Home

Rechtbank Gelderland, 14-01-2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:126, C/05/391171 / HA RK 21-135

Rechtbank Gelderland, 14-01-2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:126, C/05/391171 / HA RK 21-135

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14 januari 2022
Datum publicatie
21 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2022:126
Formele relaties
Zaaknummer
C/05/391171 / HA RK 21-135

Inhoudsindicatie

Artt. 5, 6 lid 1, 12, 17 en 21 AVG. Geen onrechtmatige verwerking door BKR zodat art. 17 lid 1 onder d AVG toepassing mist. BKR diende bezwaar ex art. 21 AVG in behandeling te nemen en daarop te beslissen. Toewijzing subsidiaire verwijderingsverzoek.

Uitspraak

beschikking

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/391171 / HA RK 21-135

Beschikking van 14 januari 2022

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna [verzoeker] ,

advocaat mr. A.M. van Schaick te Tilburg,

tegen

de stichting

STICHTING BUREAU KREDIET REGISTRATIE,

gevestigd te Tiel,

verweerster, hierna: het BKR,

advocaat mr. C.R.F. Plaizier te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met producties 1 tot en met 13,

-

het verweerschrift met producties 1 tot en met 4,

-

de brief van 29 september 2021 namens het BKR met productie 5,

-

de spreekaantekeningen van mr. Van Schaick voornoemd,

-

de spreekaantekeningen van mr. Plaizier voornoemd,

-

de mondelinge behandeling online gehouden via Skype op 4 oktober 2021. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaick voornoemd. Namens het BKR zijn de heer [manager legal] (manager legal) en de heer [bedrijfsjurist] (bedrijfsjurist) verschenen, bijgestaan door mr. Plaizier voornoemd.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 Waar gaat het in deze zaak om?

2.1.

In deze procedure gaat het om de vraag of het BKR de door haar geregistreerde kredieten, althans de door haar geregistreerde bijzonderheidscoderingen, in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: CKI) van het BKR op naam van [verzoeker] moet verwijderen. De achtergrond van deze zaak is als volgt.

2.2.

In 2017 heeft [verzoeker] professionele hulp gezocht in verband met zijn autisme-stoornis en de betalingsachterstanden die bij diverse schuldeisers waren ontstaan. Vervolgens heeft hij in 2019 aan zijn schuldeisers een voorstel gedaan om tegen finale kwijting 32% van het openstaande saldo te voldoen. Dit voorstel luidde, voor zover hier relevant, als volgt:

(...)

Om toch mijn schulden af te lossen heb ik geprobeerd het afgelopen jaar een bedrijfje op te starten. Hoewel ik daarmee net kan voorzien in levensonderhoud is de afloscapaciteit beperkt. Het probleem is dat investeringen nodig zijn om het bedrijf verder te laten groeien. Maar met 3 negatieve BKR noteringen (zie bewijs in bijlage) is er geen enkele partij die in mijn bedrijf wil investeren.

Daarmee kan ik dus niet goed verder met mijn bedrijf, maar de optie loondienst is door mijn beperking ook lastig, zoals door het UWV bevestigd. Bovendien is de huidige schuldensituatie voor mij erg stressvol en beperkend. Dit beperkte perspectief wordt ook bevestigd in een begeleidende brief (zie bewijs in bijlage) van mijn ambulant begeleidster die hopelijk benadrukt dat u deze mail serieus en met zorgvuldigheid dient te beoordelen.

Omdat ik zelf wel besef dat alleen woorden niet zorgen voor een oplossing heb ik een bezorgde goede vriend bereid gevonden om mij eenmalig 8.000 euro te lenen als onderhandse lening. Onder strikte voorwaarde dat dit een nieuw perspectief biedt en geen doekje is voor het bloeden. (...) Daarnaast kan ik zelf nog 800 euro bijleggen.

Derhalve wil ik u als schuldeiser een voorstel doen om mijn openstaande schuld finaal te kwijten tegen een eenmalige betaling. Voor de transparantie heb ik hieronder alle schuldeisers vermeld inclusief het openstaande bedrag* en het kwijtingsvoorstel. Uitgezonderd de belastingdienst krijgen alle schuldeisers hetzelfde percentage.

(...)

2.3.

[verzoeker] staat met de volgende kredietregistraties (hierna gezamenlijk: de BKR-registraties of de registraties) in het CKI:

  1. International Card Services B.V. (hierna: ICS) met de volgende registraties: 19 mei 2015 bijzonderheidscodering A1, 12 maart 2018 bijzonderheidscodering A2, en 23 december 2019 einddatum krediet.

