Home

Rechtbank Limburg, 17-10-2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9333, C/03/268727 / KG ZA 19-433

Rechtbank Limburg, 17-10-2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9333, C/03/268727 / KG ZA 19-433

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17 oktober 2019
Datum publicatie
24 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2019:9333
Zaaknummer
C/03/268727 / KG ZA 19-433

Inhoudsindicatie

Uitleg van vordering eisers, om gedaagde te veroordelen mee te werken aan de verdeling van een nalatenschap, in die zin, dat een meer subsidiaire vordering inhoudt dat de voorzieningenrechter wordt verzocht te verdelen zoals hij in goede justitie vermeent te moeten doen. In goede justitie vermeent de voorzieningenrechter dat, conform het aanbod van eisers, een bedrag van € 20.000,-- op de derdenrekening van de notaris moet blijven staan, om daaruit de eventuele vordering van de executeur te voldoen, en dat de rest van het geld moet worden verdeeld onder partijen overeenkomstig en naar rato van het voorstel van de notaris. Niet aannemelijk is dat gedaagde nog een tegenvordering heeft op de nalatenschap.

Uitspraak

vonnis

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/268727 / KG ZA 19-433

Vonnis in kort geding van 17 oktober 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,en

2. [eiser sub 2],

wonend te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck;

tegen:

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.J. Janssen.

Eisers zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] genoemd worden en gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding met acht producties;

-

twee bij brief van 1 oktober 2019 door [gedaagde] overgelegde producties;

-

de mondelinge behandeling, waarbij eisers hun vordering hebben toegelicht aan de hand van een overgelegde “toelichting eisers [eisers] door Stollenwerck” en gedaagde een pleitnota heeft voorgedragen en overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [gedaagde] zijn de enige erfgenamen van hun op 28 juni 2012 overleden vader. In zijn uiterste wilsbeschikking van 27 april 2007 (productie 2 dagvaarding) heeft de vader van partijen een legaat verstrekt aan [gedaagde] en [eiser sub 2] , van ieder groot € 92.340,--, en heeft hij partijen verder tot zijn enige erfgenamen benoemd. Voorts heeft vader mr. M.L.M. Hendrix tot executeur van zijn nalatenschap benoemd en aan deze een beloning toegekend van € 3.000,--. Het testament houdt verder in dat de beloning van de executeur op grond van onvoorziene omstandigheden door de kantonrechter, dan wel op verzoek van de executeur of een van de erfgenamen anders kan worden geregeld. De executeur heeft van 28 juni 2012 tot en met 20 juni 2014 werkzaamheden verricht als executeur. Hij heeft op 1 juli 2014 aan de kantonrechter verzocht hem als executeur te ontslaan. Bij beschikking van 15 juli 2014 (productie 8 dagvaarding) heeft de kantonrechter dat verzoek toegewezen.

2.2.

Partijen hebben geprocedeerd over de verdeling van de nalatenschap van hun vader. Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van 30 oktober 2018 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (productie 4 dagvaarding) heeft dat gerechtshof de legitieme portie van [eiser sub 1] vastgesteld als nader omschreven in het dictum van dat arrest. Verder heeft het gerechtshof het eindvonnis van 4 november 2015 en het tussenvonnis van 6 mei 2015 van deze rechtbank bekrachtigd.

2.3.

In het eindvonnis (productie 3 dagvaarding) heeft deze rechtbank in conventie voor recht verklaard dat de inboedelgoederen evenredig tussen de drie erfgenamen (lees: de partijen in deze zaak) behoren te worden verdeeld en tevens voor recht verklaard dat [eiser sub 1] recht heeft op zijn legitieme portie. Verder heeft de rechtbank de wijze waarop de legitieme portie van [eiser sub 1] dient te worden berekend vastgesteld. Deze berekening is door het gerechtshof op een klein onderdeel (de toevoeging van de vermeerdering met verschuldigde rente vanaf 10 juni 2015 tot de dag van voldoening) aangevuld. In reconventie is voor recht verklaard dat in de uiterste wilsbeschikking van de vader van partijen [gedaagde] een legaat voor een bedrag van € 92.340,-- is toegekend.

2.4.

Op 30 september 2019 heeft de executeur de kantonrechter verzocht de beloning voor zijn werkzaamheden, in afwijking van de in de uiterste wilsbeschikking voorziene vergoeding van € 3.000,--, te bepalen op € 14.310,-- (productie 1 [gedaagde] ).

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing