Home

Rechtbank Limburg, 23-02-2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1541, C/03/287961 / HA ZA 21-60

Rechtbank Limburg, 23-02-2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1541, C/03/287961 / HA ZA 21-60

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23 februari 2022
Datum publicatie
11 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2022:1541
Zaaknummer
C/03/287961 / HA ZA 21-60

Inhoudsindicatie

Vordering tot heraanbesteding subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Eiseres is de huidige contractspartij van de gemeente, die niet heeft ingeschreven op de aanbesteding voor de opvolgende periode, Beslissing gebaseerd op antwoorden van de gemeente naar aanleiding van vragen van derden, een en ander in de nota’s van inlichtingen. Vordering tot vernietiging niet toewijsbaar nu niet ook de nieuwe contractspartij van de gemeente is gedagvaard. Ook subsidiaire vordering niet toewijsbaar: geen onrechtmatigheid (eiseres had zelf op haar eigen situatie toegespitste vragen moeten stellen alvorens te beslissen om al dan niet in te schrijven); ook schade en causaal verband onvoldoende onderbouwd.

Uitspraak

vonnis

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/287961 / HA ZA 21-60

Vonnis van 23 februari 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. D.E.M.P.J. Reijnart;

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LEUDAL,

zetelend te Heythuysen, gemeente Leudal

gedaagde,

advocaat mr. T.J. Binder.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente Leudal genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding met producties 1 t/m 11;

-

de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4;

-

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 15 december 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente Leudal heeft op 11 maart 2020 op basis van een “Europese aanbesteding leerlingen- & jeugdwetvervoer Leudal 2020-2025” (hierna: de aanbesteding) het leerlingenvervoer en het niet-gecontracteerd vervoer in het kader van de Jeugdwet, van de gemeente Leudal aanbesteed.

2.2.

In de bij de aanbesteding horende leidraad worden in 4.14.1 onder het kopje “Chauffeurseisen” eisen gesteld aan de door de opdrachtnemer in te zetten chauffeurs. De in het kader van het onderhavige geschil relevante eis (hierna te noemen: de chauffeurseis) luidt als volgt:

“Voor elke in te zetten chauffeur geldt dat hij/zij:

(...)

bij aanvang van de Opdracht in het bezit is van de erkende 2 diploma’s sociale vaardigheden taxichauffeur en het diploma Taxi doelgroepenvervoer van CBR; (...)”

2.3.

Omdat het voor een (potentiële) inschrijver op grond van de uitgebroken coronapandemie onmogelijk leek aan de chauffeurseis te kunnen voldoen, heeft deze in de bij de aanbesteding behorende Nota van Inlichtingen 1 de volgende vraag aan de gemeente Leudal gesteld: “Wij hebben recentelijk het bericht ontvangen van CBR dat alle examens en cursussen zijn opgeschort. Voorlopig is de termijn van 31 maart bekend, echter gezien de huidige situatie is het aannemelijk dat deze termijn verlengd wordt. Bent u bereid deze eis te schrappen?”

De gemeente Leudal heeft daarop geantwoord: “Nee, de opdrachtgever is daar niet toe bereid”.

2.4.

Verder heeft een (potentiële) inschrijver in de Nota van Inlichtingen 1 de volgende vraag gesteld: “U geeft aan dat chauffeurs bij aanvang van de Opdracht in het bezit dienen te zijn van de erkende 2 diploma’s sociale vaardigheden taxichauffeur én het diploma Taxi doelgroepenvervoer van CBR. Het CBR heeft te maken met grote achterstand in de examens waardoor deze werving en opleiding vertraging oploopt. Kunt u ermee akkoord gaan dat chauffeurs dit diploma binnen 6 maanden na indiensttreding behaalt dient te worden.”De gemeente Leudal heeft daarop het volgende geantwoord: “Opdrachtgever is vanwege de achterstand en de huidige onzekerheid akkoord dat de chauffeurs beide diploma’s binnen 6 maanden na indiensttreding hebben behaald.”

2.5.

In de Nota van Inlichtingen 2 heeft een (potentiële) inschrijver een tweetal aanvullende vragen gesteld, te weten: “a. De antwoorden op vraag 12 en 52 spreken elkaar tegen. Wij gaan uit van uw antwoord op vraag 52. Kunt u dit bevestigen?” en “b. De opleidingen Doelgroepenvervoer wordt tevens verzorgd door TX-Keur. De eindtermen die CBR hanteert, zijn officieel gepubliceerd. Op dit moment neemt het CBR geen examens af. Om te zorgen dat chauffeurs toch over de benodigde opleiding beschikken verzoekt inschrijver u om het toe te staan dat inschrijven de opleiding aanpast naar de eindtermen van het CBR. Gaat u hiermee akkoord?”De gemeente Leudal heeft daarop het volgende geantwoord: “Nee, het CBR examen blijft de eis. Wel is de opdrachtgever bereid mee te denken in de huidige situatie waar mogelijk geen of onvoldoende examencapaciteit kan worden geleverd door het CBR.”

