1. De stichting zal worden ontbonden.
2. Het bestuur zal van deze ontbinding opgaaf (laten) doen bij de Kamer van Koophandel.
3.a. Het bestuur wijst [gedaagde sub 1] aan als vereffenaar van de boedel van de stichting. Opmerking: Er zijn geen baten.
3.b. De vereffenaar zal niet een vergoeding ontvangen voor zijn werkzaamheden.
4. Een eventueel batig saldo van de stichting zal worden uitgekeerd overeenkomstig het doel van de stichting en wel aan: Stichting Heerewaardevol te Heerewaarden.
5. De administratie zal gedurende de wettelijke termijn worden opgeslagen bij: [gedaagde sub 1] op het adres [adres].”
Op 22 augustus 2018 heeft [eiseres] een verzoekschrift ex artikel 2:23c BW tot heropening vereffening en benoeming van een vereffenaar ingediend. Dat verzoek is ter zitting door [eiseres] ingetrokken.
Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] conservatoir beslag doen leggen op het aandeel van [gedaagde sub 1] in de eigendom van het pand aan [adres] .
Bij vonnis van 23 oktober 2019 heeft de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, team kanton, voor recht verklaard dat de door de Stichting op basis van het verstekvonnis van 12 april 2017 gelegde beslagen jegens [eiseres] onrechtmatig zijn en heeft zij de Stichting veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 30.349,55, te vermeerderen met rente en kosten.