Rechtbank Gelderland, 29-12-2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:7020, C/05/378776 / HA ZA 20-612
Rechtbank Gelderland, 29-12-2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:7020, C/05/378776 / HA ZA 20-612
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 29 december 2021
- Datum publicatie
- 5 januari 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2021:7020
- Zaaknummer
- C/05/378776 / HA ZA 20-612
Inhoudsindicatie
Derdenverzet. Curator ontvankelijk in derdenverzet, want in zijn rechten benadeeld door evident misbruik. Wijziging van vonnis waartegen verzet is ingesteld.
Uitspraak
vonnis
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/378776 / HA ZA 20-612
Vonnis van 29 december 2021
in de zaak van
[eisende partij]
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van J. Norder Beheer B.V.,
kantoorhoudende te Groningen,
eiser,
advocaat mr. A. Gras te Groningen,
tegen
1 [gedaagde partij 1] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. D.J. Kap te Groningen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde partij 2] ,
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. D.J. Kap te Groningen,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde partij 3] ,
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Eisende partij zal hierna de curator worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 9 juni 2021
- -
-
het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 8 oktober 2021.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 december 2013 is het faillissement uitgesproken van J. Norder Beheer B.V. (hierna: Norder Beheer) met aanstelling van eiser als curator.
Norder Beheer participeerde samen met J.B. Investments B.V. en [gedaagde partij 2] in [gedaagde partij 3] .
[gedaagde partij 3] is een onderneming die tot doel heeft te beleggen in, en het verkrijgen, vervreemden, beheren, administreren, het exploiteren van, alsmede het beschikken over registergoederen, roerende goederen en andere vermogenswaarden. [gedaagde partij 1] , bestuurder van [gedaagde partij 2] , is ook enig bestuurder van [gedaagde partij 3] .
Norder Beheer, [gedaagde partij 2] en J.B. Investments beschikten ieder over één derde deel van de aandelen in het vermogen van [gedaagde partij 3] , zoals die op 7 april 2008 door de Stichting Administratiekantoor [gedaagde partij 3] zijn uitgegeven.
Bij aanvang van de onderneming hebben de drie participanten bedragen aan [gedaagde partij 3] ter beschikking gesteld zodat [gedaagde partij 3] overeenkomstig haar doelstelling vastgoed kon verkrijgen.
Omdat ten aanzien van Norder Beheer dit bedrag als opeisbare lening in het kader van een rekening-courantverhouding ter beschikking was gesteld, is de curator na het faillissement tot opeising van de lening overgegaan en heeft de curator [gedaagde partij 3] in rechte betrokken. Ook heeft de curator conservatoir beslag gelegd op de aan [gedaagde partij 3] toebehorende onroerende zaken in [plaats] en [plaats] .
Bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 20 juni 2018 is [gedaagde partij 3] veroordeeld om aan de curator een bedrag van € 311.063,42 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente over € 306.513,00 met ingang van 7 juli 2017 tot de dag van volledige betaling, alsmede vermeerderd met beslagkosten en proceskosten. Het door [gedaagde partij 3] gevoerde verweer, dat de drie participanten in 2008 (informele) kapitaalstortingen hebben gedaan om met [gedaagde partij 3] te kunnen beleggen in vastgoed en dat er dus geen sprake is van een zuivere rekening-courantverhouding, is door de rechtbank verworpen.
Tegen dit vonnis heeft [gedaagde partij 3] hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep heeft de curator de uitvoering van de executoriale verkoop van de beslagen onroerende zaken geschorst. Wel heeft de curator derdenbeslag onder de huurders van [gedaagde partij 3] gelegd. Uit de ontvangen derdenverklaringen als bedoeld in artikel 475 lid 2 Rv is toen gebleken dat [gedaagde partij 1] namens [gedaagde partij 2] , en niet [gedaagde partij 3] , al geruime tijd de huurinkomsten van de aan [gedaagde partij 3] toebehorende onroerende zaken ontving.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 25 februari 2020 het vonnis van de rechtbank Gelderland van 20 juni 2018 bekrachtigd.
De curator heeft daarna verschillende malen geprobeerd om tot een minnelijke regeling te komen met [gedaagde partij 3] . Dit bleek niet mogelijk, zodat de curator in juni 2020 de veiler heeft verzocht de executieveiling weer voort te zetten.
In de tussentijd hebben [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] , na verkregen verlof daartoe, medio maart 2020 ook conservatoir beslag gelegd op de aan [gedaagde partij 3] in eigendom toebehorende onroerende zaken in [plaats] en [plaats] en op alle gelden en/of geldswaarden, welke notaris mr. [betrokkene 1] onder zijn berusting heeft en/of zal verkrijgen van [gedaagde partij 3] .
Vervolgens hebben [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] [gedaagde partij 3] gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. In die procedure hebben zij het verstrekte kapitaal, te vermeerderen met een (volgens hen) overeengekomen rentevergoeding opgeëist. [gedaagde partij 3] is in die procedure niet verschenen, waarna de rechtbank Gelderland bij verstekvonnis van 26 augustus 2020 de vorderingen van [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] van respectievelijk € 723.011,00 en € 668.847,00 heeft toegewezen.
Inmiddels heeft de curator de veiling van het onroerend goed van [gedaagde partij 3] voortgezet en een opbrengst van circa € 830.000,00 gerealiseerd.