Home

Rechtbank Limburg, 26-09-2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:9137, 04 5031106 CV 16-4624

Rechtbank Limburg, 26-09-2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:9137, 04 5031106 CV 16-4624

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26 september 2018
Datum publicatie
3 oktober 2018
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2018:9137
Zaaknummer
04 5031106 CV 16-4624

Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om de overgang van onderneming in faillissement na prepack. De kantonrechter oordeelt dat de faillissementsprocedure was ingeleid met het oog op doorstart van de failliet en niet (louter) was gericht op liquidatie van het vermogen. Aldus behouden de beschermingsregels van artikel 3 en 4 van de Richtlijn 2001/23/EG – in nationale wetgeving verankerd in artikel 7:662 BW e.v. – voor werknemers in geval van een overgang van onderneming hun werking. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat er ook sprake was van een overgang van onderneming. De opzegging van de arbeidsovereenkomsten door de curator dateert echter van voor de overgang van onderneming. Mogelijk dat die opzegging in strijd is gebeurd met het bepaalde in artikel 7:670 lid 8 BW (oud) maar door de werknemers is de vernietigbaarheid van de opzegging niet (tijdig) ingeroepen. De conclusie is dat de werknemers voor de duur van de opzegtermijn mee over zijn gegaan op de nieuwe onderneming en over die periode een loonaanspraak hebben.

Uitspraak

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5031106 \ CV EXPL 16-4624

Vonnis van de kantonrechter van 26 september 2018

in de zaak van:

1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FEDERATIE NEDERLANDSE VAKVERENIGING (FNV),gevestigd te Amsterdam,

2. [eisende partij sub 2],wonend te [woonplaats eisende partij sub 2] , gemeente [gemeente woonplaats eisende partij sub 2] ,

3. [eisende partij sub 3],wonend te [woonplaats eisende partij sub 3] ,

4. [eisende partij sub 4],wonend te [woonplaats eisende partij sub 4] ,

5. [eisende partij sub 5],wonend te [woonplaats eisende partij sub 5] ,

6. [eisende partij sub 6],

wonend te [woonplaats eisende partij sub 6] ,

7. [eisende partij sub 7] ,

wonend te [woonplaats eisende partij sub 7] ,

8. [eisende partij sub 8] ,

wonend te [woonplaats eisende partij sub 8] , gemeente [gemeente woonplaats eisende partij sub 8] ,

9. [eisende partij sub 9] ,

Wonend te [woonplaats eisende partij sub 9] , gemeente [gemeente woonplaats eisende partij sub 9] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.P. Boot,

10. [eisende partij sub 10] ,

wonend te [woonplaats eisende partij sub 10] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. S.H.O. Aben,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde partij] B.V.,

gevestigd te [vestigingplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. B.T.G.M. Lamers.

Eisers zullen hierna gezamenlijk FNV c.s. worden genoemd. Gedaagde zal [gedaagde partij] worden genoemd.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 23 november 2016

-

de conclusie van antwoord

-

de brief waarbij een comparitie van partijen is gelast

-

de nader ingezonden producties aan de zijde van FNV c.s.

-

de op 5 december 2017 gehouden comparitie van partijen

-

de conclusies van repliek tevens houdende akte wijziging van eis

-

de conclusie van dupliek tevens houdende bezwaar tegen de wijziging van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

FNV c.s. heeft bij conclusie van repliek haar eis gewijzigd.

FNV c.s. vordert thans bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:A. te verklaren voor recht:primair: I. dat op de doorstart van PGV in [gedaagde partij] de Richtlijn

2001/23/EG van toepassing is;

II. dat de werknemers van PGV, waaronder ook eisers 2 tot en met 10 op basis

van richtlijnconforme interpretatie van de artikelen 7:662 e.v. BW per

31 maart 2015, dan wel op een door de kantonrechter in goede justitie te

bepalen datum van rechtswege, met behoud van hun arbeidsvoorwaarden, in

dienst zijn gekomen bij [gedaagde partij] ;

subsidiair: voor zover de kantonrechter oordeelt dat de Richtlijn 2001/23/EG niet van toepassing is op de doorstart van PGV in [gedaagde partij] en/of de tekst van artikel 7:666 BW een richtlijnconforme interpretatie uitsluit:dat de artikelen 7:662 e.v. BW desalniettemin van toepassing zijn, nu het zwaartepunt van de verkoop van de activa van PGV bij deze pre-pack duidelijk lag vóór het faillissement van PGV, als gevolg waarvan de werknemers van PGV, waaronder ook eisers 2 tot en met 10 per 31 maart 2014, dan wel op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, van rechtswege met behoud van hun arbeidsvoorwaarden, in dienst zijn gekomen bij [gedaagde partij] .

