Home

Rechtbank Limburg, 21-12-2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:9724, ROE 20/3033

Rechtbank Limburg, 21-12-2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:9724, ROE 20/3033

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21 december 2021
Datum publicatie
10 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2021:9724
Formele relaties
Zaaknummer
ROE 20/3033

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag leerlingenvervoer naar school in België. Nederlandse onderwijswetgeving en Verordening van de gemeente regelt enkel vergoeding voor school in Nederland.

Hardheidsclausule door verweerder pas ter zitting deugdelijk gemotiveerd. Beroep ongegrond met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Uitspraak

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 20/3033

(gemachtigde: mr. S. Ben Kaddour-Eljarroudi),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen, verweerder

(gemachtigden: mr. R. Partouns en L. Vaessen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag voor leerlingenvervoer voor de zoon van eiseres voor het schooljaar 2020/2021 afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit rechtstreeks beroep ingesteld op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft middels een hybride zitting plaatsgevonden op 11 november 2021. Eiseres en haar gemachtigde zijn digitaal verschenen. Namens eiseres was ook [naam psycholoog] digitaal aanwezig. Verweerder heeft zich in de zittingzaal laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Opmerking vooraf

1. De wettelijke bepalingen waar in deze uitspraak naar wordt verwezen, zijn opgenomen in een bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.

Waar gaat deze zaak over?

2. De zoon van eiseres, [naam zoon] , is geboren op [geboortedag] 2008 en gediagnosticeerd met hoogbegaafdheid en Asperger (behorend tot Autisme spectrum stoornis; ASS). Hij is gestart op een gewone basisschool maar na problemen en afwijzingen op diverse Nederlandse basisscholen heeft [naam zoon] vanaf groep 3 zijn basisschooltijd doorgebracht bij de Gemeentelijke Basis School (GBS) te Rekem in België. Dit betrof een reguliere school met veel structuur en kleine klassen. De aanvraag van eiseres voor een vergoeding voor leerlingenvervoer naar deze basisschool is in eerste instantie door verweerder afgewezen, omdat de basisschool in België lag en er alleen recht is op een vergoeding voor leerlingenvervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in Nederland. Het beroep van eiseres tegen deze afwijzing is door deze rechtbank ongegrond verklaard.1 Hierna is alsnog voor de gehele basisschoolperiode een vergoeding voor leerlingenvervoer toegekend en dit is vastgesteld in een vaststellingsovereenkomst. De basisschool, het Vlaamse Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en de psycholoog [naam psycholoog] (hierna: [naam psycholoog] ) vonden het in het belang van [naam zoon] om hem een jaar eerder te laten doorstromen naar het vervolgonderwijs. Eiseres heeft op verschillende Nederlandse scholen in Limburg gesprekken gevoerd, maar deze scholen waren volgens eiseres niet passend voor [naam zoon] . Volgens eiseres is na overleg met [naam psycholoog] en het CLB besloten dat een school voor speciaal voortgezet onderwijs (SVO) beter aansluit bij [naam zoon] . De school het Kindsheid Jesu in Hasselt werd geschikt geacht, omdat daar een speciale afdeling BuSO Kids is waar [naam zoon] Opleidingsvorm 4 (OV4) kon volgen. Daarin wordt het programma van het secundaire onderwijs gegeven maar dan met doelstellingen en ondersteuning aangepast aan de problematiek van de jongeren. BuSO Kids beschikt over expertise rondom jongeren met ASS problematiek. Daarnaast verblijft [naam zoon] drie nachten (maandag, dinsdag en donderdag) op het internaat, waarvan de school onderdeel uitmaakt. De woensdagnacht kan hij eventueel ook blijven. In Nederland is de dichtstbijzijnde school het Pleincollege Helder in Eindhoven, maar de reistijd is langer dan naar de school in Hasselt en deze school heeft geen internaat.

2.1.

Eiseres heeft eerder voor het schooljaar 2019/2020 een aanvraag gedaan voor een vergoeding vervoerskosten naar de school in Hasselt. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van 9 juli 2019. Het door eiseres hiertegen gemaakte bezwaar is door verweerder op 24 maart 2020 ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is op 25 juni 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van beroep niet tijdig kenbaar gemaakt zijn2. Eiseres heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Het verzet is bij uitspraak van 3 december 2020 ongegrond verklaard 3.

2.2.

De onderhavige aanvraag voor het schooljaar 2020/2021, die verweerder op 4 augustus 2020 heeft ontvangen, heeft verweerder afgewezen.

Wat was de reden voor de afwijzing?

3. De aanvraag is afgewezen omdat op grond van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Beekdaelen 2019 (de Verordening) en de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) in principe geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school in het buitenland. Gewezen wordt op de uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 20164. Subsidiair is overwogen dat niet gebleken is dat er voor [naam zoon] geen dichtstbijzijnde toegankelijke school in Nederland is. Verklaringen van scholen of het samenwerkingsverband zijn niet overgelegd. Voorts kan op grond van artikel 17 van de Verordening alleen een vervoersvoorziening worden verstrekt indien een medische indicatie aanwezig is. Gelet op het feit dat de school in België ligt en evenmin kan worden aangemerkt als de dichtstbijzijnde toegankelijke school is van een medische beoordeling afgezien. Tot slot wordt de inzet van de hardheidsclausule niet passend geacht omdat de situatie niet afwijkt van andere ouders die om hun moverende redenen een school kiezen die niet de dichtstbijzijnde school is en ook geen vergoeding krijgen.

4. De gronden waarom eiseres het niet eens is met het besluit worden hieronder besproken.

Het oordeel van de rechtbank

Is de vervoersvoorziening enkel voor scholen in Nederland?

5. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of de vervoersvoorziening enkel en alleen geldt voor vervoer van en naar scholen in Nederland. Eiseres stelt dat zij dit niet zo in de Verordening leest. Verweerder stelt dat dit blijkt uit de WVO.

6. De rechtbank overweegt dat de Nederlandse onderwijswetgeving het leerlingenvervoer van leerlingen naar scholen in Nederland regelt. Uit kamerstukken volgt dat de territoriale reikwijde van de onderwijswetgeving beperkt is tot het Nederlands grondgebied5. Dit betekent dat de vervoersvergoeding zoals opgenomen in artikel 4, eerste lid, van de WVO alleen ziet op scholen in Nederland en niet op, zoals in het onderhavige geval, een school in België. Op grond van de WVO stelt de gemeenteraad vervolgens een nadere regeling vast, in dit geval de Verordening. De gemeenteraad kan in de regeling bepalen dat in bijzondere gevallen wordt afgeweken van de inhoud van de regeling. De rechtbank stelt vast dat in de Verordening niet is opgenomen dat vervoerskosten naar een school in België in aanmerking komen voor bekostiging. Gelet hierop biedt de Nederlandse onderwijswetgeving, noch de Verordening grondslag voor de gevraagde bekostiging van de vervoerskosten naar de school in Hasselt. Dit heeft de rechtbank eerder overwogen in de voornoemde uitspraak van 2 juni 2016, die ook betrekking had op [naam zoon] en waar verweerder naar heeft verwezen. Deze uitspraak zag weliswaar op vervoer van [naam zoon] naar de basisschool in België, maar de wet- en regelgeving voor het basisonderwijs en/of en voortgezet onderwijs is op dit specifieke onderdeel gelijk.

7. Nu de WVO noch de Verordening de mogelijkheid kent van bekostiging van leerlingenvervoer naar scholen in het buitenland, komt de rechtbank niet meer toe aan beoordeling van de vraag of de huidige school in België de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor [naam zoon] is (het subsidiaire standpunt van verweerder).

Kon verweerder in redelijkheid besluiten de hardheidsclausule niet toe te passen?

8. Eiseres begrijpt niet waarom de hardheidsclausule niet van toepassing wordt verklaard. In dit soort bijzondere zaken heeft verweerder juist een onderzoeksplicht. Bovendien is de situatie van [naam zoon] wel degelijk afwijkend. Er is sprake van een alleenstaande moeder met gezondheidsproblemen, [naam zoon] heeft ASS en hoogbegaafdheid. Verder is er een indicatie voor Belgisch speciaal onderwijs na een roerige basisschoolperiode. Aangetoond is dat de school in Hasselt de dichtstbijzijnde toegankelijke school met passend onderwijs voor [naam zoon] is.

9. Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat er geen toepassing aan de hardheidsclausule dient te worden gegeven nu het vervoerskosten naar het buitenland betreft en de Verordening daarom niet van toepassing is.

Subsidiair meent verweerder dat de inzet van de hardheidsclausule voor de aanvraag niet passend is. De situatie wijkt niet af van andere ouders die om hun moverende redenen een school kiezen die niet de dichtstbijzijnde school is. Ook die andere ouders krijgen geen leerlingenvervoer toegekend. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat aan eiseres een schikkingsvoorstel is gedaan om de fictieve vervoerskosten te vergoeden naar een school in Geleen of Sittard tweemaal per dag en vijf dagen per week. Daarmee zouden de werkelijk gemaakte kosten ruimschoots gecompenseerd worden nu hij zelf maar twee of maximaal vier keer per week naar Hasselt reist omdat hij daar in een internaat verblijft. Verweerder heeft daarbij wel als voorwaarde gesteld dat [naam zoon] dan ieder jaar door een arts gekeurd zou moeten worden om te bepalen of hij niet in staat is om met het openbaar vervoer te reizen. Daarmee wijst verweerder impliciet op de artikelen 18 en 19 van de Verordening. Eiseres is niet met dit voorstel akkoord gegaan omdat zij een jaarlijks medisch onderzoek te belastend acht voor [naam zoon] .

10. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerders primaire standpunt dat de hardheidsclausule niet van toepassing is, niet gevolgd kan worden. Dat zou immers betekenen dat de hardheidsclausule een lege huls zou zijn, terwijl de hardheidsclausule juist kan voorzien in de situaties die niet in de Verordening zijn geregeld.

11. Nu toepassing van de hardheidsclausule een bevoegdheid is van verweerder dient de rechtbank de weigering tot toepassing, alsmede de motivering hiervan, terughoudend te toetsen6. De rechtbank overweegt voorts dat de hardheidsclausule tot doel heeft onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de Verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing van de hardheidsclausule is niet aan enige beperking gebonden, waarbij rekening kan worden gehouden met alle feiten en omstandigheden.

11.1.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder in redelijkheid kon besluiten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd dat de situatie van [naam zoon] niet anders is gebleken dan van andere kinderen met gelijksoortige beperkingen. Van een onbillijkheid van overwegende aard is niet gebleken. Daarbij mocht verweerder zich ook op het standpunt stellen dat eiseres weliswaar heeft gesteld dat zij contact heeft gehad met verschillende Nederlandse scholen en dat zij hebben aangegeven dat zij [naam zoon] geen passend onderwijs kunnen bieden, maar dat zij geen enkel document heeft overgelegd dat haar standpunt onderbouwt. Dat verweerder op dit punt een onderzoeksplicht heeft, volgt de rechtbank niet. Het is aan eiseres om haar standpunt te onderbouwen dat de dichtstbijzijnde toegankelijke school niet passend zou zijn voor [naam zoon] . Verweerder heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat hij in het kader van de hardheidsclausule, juist gelet op het feit dat [naam zoon] ook in Hasselt op het internaat zit, getracht heeft maatwerk te leveren en mee te denken met de situatie van [naam zoon] en hem op basis daarvan een vergoeding toe te kennen voor het traject dat hij anders vijf dagen per week zou afleggen naar de mogelijk dichtstbijzijnde toegankelijke school in Geleen of Sittard. Dat [naam zoon] dan jaarlijks een medische controle zou moeten ondergaan – omdat dit een voorwaarde is die in de Verordening is opgenomen en daarmee geldt voor alle aanvragen en niet alleen voor [naam zoon] – acht de rechtbank geen onacceptabele voorwaarde. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de medische controle acceptabel is nu [naam zoon] nog in de groei en ontwikkeling is en niet uitgesloten kan worden dat zijn situatie zou kunnen veranderen gedurende de periode van het voortgezet onderwijs. Het standpunt van eiseres dat toepassing van de hardheidsclausule moet zien op een volledige vergoeding van het leerlingenvervoer naar de school in België voor de volledige duur van het voorgezet onderwijs zonder tussentijdse medische beoordeling, kan dan ook niet slagen.

