Rechtbank Gelderland, 26-08-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4295, C/05/360764 / HZ ZA 19-95
Rechtbank Gelderland, 26-08-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4295, C/05/360764 / HZ ZA 19-95
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2020
- Datum publicatie
- 16 september 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4295
- Zaaknummer
- C/05/360764 / HZ ZA 19-95
Inhoudsindicatie
Vonnis in incident tot n-o verweerder in hoofdzaak (renvooiprocedure). Incidentele vordering wordt afgewezen. Geen tussentijds hoger beroep opengesteld. Zie ook zaak C/05/359893 / HZ ZA 19-58.
Uitspraak
vonnis
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/360764 / HZ ZA 19-95
Vonnis in incident van 26 augustus 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VREELAND INVESTMENTS B.V.,
gevestigd te Zutphen,
eiseres in de hoofdzaak (renvooiprocedure),
eiseres in het incident,
advocaat mr. B.M. König te Apeldoorn,
tegen
[verweerder]
wonende te [woonplaats],
verweerder in de hoofdzaak (renvooiprocedure),
verweerder in het incident,
advocaat mr. P.J. Fousert te Groningen.
Partijen zullen hierna Vreeland en [verweerder] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de conclusie van eis in de renvooiprocedure van 29 januari 2020
- -
-
de conclusie van antwoord in de renvooiprocedure
- -
-
de akte houdende incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring [verweerder] c.q. wijziging eis
- -
-
de conclusie van antwoord in de op 8 juli 2020 aanhangig gemaakte incidentele vordering die tevens een wijziging van eis inhoudt
- -
-
de brief van 30 juli 2020 van Vreeland.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De feiten
Partijen hebben beiden schuldvorderingen ter verificatie ingediend bij de curator in het faillissement van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]), die op 22 augustus 2014 failliet is verklaard.
[verweerder] en de curator hebben de vordering van Vreeland betwist. [verweerder] heeft daarnaast een door de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) ter verificatie ingediende vordering betwist. [naam 2] heeft op zijn beurt de vordering van [verweerder] betwist. Na de verificatievergaderingen op 19 september 2019 en 17 oktober 2019 heeft de rechter-commissaris partijen ingevolge artikel 122 Faillissementswet (Fw) verwezen naar de rolzitting van deze rechtbank (renvooiprocedure).
Bij vonnis van 19 februari 2020 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, in een renvooiprocedure (zaaknummer / rolnummer: C/05/360759 / 19-94) waarin [verweerder] eiser en [naam 2] gedaagde is, als volgt overwogen:
“2.1. Tussen [verweerder] en [naam 1] (hierna: [naam 1]) is op 24 juni 2014 op tegenspraak een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gewezen in een door [verweerder] tegen [naam 1] aanhangig gemaakte procedure, waarbij [naam 1] onder meer is veroordeeld aan [verweerder] een bedrag van € 1.000.000,00 te betalen. Tegen dat vonnis heeft [naam 1] appel ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. (...) Omdat [naam 1] op enig ogenblik in staat van faillissement is verklaard, is deze procedure bij het hof geschorst en vervolgens op de rol van 16 december 2014 doorgehaald.
(...)
[naam 2] kan gevolgd worden in zijn stelling dat de rechter-commissaris ten onrechte het geschil heeft verwezen naar de rolzitting van deze rechtbank. Artikel 29 van de Faillissementswet (Fw) bepaalt immers dat voor zover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, het geding na de faillietverklaring wordt geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding. Het geding moet daarom worden voortgezet bij het hof.
Omdat [verweerder] zijn vordering niet bij het hof Arnhem-Leeuwarden heeft ingesteld maar bij deze rechtbank, kan hij niet ontvangen worden in zijn vordering. Hij zal daarom niet ontvankelijk verklaard worden. (...)
[verweerder] dient als meest gerede partij een dagvaarding tot hervatting van het geding uit te brengen (...)”
De rechtbank heeft [verweerder] vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
3 Het geschil in het incident
Vreeland vordert (primair, althans in incident) dat [verweerder] niet-ontvankelijk wordt verklaard als verweerder ter verificatie, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met nakosten en de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis.
Vreeland legt primair aan haar vordering in incident ten grondslag dat het vonnis van 19 februari 2020 kracht van gewijsde heeft gekregen en dat de niet-ontvankelijk-verklaring van [verweerder] onherroepelijk is geworden. Daardoor dient [verweerder] in alle renvooiprocedures in het kader van het faillissement van [naam 1] – zo ook in deze procedure – niet-ontvankelijk te worden verklaard.
[verweerder] voert ten verwere aan dat zijn vordering op [naam 1] aan de faillietverklaring ten grondslag ligt, dat die vordering is vastgesteld in een vonnis van de rechtbank Gelderland van 25 juni 2014 (waartegen [naam 1] hoger beroep heeft ingesteld) en dat die vordering door de curator in het faillissement is erkend. De rechtbank heeft in het vonnis van 19 februari 2020 terecht beslist dat hervatting van de appelprocedure had moeten plaatsvinden in plaats van de verwijzing van zijn vordering naar de renvooiprocedure. [verweerder] heeft naar aanleiding van dat vonnis een dagvaarding tot hervatting aan [naam 2] doen betekenen waarmee die procedure tussen [naam 2] (in plaats van [naam 1]) en [verweerder] bij het gerechtshof is hervat. De niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] zegt niets over de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [verweerder]. [verweerder] stelt dat de incidentele vordering gelet op het voorgaande zonder grond is ingesteld en dient te worden afgewezen met veroordeling van Vreeland in de kosten van de incidentele procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.