B. de veroordeling van [gedaagde partij] : 1. Om aan alle werknemers, waaronder ook eisers 2 tot en met 10 die op 31 maart 2015 in dienst waren bij PGV, schriftelijk te berichten dat zij op grond van overgang van onderneming van rechtswege, met behoud van hun arbeidsvoorwaarden, in dienst zijn gekomen bij [gedaagde partij] waarbij de werknemers die zijn ontslagen, waaronder ook eisers 2 tot en met 10, om aan het begin van de eerstvolgende maand, dan wel vanaf het eerste moment waarop zij daartoe in de gelegenheid zijn, hun oude werkzaamheden te hervatten, dan wel, wanneer zij hun oude werkzaamheden niet wensen te hervatten, in overleg te treden over een beëindiging van hun arbeidsovereenkomst, dit binnen 1 maand na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag per werknemer, voor elke dag dat [gedaagde partij] nalaat om ten aanzien van enige werknemer aan deze veroordeling te voldoen, waarbij het maximum te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 50.000,00 per werknemer;2. Om aan alle werknemers die vanuit PGV vanaf de doorstart bij [gedaagde partij] in dienst zijn waaronder ook eisers 2 tot en met 10, dan wel sindsdien in dienst zijn geweest (d.i. dus de groep werknemers die na het faillissement is overgenomen) een correcte en inzichtelijke berekening te verstrekken van het sedert 31 maart 2015, dan wel vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, achterstallige loon en de achterstallige overige arbeidsvoorwaarden, dit binnen 1 maand na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag per werknemer, voor elke dag dat [gedaagde partij] nalaat om ten aanzien van enige werknemer aan deze veroordeling te voldoen, waarbij het maximum te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 50.000,00 per werknemer;3. Om over te gaan tot betaling van het achterstallige loon en de overige achterstallige arbeidsvoorwaarden aan alle werknemers die vanuit PGV waaronder ook eisers 2 tot en met 10 vanaf de doorstart bij [gedaagde partij] in dienst zijn, dan wel in dienst zijn geweest voor de periode dat ze dit zijn geweest, waarbij het loon dient te worden vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, gesteld op 50% van het loon, en waarbij alle betalingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot aan de datum der voldoening, een en ander met gelijktijdige verstrekking van een bruto/netto-specificatie, dit binnen 2 maanden na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag per werknemer, voor elke dag dat [gedaagde partij] nalaat om ten aanzien van enige werknemer aan deze veroordeling te voldoen, waarbij het maximum te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 50.000,00 per werknemer;4. Over te gaan tot tijdige en correcte betaling van het toekomstig verschuldigd loon, alsof de overige arbeidsvoorwaarden aan alle werknemers die vanuit PGV waaronder ook eisers 2 tot en met 10 vanaf de doorstart bij [gedaagde partij] in dienst zijn, en dit voor zo lang zij in dienst zijn, vanaf 2 maanden na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag per werknemer, voor elke dag dat [gedaagde partij] nalaat om ten aanzien van enige werknemer aan deze veroordeling te voldoen, waarbij het maximum te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 50.000,00 per werknemer;

meer subsidiair: 5. Een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] in strijd heeft gehandeld met hetgeen in het maatschappelijke verkeer betamelijk is als bedoeld in artikel 6:162 BW. Dit waar het gaat om de bescherming van de werknemers in het arbeidsrecht als ook de informatievoorziening aan de werknemers; 6. de veroordeling van [gedaagde partij] om aan eisers sub 2 tot en met 10 te betalen een schadevergoeding, gelijk aan het loon wat zij op grond van de arbeidsovereenkomst na overgang van onderneming hadden moeten ontvangen vanaf 1 april 2015 tot aan de datum dat de arbeidsovereenkomsten rechtsgeldig zouden zijn beëindigd;

in alle gevallen: [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

Eiser sub 10 heeft dezelfde vorderingen ingesteld en heeft aanvullend nog gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

-

voor het geval hij aanspraak kan maken op een transitievergoeding, de transitievergoeding;

-

tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten

-

de proces- en nakosten.

2.3.

[gedaagde partij] voert verweer.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De verdere beoordeling

4 De beslissing