  2. Qander Consumer Finance B.V. (hierna: Qander) met een registratie van 1 oktober 2017 als einddatum krediet.

  3. Santander Consumer Finance B.V. (hierna: Santander) met de volgende registraties: 17 december 2015 bijzonderheidscodering A2, 19 december 2019 codering A3, en 19 december 2019 einddatum krediet.

  4. ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) met de volgende registraties: 13 oktober 2017 bijzonderheidscodering A1, 5 december 2015 bijzonderheidscodering A2, 27 december 2019 codering A3, en 27 december 2019 einddatum krediet.

  5. Stichting Qredits Microfinanciering Nederland (hierna: stichting Qredits) met een zakelijke lening, en 30 september 2025 als verwachte einddatum van het krediet.

Daarbij is vermeld dat als er geen wijzigingen plaatsvinden, de coderingen van de eerste vier kredieten op de volgende data zullen worden verwijderd: 21 december 2024, 1 oktober 2022, 19 december 2024, en 17 december 2024.

2.4.

De A staat voor achterstand. Het daarop volgende cijfer betekent volgens artikel 13 van het Algemeen Reglement CKI van het BKR (hierna: AR) het volgende:

(...)

Code 1: er is een aflossingsregeling getroffen, nadat zich een situatie van achterstand heeft voorgedaan;

Code 2: de zakelijke klant heeft betaling van het restant van de of de gehele vordering geëist conform de daarvoor geldende wettelijke vereisten;

Code 3: de zakelijke klant heeft een bedrag van € 250,- of meer afgeboekt. Als afboeking plaatsvindt en de consument hoeft niets meer te betalen (finale kwijting), wordt tegelijkertijd met deze code de beëindiging van de overeenkomst met een werkelijke einddatum gemeld. In andere gevallen meldt de zakelijke klant geen werkelijke einddatum;

(...)

2.5.

Op 3 mei 2021 heeft [verzoeker] het BKR verzocht om de hiervoor genoemde registraties te verwijderen. Bij brief van 10 juni 2021 heeft het BKR dat verzoek afgewezen. Als reden daarvoor heeft zij aangevoerd dat [verzoeker] zich met zijn verzoek moet wenden tot de afzonderlijke kredietaanbieders die zorg hebben gedragen voor registratie in het CKI. Volgens het BKR is zij slechts verantwoordelijk voor de juiste verwerking van de persoonsgegevens die zij van de kredietaanbieders ontvangt.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank het BKR te veroordelen om:

  1. Primair: de registratie van de kredietovereenkomsten (zoals genoemd onder 2.3.) in het CKI en eventuele daarmee samenhangende (interne) registers onverwijld, maar uiterlijk binnen drie dagen na betekening van deze beschikking, te (doen) verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,

  2. Subsidiair: de bijzonderheidscoderingen behorende bij de kredietovereenkomsten die zijn aangegaan met ICS, Santander en ABN AMRO in het CKI onverwijld, maar uiterlijk binnen drie dagen na betekening van deze beschikking, te (doen) verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,

  3. Meer subsidiair: de A3-coderingen behorende bij de kredietovereenkomsten die zijn aangegaan met Qander en Santander (rechtbank: bedoeld wordt met Santander en ABN AMRO, gelet op randnummer 3 van het verzoekschrift) in het CKI onverwijld, maar uiterlijk binnen drie dagen na betekening van deze beschikking, te (doen) verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,

  4. Primair en (meer) subsidiair: het BKR te veroordelen in betaling van de proceskosten en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn primaire verzoek tot het verwijderen van alle registraties ten grondslag dat het stelsel van krediet- en schuldenregistratie in het CKI in het algemeen in strijd is met de AVG en dat de wijze waarop het BKR zijn persoonsgegevens verwerkt onrechtmatig is. Aan zijn subsidiaire verzoeken tot het verwijderen van de bijzonderheidscoderingen legt hij diverse belangen en persoonlijke omstandigheden ten grondslag en stelt hij dat de te maken belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. [verzoeker] stelt dat het BKR in verband met haar verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke zelf moet beslissen op zijn verzoek en niet kan volstaan met verwijzen naar de betrokken kredietverschaffers.

3.3.

Het BKR voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing