Rechtbank Gelderland, 06-04-2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1618, C/05/393790 / HZ ZA 21-329
Rechtbank Gelderland, 06-04-2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1618, C/05/393790 / HZ ZA 21-329
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 6 april 2022
- Datum publicatie
- 15 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2022:1618
- Zaaknummer
- C/05/393790 / HZ ZA 21-329
Inhoudsindicatie
Verkoop van kavel door gemeente onder voorbehoud van goedkeuring van de gemeente raad. Art. 6:23 lid 1 BW. Hof van Twente-arrest en Didam-arrest.
Uitspraak
vonnis
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/393790 / HZ ZA 21-329
Vonnis van 6 april 2022
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. H.H. van Gaal te Arnhem,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE MONTFERLAND,
zetelend te Didam,
gedaagde,
advocaat mr. P.L.G. Haccou te Arnhem.
Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 1 december 2021
- -
-
het overzicht beslagstukken van [eiser]
- -
-
de akte overlegging producties tevens houdende wijziging en vermeerdering eis van
[eiser] van 24 februari 2022
- -
-
de akte overlegging producties van de gemeente van 24 februari 2022
- -
-
het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 24 februari 2022.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Op 17 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) besloten tot verkoop van onder meer een deel van de kavel kadastraal bekend [kavel] (hierna: de kavel) ‘door middel van inschrijving, waarbij gunning aan het college en de raad blijft voorbehouden zonder dat voor ieder kavel afzonderlijk een maximale opbrengst is vastgesteld’. Er werd uitgegaan van een theoretische bieding van € 131,00 per m2, wat € 100,00 lager was dan de oorspronkelijke geprognosticeerde opbrengst van de kavel van € 231,00 per m21. Mocht een bieding niet reëel zijn, dan wordt niet overgegaan tot gunning. Er hebben zich voor deze kavel geen belangstellenden gemeld. Daarom heeft het college zich beraden op een andere bestemming, namelijk parkeren, mede naar aanleiding van een op 29 november 2018 door de gemeenteraad aangenomen motie. Daartoe heeft het college op 7 juli 2020 het bestemmingsplan “Parkeren Vinkhof, Zeddam” ter vaststelling aan de gemeenteraad voorgelegd.
[betrokkene] heeft naar aanleiding van het voorgenomen besluit bij brief van 9 juli 20202 het college verzocht om het voorgenomen besluit in heroverweging te nemen. Hij heeft het college daarbij gevraagd om hem een kans te geven een bod uit te brengen op de kavel. Hij voerde als argumenten aan dat de gemeente niet alleen inkomsten van de verkoop zou ontvangen, maar zich ook de kosten voor de aanleg van een parkeerplaats kon besparen en hem als starter de kans kon geven om in zijn dorp te blijven wonen, waar hij is opgegroeid en actief in het verenigingsleven is. In verband met wijzigingen in de voorwaarden van de starterslening was hij daartoe thans financieel in staat.
Tijdens een beeldvormende sessie van de gemeenteraad op 10 september 2020 over het voorgenomen besluit, heeft [betrokkene] ingesproken over voornoemde brief. Naar aanleiding van deze inspraakreactie heeft een aantal raadsleden [wethouder] verzocht om met [betrokkene] in gesprek te gaan over de verkoop van de kavel aan [betrokkene] . De wethouder was bereid tot een gesprek, maar hij heeft de gemeenteraad erop gewezen dat als de kavel opnieuw in de verkoop zou gaan, dit wel openbaar bekend gemaakt moest worden. Hij heeft gewaarschuwd dat het één op één gunnen van de kavel zou kunnen leiden tot juridische consequenties.3 Dit zou worden uitgezocht. Het gesprek van de wethouder met [betrokkene] heeft op 28 september 2020 plaatsgevonden, waarna [betrokkene] op 29 september 2020 een bod van € 20.000,00 exclusief btw heeft uitgebracht op de kavel. De gemeente heeft aan [betrokkene] geen reactie op dit bod gegeven.
In oktober 2020 heeft het college op basis van juridisch advies besloten om de kavel opnieuw via een openbare inschrijving in de verkoop te doen om aan eenieder een gelijke kans te geven. Bij e-mail van 16 oktober 2020 heeft de gemeente [betrokkene] van de openbare verkoop op de hoogte gebracht.4 [wethouder] heeft de gemeenteraad in een kort informatief memo van 26 november 20205 over dit besluit als volgt geïnformeerd:
“Tevens is besloten het overige deel alsnog als bouwkavel op een transparante manier via open inschrijving – voor een periode van 4 weken – in de verkoop te doen. Dit zullen we medio december gaan oppakken. Wij verwachten u medio februari 2021 verder te kunnen informeren over het vervolg.”
Over het gesprek met [betrokkene] en de uitkomst daarvan is niets opgenomen in het memo.
De openbare inschrijving heeft in februari 2021 plaatsgevonden. Op de inschrijving was de NVM-richtlijn inschrijvingsvoorwaarden verkoop bij inschrijving van toepassing verklaard. In die voorwaarden is in artikel 86 opgenomen dat de definitieve gunning plaatsvindt door de gemeenteraad van Montferland.
Uit de correspondentie tussen [betrokkene] en de gemeente7 blijkt dat [betrokkene] op de hoogte is gebracht van de gang van zaken en via de makelaar een toegangscode voor het digitale dossier van de kavel heeft ontvangen. In dit digitale dossier stond een inschrijfformulier waarop hij een bod vóór 15 februari 2021 schriftelijk of digitaal kon indienen. [betrokkene] heeft hierop bij de makelaar kenbaar gemaakt dat hij al in gesprek was met de gemeente. De gemeente heeft de makelaar geïnformeerd over het feit dat er al een gegadigde was.8 [betrokkene] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om digitaal zijn bod kenbaar te maken. Bij het openen van de biedingen is uit coulance zijn eerdere bod van € 20.000,00 exclusief btw meegenomen.
[eiser] is als hoogste bieder uit de verkoopprocedure gekomen. Op 16 maart 2021 is de schriftelijke koopovereenkomst9 inzake de kavel namens de gemeente door de burgemeester en door [eiser] ondertekend.
Naast de gebruikelijke bepalingen is in ‘artikel 20 Nadere afspraken’ het volgende bepaald:
“20.1 Deze overeenkomst wordt gesloten onder voorbehoud van goedkeuring door de Raad der Gemeente Montferland.
Bij raadsvoorstel van 2 maart 202110 inzake verkoop van de kavel werd de gemeenteraad verzocht om goedkeuring te geven aan de met [eiser] gesloten koopovereenkomst. In dit raadsvoorstel is onder het kopje ‘Wettelijke grondslag en/of kader’ opgenomen dat de raad wordt verzocht om goedkeuring te geven aan de verkoop van de kavel omdat de kavel door middel van inschrijving wordt verkocht en daarbij wordt afgeweken van de door de raad vastgestelde grondprijs. Uit het B&W advies van 11 november 201911 (dat ziet op de openbare verkoop van zeven incourante kavels eind 2019) en uit de beantwoording van de vragen van [raadslid]12 op 11 februari 2020 blijkt dat per kavel wordt beoordeeld of een bieding met opvolgende voorlopige gunning reëel is. Mocht een bieding niet reëel zijn, dan wordt niet overgegaan tot gunning.
Nadat [betrokkene] kennis had genomen van dit raadsvoorstel, heeft hij de gemeenteraad en het college een brief gestuurd waarin hij de gemeente verzocht om de keuze voor [eiser] te heroverwegen en de kavel aan hem te verkopen.
In de raadsvergadering van 20 mei 2021 heeft de gemeenteraad het raadsvoorstel van 2 maart 2021 geamendeerd en het college verzocht om de kavel aan [betrokkene] te verkopen. Dit is als volgt toegelicht:
“(...) De portefeuillehouder is tijdens deze PAM sessie [van 10 september 2020, rechtbank] opdracht gegeven een laatste poging te doen de bouwkavel alsnog te verkopen aan de inspreker. Mocht dit niet slagen zou de wijziging van het bestemmingsplan opnieuw in gang gezet worden. Ondanks deze duidelijke afspraak is er besloten door het college om de kavel in de openbare verkoop te doen via inschrijving (...). Dit heeft erin geresulteerd dat we 4 biedingen hebben ontvangen.
