Home

Rechtbank Limburg, 22-11-2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11399, 04/991508-12

Rechtbank Limburg, 22-11-2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11399, 04/991508-12

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22 november 2017
Datum publicatie
22 november 2017
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2017:11399
Zaaknummer
04/991508-12

Inhoudsindicatie

Milieustrafrecht. Rechtspersoon. Rechtbank verwerpt het verweer dat OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel of verbod van willekeur. Geen strijd met het fair trial beginsel. Inrichting in de zin van artikel 8.1, eerste lid, Wet Milieubeheer en artikel 2.1, eerste lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verdachte heeft een inrichting in werking gehad zonder de daarvoor vereiste vergunningen. Artikel 13 Wet bodembescherming. Verdachte heeft handelingen verricht waarvan hij wist dat deze de bodem konden verontreinigen dan wel aantasten en heeft niet aan zijn verplichtingen voldaan om voldoende maatregelen te nemen. Mede vanwege tijdsverloop, oplegging van een geldboete van € 25.000,-.

Uitspraak

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 04/991508-12

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 22 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [adresgegevens verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 19, 20 en 21 januari 2016,

22, 23, 24 en 31 mei 2017 en 25 en 26 oktober 2017. De verdachte wordt bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. M.J.J.E. Stassen, beiden advocaat kantoorhoudend te Tilburg. De vertegenwoordiger van de verdachte is met uitzondering van 31 mei 2017 telkens verschenen. Mr. Th.J.H.M. Linssen is telkens ter terechtzitting verschenen.

Mr. M.J.J.E. Stassen is, met uitzondering van 31 mei 2017 en 26 oktober 2017, eveneens telkens ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 Inleiding

Om inzichtelijk te maken waar het in deze strafzaak om gaat, wordt op deze plaats in het kort beschreven waarop het strafrechtelijk onderzoek zicht richtte en wat daaraan vooraf ging.

Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak richtte zich op de activiteiten die op het bedrijfsterrein aan de [adres] te Heel, gemeente Maasgouw, plaatsvonden. Op het bedrijfsterrein waren een tweetal bedrijven gevestigd, te weten [verdachte]1 (hierna te noemen: [verdachte] ) en [medeverdachte 5]2 (hierna te noemen: [medeverdachte 5] ). [verdachte] hield zich van oudsher bezig met het verwerken van afvalstoffen en de productie van verf. De activiteiten met betrekking tot verf zijn in de loop der jaren overgenomen door [medeverdachte 5] .

Daarnaast bestaat er een vestiging van [verdachte] in België, te weten [medeverdachte 2] .3 (hierna te noemen: [medeverdachte 2] ). Dit bedrijf houdt zich eveneens bezig met de verwerking van afvalstoffen en was handelspartner van [verdachte] . Zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] zijn door de bestuurder van de verdachte opgericht. [verdachte] is nog steeds het bedrijf van de bestuurder van de verdachte, maar [medeverdachte 2] wordt inmiddels geleid door zijn zoon [medeverdachte 7] . In het bedrijf [medeverdachte 5] waarvan zijn echtgenote directeur is, heeft de bestuurder van de verdachte formeel geen rol, maar in de praktijk bleek hij de drijvende kracht te zijn.

[verdachte] heeft lange tijd een vergunning gehad op grond van de Wet milieubeheer voor het opslaan, be- en verwerken van hoog problematische (gevaarlijke) afvalstoffen en niet-gevaarlijke afvalstoffen, afkomstig van bijvoorbeeld fotografische bedrijven en laboratoria. Het verwerken van de verschillende afvalstoffen was gericht op het bereiken van de zogenaamde 0-optie met als doel om afvalstoffen maximaal te scheiden in voor hergebruik geschikte materialen. De technologie is ontwikkeld door de bestuurder van de verdachte.