2.6.

[eiseres] heeft kennis genomen van de in de rov. 2.3.-2.5. weergegeven vragen en antwoorden en heeft vervolgens niet ingeschreven op de aanbesteding.

2.7.

De aanbestede opdracht is uiteindelijk op 12 juli 2020 gegund aan [naam bv] te [vestigingsplaats 2] .

2.8.

Op 3 november 2020 heeft [eiseres] bij brief de gemeente Leudal verzocht om de met [naam bv] gesloten overeenkomst te beëindigen, omdat de gemeente Leudal volgens [eiseres] met het sluiten van die overeenkomst is afgeweken van de in de Aanbestedingsleidraad gestelde eisen. Volgens [eiseres] konden de chauffeurs die [naam bv] inzet immers niet voldoen aan de chauffeurseis, omdat het niet mogelijk is de benodigde examens en cursussen, zoals deze zijn opgenomen in artikel 4.14.1 van de Aanbestedingsleidraad bij het CBR te behalen.

2.9.

In een reactie van 24 november 2020 (productie 8 bij de dagvaarding) heeft de gemeente Leudal gesteld dat zij de gegunde overheidsopdracht niet heeft gewijzigd, maar dat ook ten aanzien van [naam bv] geldt dat haar chauffeurs binnen zes maanden na indiensttreding aan de chauffeurseis dienen te voldoen aan de chauffeurseis en dat de gemeente Leudal bereid is om mee te denken indien het CBR onverhoopt geen, of onvoldoende examencapaciteit kan leveren. Concluderend stelt de gemeente Leudal dat zij geen gehoor zal geven aan de sommatie van [eiseres] om een nieuwe aanbesteding te organiseren.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] stelt dat zij niet heeft ingeschreven op de aanbesteding, omdat het voor haar vrijwel onmogelijk was om binnen de daarvoor gestelde termijn aan de chauffeurseis te voldoen, nu het CBR geen examens afnam en de examens gedurende een behoorlijke tijd ook niet meer werden afgenomen. Op grond daarvan was het haar niet mogelijk om de door haar in te zetten chauffeurs, die allen reeds in dienst waren bij haar, in te zetten als chauffeurs bij een eventuele gunning van de aanbesteding. Het eventuele uitstel zou volgens [eiseres] immers enkel gelden voor “nieuwe” chauffeurs, zes maanden na hun indienstreding, maar [eiseres] was niet in de positie om nieuwe chauffeurs aan te trekken.

3.2.

Volgens [eiseres] is het de vraag hoe [naam bv] aan de chauffeurseis heeft kunnen voldoen, gelet op het feit dat het CBR al geruime tijd geen examens heeft afgenomen waarmee het volgens de chauffeurseis voorgeschreven diploma kan verkrijgen, noch voorzienbaar is dat dit op korte termijn wel kan. Dat leidt volgens [eiseres] tot de conclusie dat [naam bv] niet voldoet aan de chauffeurseis en dat op grond daarvan sprake is van een wezenlijke, ongeoorloofde wijziging van de aanbesteding.

3.3.

Volgens [eiseres] volgt uit de Nota van Inlichtingen 1 en 2 dat voor chauffeurs die vóór de gunning, althans vóór het sluiten van de overeenkomst al in dienst waren bij [naam bv] het door de gemeente Leudal verleende uitstel van zes maanden voor het voldoen aan de chauffeurseis niet geldt. Enkel voor de nieuwe door [naam bv] aangenomen chauffeurs, de zogenaamde “indiensttreders” kan volgens [eiseres] sprake zijn van een verleend uitstel. Omdat de uiteindelijke overeenkomst in augustus 2020 is gesloten, volgt daar volgens [eiseres] uit dat de nieuwe medewerkers op grond van het toegestane uitstel van zes maanden in ieder geval per augustus 2020 in dienst zijn getreden.

3.4.

Omdat, mede gelet op het feit dat het CBR per 15 december 2020 geen theorie- of praktijkexamens meer heeft afgenomen, en het door de gemeente Leudal verleende uitstel om te voldoen aan de chauffeurseis medio februari 2021 verloopt, en vaststaat dat [naam bv] tot op heden niet aan de chauffeurseis heeft kunnen voldoen en dat vóór het verstrijken van de termijn van het uitstel ook niet meer mogelijk zal zijn, wordt door [naam bv] ook niet voldaan aan de chauffeurseis.

3.5.

Nu de door de gemeente Leudal gestelde eisen niet (voldoende) kunnen worden gehandhaafd, dient de gewijzigde overeenkomst te worden aangemerkt als een nieuwe, aanbestedingsplichtige, opdracht. Daar de door de gemeente Leudal in de aanbesteding gestelde eisen tijdens de uitvoering van de opdracht niet worden gehandhaafd, handelt de gemeente Leudal volgens [eiseres] in strijd met de beginselen van gelijke behandeling.

