Home

Rechtbank Gelderland, 20-08-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7385, C/05/442309/HA ZA 24-516

Rechtbank Gelderland, 20-08-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7385, C/05/442309/HA ZA 24-516

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20 augustus 2025
Datum publicatie
8 september 2025
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:7385
Zaaknummer
C/05/442309/HA ZA 24-516

Inhoudsindicatie

Verdeling gezamenlijke woning tussen informeel samenlevenden. Geen aanleiding voor afwijkende peildatum waardering. Niet is gebleken dat de man op grond van een afspraak tussen partijen aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht. Voor zover er al sprake zou zijn van een vergoedingsrecht op grond van ongerechtvaardigde verrijking, dan zijn deze vorderingen naar het oordeel van de rechtbank verjaard.

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/442309 / HA ZA 24-516

Vonnis van 20 augustus 2025

in de zaak van

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H. van Straten,

tegen

[naam man] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. N. van Kuppeveld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 8 oktober 2024;

-

de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, ingekomen op 12 december 2024;

-

de conclusie van antwoord in reconventie, ingekomen op 18 februari 2025;

-

het tussenvonnis van 30 april 2025 ter bepaling van de mondelinge behandeling;

-

het bericht van mr. Van Kuppeveld met bijlagen 12 tot en met 14, ingekomen op 2 juli 2025;

-

de mondelinge behandeling van 10 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Beide partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling verschenen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Beide advocaten hebben tijdens de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben tweeëntwintig jaar met elkaar een affectieve relatie gehad. Partijen

zijn niet gehuwd geweest en hebben samengeleefd zonder geregistreerd partnerschap.

2.2.

Zij zijn in 2001 samen eigenaar geworden, ieder voor de onverdeelde helft van (het

recht van erfpacht met betrekking tot) de woning aan [adres 1] in [plaatsnaam 1] .

Voor deze aankoop hebben partijen een spaarhypotheek afgesloten.

2.3.

Op 22 oktober 2009 heeft de man een bedrag van € 7.000 gestort in de

spaarhypotheek.

2.4.

Op 1 februari 2010 hebben partijen ten overstaan van de notaris een samenlevingsovereenkomst gesloten. In die samenlevingsovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen.

“Artikel 3

1. (...)

2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (...)

3. Het hiervoor in lid 2 bedoelde gedeelte van het inkomen of zoveel meer als partijen wensen, wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.

4. Indien slechts één van de partijen inkomen heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij.

(...)

Artikel 7

Deze overeenkomst eindigt:

a. door opzegging door één van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij, waarbij een opzegtermijn van ten minste een maand in acht genomen moet worden.

(...)

d. indien, zonder dat een opzegging als sub a bedoeld heeft plaatsgevonden, partijen in gezamenlijk overleg de overeenkomst feitelijk heeft beëindigd en zijn overgegaan tot verdeling van hun gezamenlijke vermogensbestanddelen.

Artikel 9

1 (...)

2. Het overige gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld.

3. (...)

4. Voor de bepaling van het zuiver saldo van het overig gemeenschappelijk vermogen, bedoeld in lid 2, zal per de dag van het eindigen van de overeenkomst een staat van baten en schulden worden opgesteld. (...)

Voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, vindt de verdeling plaats op de wijze als bepaald in artikel 3:185 Burgerlijk Wetboek.”

2.5.

Op 22 februari 2015 en 22 april 2016 heeft de man bedragen van respectievelijk

€ 11.000 en € 10.000 in de spaarhypotheek gestort.

2.6.

Op 29 december 2017 hebben partijen de bloot eigendom van het registergoed aan [adres 1] in [plaatsnaam 1] aangekocht en geleverd gekregen. Het volledige aankoopbedrag van € 34.519 is betaald door de man.

2.7.

Op 13 september 2019 zijn partijen samen, ieder voor de helft, eigenaar geworden van de woning aan [adres 2] te [plaatsnaam 2] . Voor die woning heeft de man aan verbouwingskosten € 9.047,26 betaald.

2.8.

Op 25 februari 2024 is de vrouw uit de woning vertrokken.

2.9.

Partijen hebben samen een bankrekening (en/of-rekening) bij de SNS Bank met rekeningnummer [rekeningnummer] .

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling te gelasten van de eenvoudige gemeenschappen van de gemeenschappelijke woning aan [adres 2] te [plaatsnaam 2] en de gemeenschappelijke bankrekening [rekeningnummer] , zoals omschreven in randnummer 16 tot en met 19 van de dagvaarding, althans een zodanige (wijze van) verdeling vast te stellen of te gelasten als de rechtbank juist acht.

3.2.

De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen van de datum van het vonnis, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen moment, tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De man vordert de rechtbank om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling te gelasten van de gemeenschappelijke woning aan [adres 2] te [plaatsnaam 2] en de gemeenschappelijke bankrekening [rekeningnummer] zoals door de man gevorderd en omschreven in nummer 22 a t/m d van de conclusie van antwoord, althans een zodanige verdeling vast te stellen die de rechtbank juist acht.

3.5.

De man vordert daarnaast de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen van de datum van het vonnis, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen moment, tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.6.

De vrouw voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

5 De beslissing