Conform de regels van de NVM, welke gehanteerd zijn bij deze bieding, is het besluit van de keuze uit de verschillende biedingen voorbehouden aan de Raad van de gemeente. Dit is bij alle bieders bekend en is niet gerelateerd aan prijsniveau of andere criteria. Als Raad wensen we vast te houden aan het vertrekpunt en afspraak op 10 september om het te verkopen aan de inspreker.”13
Naar aanleiding van het amendement heeft [eiser] aan het college en de gemeenteraad bij brief van 1 juni 2021 kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met het besluit. Hij heeft de gemeente gesommeerd dat zij haar verplichtingen uit de koopovereenkomst zal nakomen met aansprakelijkstelling voor de te lijden schade. De gemeente heeft [eiser] op 4 juni 2021 een bericht van ontvangst gestuurd.
Voor de zekerheid heeft het college besloten om het onthouden van goedkeuring door de gemeenteraad expliciet te laten bevestigen. Het door D66 ingediende amendement om de verkoop van de kavel aan te houden ‘om eerst alle juridische en financiële consequenties in beeld te brengen van het feit dat de raad afwijkt van de door hunzelf vastgestelde voorwaarden dat de kavel naar de hoogste biedende gaat’, is door de raad op 8 juli 2021 verworpen.14 Wel heeft de gemeenteraad ingestemd met het besluit van het college – om op verzoek van de gemeenteraad – de kavel te verkopen aan [betrokkene] . Tevens heeft de gemeenteraad niet ingestemd met de voorwaardelijke koopovereenkomst met [eiser] .15
[eiser] heeft in reactie hierop conservatoir leveringsbeslag op de kavel gelegd ten laste van gemeente.
Bij brief van 12 juli 2021 heeft de gemeente [eiser] kenbaar gemaakt dat de opschortende voorwaarde uit de koopovereenkomst niet is vervuld en dat daarom geen leveringsverplichting bestaat aan de zijde van de gemeente.
3 Het geschil
[eiser] vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. voor recht verklaart dat de gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst met [eiser] ,
II. de gemeente veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan levering van de bouwkavel op grond van de koopovereenkomst op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat de gemeente daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00,
III. de gemeente veroordeelt tot betaling van € 5.109,00 aan [eiser] ,
subsidiair
IV. voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld,
V. de gemeente veroordeelt om uit hoofde van schadevergoeding in natura binnen veertien dagen na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan levering van de bouwkavel tegen betaling van € 50.109,00 (te vermeerderen met btw) door [eiser] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat de gemeente daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00,
primair en subsidiair
VI. de gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
VII. de gemeente veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 375,79 + pm aan [eiser] in verband met de kosten voor het door [eiser] gelegde conservatoir leveringsbeslag,
VIII. de gemeente veroordeelt in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de nakosten van respectievelijk € 131,00 zonder het betekenen en € 199,00 in geval van betekening van het vonnis, indien en voor zover de gemeente niet binnen een termijn van zeven dagen althans binnen een door de rechtbank redelijk geachte termijn, na betekening van het vonnis heeft voldaan.
[eiser] legt tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de volgende rechtsgronden aan zijn vorderingen ten grondslag.
[eiser] vordert nakoming van de koopovereenkomst. Op grond van artikel 3:14 Burgerlijk Wetboek (BW) is de gemeente gehouden de door haar voorgeschreven verkoopprocedure volgens de overeengekomen voorwaarden op transparante wijze zonder vooringenomenheid of partijdigheid te doorlopen. De enige reden om goedkeuring aan de voorwaardelijke koopovereenkomst te onthouden was dat de kavel hoe dan ook aan [betrokkene] moest worden verkocht. Tegen deze achtergrond verlangen redelijkheid en billijkheid dat de opschortende voorwaarde van goedkeuring als vervuld dient te worden aangemerkt.
De gemeente is niet bereid tot nakoming, zodat de gemeente toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst. Op grond van artikel 11.3 van de koopovereenkomst is de gemeente een boete verschuldigd van € 5.109,00.
In verband met het feit dat bouwkosten in 2021 enorm zijn gestegen en nog zullen stijgen in de komende maanden vordert [eiser] vergoeding van de hiermee samenhangende schade met ingang van 1 oktober 2021 tot het moment van aanvang van de bouw.
De gemeente voert verweer. De opschortende voorwaarde van artikel 6:23 BW is niet vervuld. De gemeenteraad heeft bij [eiser] niet het vertrouwen gewekt dat zij instemt met de koopovereenkomst. De stelling van [eiser] dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet zijn nageleefd, mist een nadere onderbouwing.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.