3.6.

Aangezien geen sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in de artikelen 2.163b tot en met 2.163g Aanbestedingswet, is de door de gemeente Leudal gesloten overeenkomst met [naam bv] op grond van artikel 4.15 Aanbestedingswet vernietigbaar.

3.7.

[eiseres] stelt zich daarnaast op het standpunt dat de gemeente Leudal ook in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 1.8 Aanbestedingswet, omdat de gemeente Leudal aan [naam bv] naast het in de aanbestedingsstukken gecommuniceerde uitstel van maximaal zes maanden een aanvullend uitstel heeft verleend.

3.8.

De gemeente Leudal heeft volgens [eiseres] enkel “nieuwe” chauffeurs in de gelegenheid gesteld om binnen zes maanden de in de chauffeurseis bedoelde diploma’s te behalen. Omdat de examens door CBR gedurende de aanbestedingsprocedure niet werden aangeboden voor de (reeds bij de inschrijver werkzame) chauffeurs in het algemeen, was een uitstel van zes maanden voor de reeds in dienst zijnde chauffeurs op zijn plaats geweest en zou dat volgens [eiseres] hebben gezorgd voor gelijke kansen. Aldus wordt het volgens [eiseres] voor de aanbesteding doorslaggevend of de inschrijver met bestaande of nieuwe chauffeurs gaat werken, waardoor er gelijke kansen aan potentiële inschrijvers worden geboden.

3.9.

De gemeente Leudal heeft volgens [eiseres] ook gehandeld in strijd met het proportionaliteitsbeginsel van artikel 1.10 en 1.13 Aanbestedingswet, door het stellen van de chauffeurseis. Chauffeurs die al vóór de gunning van de opdracht bij de (potentiële) inschrijver in dienst waren kunnen niet aan de chauffeurseis voldoen. Het aannemen van nieuwe chauffeurs is niet voor iedere (potentiële) inschrijver een haalbare eis. De geschiktheidseisen zijn door de gemeente Leudal zodanig beperkt, dat slechts een aantal inschrijvende partijen aan deze onredelijke eis kunnen voldoen. De geschiktheidseisen staan daarmee niet in een redelijke verhouding tot de aard van de opdracht. Inschrijvers worden gedwongen om enkel met nieuwe chauffeurs te werken, terwijl juist de kennis, kunde en ervaring van bestaande en reeds lang in het personenvervoer werkzame chauffeurs bij dergelijk vervoer in het kader van de Jeugdwet van belang is en daadwerkelijk toegevoegde waarde heeft.

3.10.

[eiseres] stelt dat indien door de gemeente Leudal op een juiste en heldere wijze zou zijn aanbesteed en de chauffeurseis niet als een zodanige eis zou hebben gegolden, zij zou hebben ingeschreven op de aanbesteding en dat haar de aanbestede opdracht zou zijn gegund. Zij is immers marktleider op het gebied van het leerlingen- en jeugdvervoer in de provincie Limburg. Omdat zij aan alle (overige) eis van de aanbesteding zou kunnen voldoen, zou zij bij een correcte aanbesteding de inschrijver zijn geweest aan wie de opdracht uiteindelijk zou zijn gegund, dan wel had zij een grote kans gehad dat dat zou zijn gebeurd.

3.11.

De schade die zij heeft geleden, wordt door [eiseres] gesteld op het positieve contractsbelang.

3.12.

[eiseres] vordert op grond van het vorenstaande dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. de tussen de gemeente Leudal en Vervoersservice Van Driel B.V. gesloten overeenkomst vernietigt en de de gemeente Leudal gebiedt per direct over te gaan tot een Europese (her)aanbesteding van de aanbesteding van het leerlingenvervoer en het niet-gecontracteerd vervoer in het kader van de Jeugdwet van de de gemeente Leudal, alsmede de de gemeente Leudal veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding aan Taxi, Touringcar- en Autoverhuurbedrijf [eiseres] ter hoogte van € 25.000,--, met verwijzing van de onderhavige procedure naar de schadestaatprocedure;

Subsidiair

II. voor recht verklaart dat de gemeente Leudal jegens [eiseres] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de door haar geleden schade;

III. de gemeente Leudal veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding aan [eiseres] ter hoogte van € 25.000,--, met verwijzing van de onderhavige procedure naar de schadestaatprocedure;

zowel primair als subsidiair

IV. de gemeente Leudal veroordeelt in de proces- en nakosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening, althans betekening van het in dezen te wijzen vonnis, met bepaling dat indien de de gemeente Leudal het bedrag aan proces- en nakosten niet heeft voldaan binnen deze termijn, vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd is, zulks tot aan de dag der algehele voldoening.

3.13.

De gemeente Leudal voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing