Home

Rechtbank Gelderland, 07-05-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3810, 437420

Rechtbank Gelderland, 07-05-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3810, 437420

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
7 mei 2025
Datum publicatie
23 mei 2025
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:3810
Zaaknummer
437420

Inhoudsindicatie

Beroep op artikel 42 Fw slaagt. Ongerechtvaardigde verrijking wegens ontvangen huurpenningen. Beroep op verrekening ex artikel 6:127 BW mogelijk? Tussenvonnis

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/437420 / HA ZA 24-323

Vonnis van 7 mei 2025

in de zaak van

[eiser] , in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1],

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. J.M. van den Berkmortel,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.H. Mouthaan-van Dieren.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 oktober 2024

- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 februari 2025.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De zaak in het kort

2.1.

[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) maakte onderdeel uit van een groep vennootschappen, waarvan de heer [naam] (indirect) bestuurder was. [bedrijf 1] had twee bedrijfspanden in eigendom (één in [vestigingsplaats 1] en één in [vestigingsplaats 2] ). [bedrijf 1] ’s activiteiten bestonden uit het verhuren van deze panden. [naam] voerde zijn werkzaamheden uit in [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), een zustervennootschap van [bedrijf 1] . [bedrijf 2] is op 12 mei 2020 failliet verklaard en [bedrijf 1] op 13 april 2021. De curator is in beide faillissementen tot curator aangesteld en wikkelt met toestemming van de rechter-commissaris de faillissementen geconsolideerd af.

2.2.

[gedaagde] , die [naam] niet persoonlijk kende, heeft een aantal geldleningen verstrekt aan [bedrijf 1] en verkreeg op 14 juli 2015 een hypotheekrecht van tweede rang van € 75.000 op het bedrijfspand in [vestigingsplaats 2] (hierna: pand [vestigingsplaats 2] ). Op 11 november 2020 heeft [bedrijf 1] pand [vestigingsplaats 2] aan [gedaagde] verkocht voor € 140.000. De levering vond plaats op 30 november 2020. [gedaagde] vordering op [bedrijf 1] uit hoofde van de geldleningen bedroeg op 29 november 2020 € 177.162,50 (inclusief rente). Bij de levering heeft [gedaagde] € 55.809,74 voldaan aan de notaris, voor kosten koper en afbetaling van de schuld van € 46.493,82 aan de eerste hypotheekhouder (Direktbank). De restantkoopsom van € 93.506,18 is verrekend met de vordering van [gedaagde] op [bedrijf 1] .

2.3.

De curator stelt zich op het standpunt dat deze verkoop paulianeus is, onder meer doordat [gedaagde] voor een groter bedrag heeft verrekend dan zijn hypotheekrecht. Zij heeft de verkoop op 1 november 2023 op grond van artikel 42 Faillissementswet (Fw) vernietigd. De curator vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat die vernietiging rechtsgeldig is en dat [bedrijf 1] eigenaar is van pand [vestigingsplaats 2] . Daarnaast vordert zij dat [gedaagde] op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt veroordeeld tot betaling van de huurpenningen die uit de verhuur van pand [vestigingsplaats 2] heeft ontvangen, vermeerderd met rente en kosten. Zij schat het door [gedaagde] aan huur ontvangen bedrag op € 61.290,77.

2.4.

[gedaagde] betwist dat sprake is van een faillissementspauliana en dat hij ongerechtvaardigd is verrijkt. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat de curator terecht de pauliana heeft ingeroepen en dat [gedaagde] vanwege de terugwerkende kracht van de vernietiging nooit rechthebbende is geweest van de huurinkomsten, doet [gedaagde] een beroep op verrekening ex artikel 6:127 BW met zijn vordering van € 55.809,74 wegens een onverschuldigd betaalde koopprijs.

2.5.

De rechtbank oordeelt dat de verkoop op grond van artikel 42 Fw rechtsgeldig is vernietigd. Verder is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] voor € 6.223,08 ongerechtvaardigd is verrijkt in verband met door hem ontvangen huurpenningen. Voordat de rechtbank aan een eindvonnis toekomt, zullen partijen eerst in de gelegenheid worden gesteld voor het nemen van aktes ten aanzien van het verrekeningsverweer. Hierna zal de rechtbank (onder 4) uitleggen waarom zij tot deze beslissingen komt. Eerst zal zij (onder 3) een uitgebreider overzicht van de vaststaande feiten geven.

3 De feiten

De geldleningen

3.1.

[gedaagde] is op 1 juli 2014 een overeenkomst van geldlening aangegaan met [bedrijf 1] voor een bedrag van € 100.000 tegen 9% rente. Afgesproken was dat de geldlening – tenzij deze in onderling overleg zou worden verlengd – na drie jaar zou worden afgelost. De looptijd is stilzwijgend verlengd. Tot zekerheid van terugbetaling van deze lening (lening 1) is een tweede recht van hypotheek gevestigd op het bedrijfspand in [vestigingsplaats 1] (hierna: pand [vestigingsplaats 1] ) (waarop reeds ten behoeve van ING een eerste recht van hypotheek was gevestigd).

3.2.

Op 7 april 2015 zijn [gedaagde] en [bedrijf 1] een tweede overeenkomst van geldlening aangegaan (lening 2) voor een bedrag van € 75.000 tegen 9% rente. Van dat bedrag is op die datum € 50.000 aan [gedaagde] overgemaakt. Ook in die overeenkomst was afgesproken dat de geldlening – tenzij deze in onderling overleg zou worden verlengd – na drie jaar zou worden afgelost en ook de looptijd van deze geldlening is stilzwijgend verlengd. Ter uitvoering van deze overeenkomst is bij notariële akte van 14 juli 2015 een tweede recht van hypotheek gevestigd op pand [vestigingsplaats 2] tot zekerheid voor de terugbetaling van de hoofdsom van € 75.000 en voor de betaling van bedongen rente boeten en kosten, begroot op 60% van de hoofdsom. Ten behoeve van Direktbank was al een eerste recht van hypotheek op pand [vestigingsplaats 2] gevestigd.

3.3.

Op 18 maart 2016 heeft [gedaagde] € 15.000 overgemaakt aan [bedrijf 1] met de omschrijving “Uitbreiding lening 9 proc. Na 3 maanden iedere maand 3000 retour” (lening 3).

3.4.

Op 24 februari 2020 heeft [gedaagde] een spoedlening van € 11.000 aan [bedrijf 1] overgemaakt, waarvan [bedrijf 1] op 25 februari 2020 € 7.500 heeft terugbetaald. [bedrijf 1] is uit deze hoofde dus nog € 3.500 aan [gedaagde] verschuldigd (lening 4).

3.5.

Met uitzondering van de onder 3.4 genoemde terugboeking hebben er geen aflossingen op de leningen plaatsgevonden. Op het moment van de overdracht van pand [vestigingsplaats 2] had [bedrijf 1] een achterstand in de voldoening van de renteverplichtingen van zeven maanden. De totale openstaande schuld (leningen + rente) bedroeg per 29 november 2020 € 177.162,50.

De verkoop van pand [vestigingsplaats 2]

3.6.

Op 11 november 2020 heeft [bedrijf 1] het bedrijfspand in [vestigingsplaats 2] in verhuurde staat aan [gedaagde] verkocht voor € 140.000. De levering vond plaats op 30 november 2020. Op 11 februari 2020 was dat pand ten behoeve van een financieringsbeoordeling door ING in verhuurde staat getaxeerd op € 150.000.

3.7.

Bij de levering heeft [gedaagde] naast de kosten koper (van € 9.315,92) een bedrag van € 46.493,82 voldaan aan de notaris, waarmee de eerste hypotheekhouder (Direktbank) is afbetaald. De restantkoopsom van € 93.506,18 is verrekend met de vordering die [gedaagde] uit hoofde van de geldleningen op [bedrijf 1] had.

3.8.

Ten tijde van de verkoop bedroeg de huur van pand [vestigingsplaats 2] € 1.254,99 per maand (inclusief btw).

4 De beoordeling

5 De beslissing