Rechtbank Gelderland, 29-09-2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5520, 10363609 \ CV EXPL 23-648
Rechtbank Gelderland, 29-09-2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5520, 10363609 \ CV EXPL 23-648
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 29 september 2023
- Datum publicatie
- 13 oktober 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2023:5520
- Zaaknummer
- 10363609 \ CV EXPL 23-648
Inhoudsindicatie
Werknemer kreeg arbeidsongeval. Werkgever (rechtspersoon) aansprakelijk. Ook bestuurdersaansprakelijkheid. Turboliquidatie.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 10363609 \ CV EXPL 23-648 \ 25115 \ 40141
uitspraak van 29 september 2023
vonnis
in de zaak van
[eisende partij]
wonende te [plaats]
eisende partij
gemachtigde mr. R.J. Verweij
procederende krachtens toevoegingsnummer 2GN9020
tegen
[gedaagde partij]
wonende te [plaats]
gedaagde partij
procederend in persoon
Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 april 2023 en de daarin genoemde processtukken
- de akte houdende in het geding brengen van nadere producties van [eisende partij]
- de mondelinge behandeling van 31 augustus 2023.
2 De feiten
Op 19 oktober 2020 heeft [eisende partij] brandwonden aan beide handen opgelopen. Hij reinigde gevels en werkte die dag met zoutzuur.
Op 19 november 2020 heeft [eisende partij] loon over oktober 2020 ontvangen op zijn rekening van [betrokken partij 1] B.V. (hierna: [betrokken partij 1]).
Op 13 januari 2021 heeft [eisende partij] [betrokken partij 1] aansprakelijk gesteld voor zijn schade. Hij stelde dat hij letsel had opgelopen in de uitoefening van zijn reinigingswerkzaamheden voor deze vennootschap. [gedaagde partij], directeur en (indirect) enig aandeelhouder van [betrokken partij 1], reageerde op 24 januari 2021 en schreef dat zijn bedrijf geen partij is, omdat [eisende partij] niet bij deze B.V. in dienst was in de periode van het gestelde bedrijfsongeval.
[eisende partij] heeft op 29 april 2021 [betrokken partij 2] (hierna: [betrokken partij 2]) en [betrokken partij 3] (hierna: [betrokken partij 3]) gedagvaard. [gedaagde partij] is ook van deze vennootschappen bestuurder en (indirect) enig aandeelhouder. [eisende partij] vorderde bepaling door de kantonrechter dat de vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade. Een van deze vennootschappen was zijn werkgever, zo stelde hij. De schade was begroot op een bedrag van € 6.394,00.
De vordering van [eisende partij] is op 3 september 2021 door de kantonrechter toegewezen, nadat [betrokken partij 2] en [betrokken partij 3] weliswaar in de procedure waren verschenen maar geen inhoudelijk verweer hebben gevoerd.
Op 17 februari 2022 zijn [betrokken partij 2] en [betrokken partij 3] opgehouden te bestaan.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 21 december 2022 in privé aansprakelijk gesteld.
3 De vordering en het verweer
[eisende partij] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem een bedrag van € 6.850,69 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.394,00 vanaf 19 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
2. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van de buitengerechtelijke kosten van € 888,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
Aan zijn vordering legt [eisende partij] ten grondslag dat [gedaagde partij] aansprakelijk is voor de onbetaald gebleven vordering van [eisende partij]. [gedaagde partij] is overgegaan tot turboliquidatie van [betrokken partij 2] en [betrokken partij 3], terwijl er nog baten aanwezig waren in de vennootschappen. De vennootschappen hadden een orderportefeuille, een klantenbestand en bedrijfsmiddelen en voerden dagelijks werkzaamheden uit. Het vermoeden bestaat dat [gedaagde partij] door de turboliquidatie verhaal door [eisende partij] onmogelijk wilde maken. Dan is het onrechtmatig om tot turboliquidatie over te gaan. Nu [gedaagde partij] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is hij als bestuurder primair op deze grondslag aansprakelijk en moet hij de schade van [eisende partij] daarom vergoeden. Subsidiair stelt [eisende partij] dat [gedaagde partij] misbruik maakt van het identiteitsverschil tussen zijn vennootschappen en al doende onrechtmatig jegens [eisende partij] handelt. De schade van [eisende partij] bestaat uit:
- € 6.394,00 aan hoofdsom die in de eerdere procedure is toegewezen, te vermeerderen
met wettelijke rente;
- € 396,00 aan proceskosten uit de eerdere procedure;
- € 60,69 aan deurwaarderskosten naar aanleiding van de executie van het eerdere vonnis;
- € 888,90 aan buitengerechtelijke incassokosten voor de onderhavige procedure
aldus [eisende partij].
[gedaagde partij] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.