11.2.

Omdat de uiteindelijke motivering van verweerder pas ter zitting deugdelijk is geworden, is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het motiveringsbeginsel slaagt. Dit motiveringsgebrek kan naar het oordeel van de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat niet aannemelijk is dat eiseres door dat gebrek is benadeeld. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat verweerder, nu er sprake was van een direct beroep, de mogelijkheid van een onderbouwing in bezwaar is onthouden.

Is er sprake van strijd met algemene beginselen behoorlijk bestuur en/of Europese regelgeving?

12. Eiseres meent voorts dat er sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij meent dat het besluit niet zorgvuldig is genomen en in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Voor de basisschool in België is er wel steeds leerlingenvervoer vergoed en er is ook een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt voor het internaat in België. De gemeente vergoedt ook het vervoer van vluchtelingen/statushouders om Nederlandse taalles te volgen in Maasmechelen te België. Voorts heeft er geen juiste belangenafweging plaatsgevonden.

12.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Van strijd met het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel is evenmin sprake. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden voldaan aan drie voorwaarden7. Allereerst moet het gaan om een toezegging of een uitlating die de burger mag opvatten als een toezegging. Ten tweede moet de toezegging of uitlating zijn gedaan door het bestuursorgaan zelf, of door een persoon van wie de burger redelijkerwijs mocht aannemen dat die de huidige opvattingen van het bevoegde bestuursorgaan weergaf. Als derde stap moet een afweging worden gemaakt tussen de belangen van de persoon aan wie de toezegging is gedaan, de belangen van derden (zoals omwonende of concurrenten) en de belangen van de samenleving. De tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst ziet op de vergoeding van leerlingenvervoer naar de basisschool van [naam zoon] in Rekem (België). Uit de vaststellingsovereenkomst kunnen, zoals verweerder terecht stelt, geen rechten voor de toekomst ontleend worden. Ten aanzien van de vergoeding van de kosten voor het internaat op basis van het pgb is de rechtbank van oordeel dat deze vergoeding is toegekend op basis van andere wet- en regelgeving. Hier kan eiseres dan ook geen rechten aan ontlenen voor de beoordeling van het recht op leerlingenvervoer. Ditzelfde geldt voor het vervoer van vreemdelingen naar een taalles in België.

13. Ten aanzien van de beroepsgrond dat het besluit in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), het rapport van de Kinderombudsman van 29 augustus 2019 en met Europese regelgeving, zoals de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 10 juli 2001 (2001/613/EG) en de artikelen 14 en 24 van het EU-Handvest voor de grondrechten en tot slot het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank dient te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven8. De rechtbank overweegt dat de besluitvorming van verweerder niet betekent dat [naam zoon] naar een andere school moet en laat eiseres nog steeds de vrije keuze om [naam zoon] onderwijs te laten volgen in België. Verweerder is dan echter niet gehouden om het vervoer naar deze school te bekostigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind, nu niet aannemelijk is dat er in Nederland geen toegankelijke school is voor [naam zoon] . Bekostiging van leerlingenvervoer vindt in alle gevallen slechts plaats als het gaat om leerlingenvervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. De criteria die daarbij gelden zijn gelijk voor iedereen die zich in dezelfde situatie bevindt. Bovendien heeft verweerder aangegeven fictieve kosten naar een mogelijk dichtstbijzijnde school in Nederland te vergoeden. Van strijd met internationale verdragen, Europese wet- en regelgeving en het rapport van de Kinderombudsman is dan ook geen sprake.

Conclusie

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar de school in Hasselt. Het beroep is daarom ongegrond.

15. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het griffierecht en de proceskosten vergoedt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van €748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiseres te vergoeden;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock (voorzitter), en mr. D.J.E. Hamers-Aerts en mr. N.J.J. Derks-Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 december 2021

Rechtsmiddel

BIJLAGE