Rechtbank Gelderland, 07-06-2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:3636, 10664071 CV23-2321
Rechtbank Gelderland, 07-06-2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:3636, 10664071 CV23-2321
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 7 juni 2024
- Datum publicatie
- 26 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2024:3636
- Zaaknummer
- 10664071 CV23-2321
Inhoudsindicatie
1. Rendementsverlies zonnepanelen door naburige dakopbouw; hinder? Toepasselijke norm tussen buren. Schade? In casu niet onzorgvuldig bij bereidheid om minimaal de helft van de schade te vergoeden. 2. Weigering uitoefening ladderrecht bij bouw van dakopbouw. Onrechtmatigheid. Gevolgen intrekking toestemming. Art. 5:56 BW.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 10664071 \ CV EXPL 23-2321 \ 398
uitspraak van
vonnis
in de zaak van
[voornamen] [eisende partij in conventie]
wonende te [woonplaats]
eisende partij in conventie
verwerende partij in reconventie
gemachtigde: mr. W.R. Gorseling
tegen
[voornamen] [gedaagde partij] en [voornamen]
beiden wonende te [woonplaats]
gedaagde partijen in conventie
eisende partijen in reconventie
gemachtigde: mr. G.H.A. Vlierhuis
Partijen worden hierna, in mannelijk enkelvoud, [eisende partij in conventie] en [gedaagde partij] genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 oktober 2023, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling, gehouden op 19 januari 2024, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden
- de conclusie van antwoord in reconventie van 16 februari 2024
- de akte in reconventie van [gedaagde partij] van 15 maart 2024.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen zijn ieder eigenaar en bewoner van aan elkaar gebouwde woningen aan de [straat en woonplaats] , [eisende partij in conventie] van nr. [nummer] en [gedaagde partij] van nr. [nummer] . De woningen zijn gebouwd met een enigszins afgeplat dak. Medio 2009 heeft [eisende partij in conventie] op zijn dak een aantal zonnepanelen laten plaatsen.
Eind 2021/begin 2022 heeft [gedaagde partij] met omgevingsvergunning een opbouw op zijn dak laten plaatsen. Om de opbouw af te kunnen werken moest mede gebruik worden gemaakt van het dak van [eisende partij in conventie] . Aanvankelijk heeft [eisende partij in conventie] daartoe een aantal zonnepanelen tijdelijk verplaatst, maar omdat partijen geen overeenstemming konden krijgen over een door [gedaagde partij] aan [eisende partij in conventie] te betalen vergoeding voor het door de opbouw ontstane rendementsverlies van de zonnepanelen heeft [eisende partij in conventie] het gebruik van zijn dak later geweigerd.
In een door [gedaagde partij] tegen [eisende partij in conventie] aangespannen kort geding heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 31 mei 2022 geoordeeld dat [eisende partij in conventie] geen voldoende gewichtige reden had om de uitoefening van het ‘ladderrecht’ (art. 5:56 BW) door [gedaagde partij] te weigeren. Medio juni 2022 zijn de werkzaamheden aan de dakopbouw (aan de zijde van nr. [nummer] ) hervat.
3 Het geschil en de vorderingen in conventie
[eisende partij in conventie] stelt dat hem door de dakopbouw en het als gevolg daarvan ontstane rendementsverlies van zijn zonnepanelen onrechtmatige hinder wordt aangedaan. Volgens hem is de verminderde opbrengst van de panelen van 77%, hetgeen hij onder meer afleidt uit de verminderde subsidie die hij over 2022 heeft ontvangen van de overheid. Dit komt voor de resterende levensduur van de panelen (nog 20 jaar) neer op een bedrag van € 13.963,20. Daarnaast stelt [eisende partij in conventie] een verlies te lijden op de investering (aanschafprijs) in de zonnepanelen van € 7.950,60 doordat die investering 77% minder rendabel is geworden. Dat leidt volgens hem tot een totale schade van € 21.385,901, schade die hij stelt te kunnen beperken door het plaatsen van omvormers voor een bedrag van € 4.840,--. [eisende partij in conventie] stelt dan:
“De kosten van de omvormers en het verplaatsen komen dan bij het schadebedrag, maar de schade op de investering (€ 4.054,85), op de subsidie (€ 567,48) en de verminderde opbrengst (€ 8.727,00) wordt dan aanzienlijk minder. De schade wordt in het geval er omvormers worden geplaats[t] door eiser begroot op
€ 17.966,38.”
Het is dit laatste bedrag dat [eisende partij in conventie] van [gedaagde partij] in deze procedure vordert.
Daarnaast heeft volgens [eisende partij in conventie] de aanwezigheid van de dakopbouw tot gevolg gehad dat de rookkanalen op zijn dak, die pal tegen de dakopbouw aanliggen, door hun geringe hoogte brandgevaarlijk zijn geworden. Tevens vordert hij daarom, op straffe van een dwangsom, dat [gedaagde partij] die rookkanalen verhoogt, naar de kantonrechter begrijpt tot de bovenzijde van de dakopbouw.
[gedaagde partij] voert verweer, dat hierna nog aan de orde zal komen.