Rechtbank Gelderland, 05-04-2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:3943, 10891955 \ HA VERZ 24-9
Rechtbank Gelderland, 05-04-2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:3943, 10891955 \ HA VERZ 24-9
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 5 april 2024
- Datum publicatie
- 16 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2024:3943
- Zaaknummer
- 10891955 \ HA VERZ 24-9
Inhoudsindicatie
Kantonrechter wijst verzoek van werkgever om ontbinding arbeidsovereenkomst af. In redelijkheid kan niet worden geoordeeld dat van disfunctioneren sprake is, zodanig dat dit op enig moment tot beëindiging van het dienstverband zou leiden. Afgezien daarvan heeft werkgever werknemer onvoldoende aangesproken op zijn functioneren en hem ook onvoldoende duidelijk gemaakt dat hij zijn functioneren moest verbeteren om te voorkomen dat zijn dienstverband zou worden beëindigd. Overeengekomen concurrentiebeding wordt op verzoek van werknemer vernietigd, omdat het niet geldig tot stand gekomen is.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 10891955 \ HA VERZ 24-9
Beschikking van 5 april 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. B. Westerhout, te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.M.C. Hendriks, te Amsterdam (Das Rechtsbijstand)
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige (tegen)verzoeken;
- de op 19 februari 2024 namens [eiser] ingediende aanvullende producties 8, 9 en 10.
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 26 februari 2024. Verschenen zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] namens [eiser] , bijgestaan door mr. Westerhout, en [gedaagde] , bijgestaan door mr. Hendriks. Beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat verder tijdens de zitting is besproken.
Aan het eind van de mondelinge behandeling is afgesproken dat [eiser] binnen een week een productie in het geding zal brengen, waarop [gedaagde] vervolgens mag reageren.
Daarop heeft [eiser] op 27 februari 2024 de producties 11 tot en met 13 overlegd. [gedaagde] heeft daarop bij (antwoord)akte, ontvangen op 5 maart 2024, gereageerd.
Vervolgens is bepaald dat een beschikking wordt gegeven op 5 april 2024.
2 De feiten
[eiser] houdt zich bezig met de inrichting, beheer en optimalisatie van IT-systemen ten behoeve van midden- en grootbedrijf. Zij richt zich daarbij op zowel de ‘care’ markt (zorg gericht op ouderen) als de ‘cure’ markt (zorg gericht op ziekenhuizen en GGZ-instellingen).
[gedaagde] , geboren op [geboortedatum] , is op 17 april 2020 in dienst getreden bij [eiser] in de functie van Accountmanager voor de duur van 6 maanden. De daarvoor op 7 april 2020 gesloten arbeidsovereenkomst is na afloop voortgezet voor onbepaalde tijd.
Het huidige maandsalaris van [gedaagde] bedraagt € 5.855,00 bruto, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en overige emolumenten.
Artikel 12 van de op 7 april 2020 tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd luidt als volgt:
“Non-concurrentie
Bij omzetting van dit contract naar onbepaalde tijd is het werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever gedurende een jaar na beëindiging van het dienstverband met werkgever direct of indirect werkzaam te zijn bij, of werkzaamheden te verrichten voor, dan wel een belang te hebben in een met werkgever vergelijkbaar te stellen onderneming, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet.
Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van één jaar na het einde van deze
arbeidsovereenkomst, direct dan wel indirect, betrokken te zijn bij het actief benaderen van
relaties van werkgever en alle met [eiser] gelieerde ondernemingen, daaronder
begrepen afnemers, werknemers en andere relaties (inclusief de aan deze relaties gelieerde
ondernemingen).”
Artikel 12 zal verder worden aangeduid als ‘het concurrentiebeding’.
In de functie van Services Sales Accountmanager is [gedaagde] onder meer het commerciële aanspreekpunt voor toegewezen klanten of segmenten en is hij verantwoordelijk voor het succesvol behalen van afgesproken target- en persoonlijke doelstellingen. De commissieregeling is een financiële ‘incentive’ daartoe en dient aan te sluiten op deze verantwoordelijkheid en moet in verhouding staan tot de verkoopinspanningen en het verkoopsucces van de accountmanager. Aan het begin van ieder kalenderjaar wordt in onderling overleg tussen [eiser] en de individuele werknemers een commissieplan opgesteld. Daarin worden drie te verkopen producten en/of diensten genoemd met afzonderlijke targets en wegingsfactoren, te weten:
- verkoop van producten
- verkoop van diensten (Design & Builtdiensten (D&B)) en
- verkoop van Managed Services (MSO).
Het variabele inkomen van de accountmanager is afhankelijk van de realisatie van het totale afgesproken (gewogen) target.
Sinds 1 september 2022 is de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) leidinggevende van [gedaagde] .
Vanaf oktober 2022 heeft [betrokkene 1] frequent gesprekken met [gedaagde] gevoerd. Gesprekken1 zijn gevoerd op 2, 16 en 30 november 2022, 14 december 2022 (arbeidsvoorwaardengesprek, inclusief salarisverhoging), 8 en 22 februari, 31 mei, 9 augustus, 23 augustus, 6 september, 18 oktober en 19 oktober 2023. Tijdens het gesprek op 18 oktober 2023 laat [betrokkene 1] [gedaagde] weten dat hij vanwege de uitblijvende resultaten van [gedaagde] niet met hem verder wil in een salesrol.
Omdat partijen het niet eens worden over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, biedt [eiser] [gedaagde] een CMS-functie aan. [gedaagde] heeft dat aanbod niet aanvaard.
3 Het verzoek en het verweer
[eiser] verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel d en/of e en/of g, of onderdeel i van het Burgerlijk Wetboek (BW) en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking.
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [eiser] - kort gezegd - dat [gedaagde] ongeschikt is voor de functie waarvoor hij is aangenomen. Hij heeft de aan hem gestelde targets nooit gehaald. [eiser] heeft hem daarop bij herhaling aangesproken en heeft hem in voldoende mate in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren, maar dat heeft niet geholpen. [eiser] heeft tevens geprobeerd om hem te herplaatsen binnen een andere passende functie binnen het bedrijf, maar [gedaagde] heeft dat aanbod afgeslagen.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Primair verzoekt hij de kantonrechter bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen;
II. te verklaren voor recht dat [gedaagde] niet gebonden is aan het concurrentiebeding;
III. het tussen [eiser] en [gedaagde] overeengekomen concurrentiebeding te vernietigen.
Subsidiair verzoekt [gedaagde] :
IV. indien de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden, [eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van een wettelijke transitievergoeding van € 8.780,09 bruto;
V. [eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde vergoeding tot aan de dag der algehele voldoening;
VI. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor [eiser] geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking;
VII. voor zover het concurrentiebeding niet wordt vernietigd, [eiser] te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van een door de kantonrechter te bepalen bedrag;
Primair en subsidiair verzoekt [gedaagde] :
VIII. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.
[gedaagde] voert - samengevat - aan dat [eiser] de e-, g- en i-grond op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Hij betwist dat sprake is disfunctioneren (de d-grond). Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij niet eerder dan 18 oktober 2023 wist dat [eiser] vond dat hij onvoldoende functioneerde. Er is hem geen enkele kans geboden om - voor zover er sprake zou zijn van minder functioneren - te werken aan eventuele verbeterpunten en er is geen sprake geweest van enige begeleiding en ondersteuning door [eiser] . Daarnaast heeft [eiser] niet voldaan aan haar herplaatsingsplicht, aldus [gedaagde] .
Verder stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat partijen geen rechtsgeldig concurrentie- en relatiebeding zijn overeengekomen in de zin van artikel 7:653 BW. Subsidiair verzoekt [gedaagde] vernietiging van het beding, omdat hij van mening is dat hij in verhouding tot het belang van [eiser] onredelijk wordt benadeeld. Bovendien zijn er geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen aan de zijde van [eiser] die het overeenkomen van een dergelijk beding noodzakelijk maken, aldus [gedaagde] .
Op de stellingen van partijen, voor zover van belang bij de beoordeling van het geschil, zal hierna nader worden ingegaan.