De vergunning is in 2004 verlopen. Op 16 november 2004 heeft de provincie Limburg (hierna te noemen: de Provincie) bestuursdwang toegepast, gericht op beëindiging van de activiteiten op het bedrijfsterrein van [verdachte] .4 Vervolgens is de inrichting stilgelegd. Op 4 februari 2005 heeft de Provincie [verdachte] meegedeeld dat het beheer, het onderhoud en de verzorging van het terrein na de stillegging geheel voor rekening en risico van het bedrijf blijft, evenals het waterbeheer.5 In de jaren die volgen, diende [verdachte] meermalen nieuwe aanvragen in voor verlening van een milieuvergunning dan wel een omgevingsvergunning. Deze aanvragen hebben, ook na beroep op de bestuursrechter, niet geleid tot verlening van een vergunning. In de jaren na de stillegging van het bedrijf en de verzegeling van het terrein hebben toezichthouders van de Provincie en nadien de gemeente Maasgouw (hierna te noemen: de Gemeente) frequent het terrein bezocht om de staat van het terrein te controleren op gevaarzettende situaties. Ook het Waterschap voerde inspecties uit. Naar aanleiding van controles heeft de Provincie in 2006 (onder meer) [verdachte] opgedragen een aantal gevaarscheppende situaties op te heffen.6 In 2009 heeft de Provincie de bestuurder van de verdachte laten weten dat na de buitenwerkingstelling er in onvoldoende mate de zich op het terrein bevindende (gevaarlijke) afvalstoffen zijn afgevoerd en dat de toestand van de opslag verslechtert.7 De Provincie heeft echter tot 16 augustus 2012 geen bestuursdwang toegepast om een einde te maken aan de situatie op het bedrijfsterrein. Onderhandelingen in 2011 met de Provincie over gebiedsontwikkeling inclusief sanering, leidden niet tot resultaat. Naar aanleiding van het rapport van de inspectie op 8 augustus 20128 heeft de Provincie op 16 augustus 2012 spoedeisende bestuursdwang toegepast in verband met de aanwezigheid van (nog steeds) een grote hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen op het perceel [adres] in Heel. Dit besluit hield in de staking van de exploitatie en de afgrendeling van het terrein. Deze afgrendeling werd ondersteund door een door de Gemeente afgegeven noodbevel en een noodverordening. Over deze besluiten is door de betrokken rechtspersonen en hun bestuurders tot in hoogste instantie geprocedeerd. De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) oordeelde echter onder meer dat de Provincie wel bevoegd was om bestuursdwang toe te passen, maar niet aannemelijk had gemaakt dat de situatie op het terrein geen begunstigingstermijn toeliet.9 In 2013 werd door de Provincie alsnog een termijn van 22 weken gegund om zelf afvalstoffen af te voeren.10

Naar aanleiding van het verslag van de milieucontrole op 8 augustus 2012 en de (aankondiging van) de aangifte van de Provincie11 heeft het Openbaar Ministerie op

14 september 2012 besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Als verdachten werden aangemerkt onder anderen: [medeverdachte 1] , directeur van [verdachte] , zijnde de bestuurder en de vertegenwoordiger van de verdachte, zijn echtgenote [medeverdachte 6] , directeur van [medeverdachte 5] , zijn zoon [medeverdachte 3] , werknemer van [medeverdachte 5] , zijn zoon [medeverdachte 7] , bestuurder van [medeverdachte 2] , en de bedrijven [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] . De strafzaken van deze verdachten zijn gelijktijdig door de rechtbank behandeld.

3 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking in deze zaak komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte

Feit 1: in de periode van 1 januari 2009 tot 1 oktober 2010 zonder milieuvergunning een inrichting in werking heeft gehad (al dan niet samen met een ander).

Feit 2: in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 26 september 2012 zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, bestaande uit het in werking hebben van een inrichting (al dan niet samen met een ander).

Feit 3: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 26 september 2012 niet heeft voldaan aan de zorgplicht (al dan niet samen met een ander) die geldt voor ieder die op of in de bodem bepaalde handelingen verricht, waarbij stoffen de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, terwijl hij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd of aangetast.

Ten gevolge van kennelijke schrijffouten staat op diverse plaatsen in de tenlastelegging “cogulaat” in plaats van “coagulaat”. De rechtbank herstelt deze fouten, aangezien dit mogelijk is zonder dat de verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

4 De voorvragen

5 De beoordeling van het bewijs

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

7 De strafbaarheid van de verdachte

8 De straf

9 De wettelijke voorschriften

10 De beslissing