Rechtbank Limburg, 21-06-2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:4990, C/03/305317 FT RK 22/177
Rechtbank Limburg, 21-06-2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:4990, C/03/305317 FT RK 22/177
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 21 juni 2022
- Datum publicatie
- 1 juli 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2022:4990
- Zaaknummer
- C/03/305317 FT RK 22/177
Inhoudsindicatie
Beantwoording van een aspectenverzoek ex artikel 378 Fw ten aanzien van artikel 384 lid 4 onder b Fw.
Uitspraak
beschikking
Team Toezicht
Zaaks-/rekestnummer C/03/305317 FT RK 22/177
Beschikking op het verzoekschrift ex artikel 378 Faillissementswet (Fw) van:
de vennootschap onder firma
[verzoekster sub 1] .
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna ook: ‘de VOF’,
alsmede haar beide vennoten
[verzoeker sub 2] ,
en
[verzoekster sub 3] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. F.H.I. Hundscheid, kantoorhoudende te Sittard.
Door verzoekers zijn als belanghebbenden geduid:
gevestigd te Maastricht,
hierna ook: ‘de Belastingdienst’,
woonplaats gekozen hebbend te Eindhoven,
gevestigd te Rotterdam,
gevestigd te Roermond.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift van 18 mei 2022 met bijlagen, ter griffie ontvangen op 19 mei 2022,
- -
-
het schrijven van de rechtbank aan verzoekers van 24 mei 2022 ,
- -
-
de e-mail van mr. Hundscheid voornoemd van 30 mei 2022,
- -
-
de e-mail van de rechtbank aan verzoekers van 31 mei 2022,
- de e-mail van de Belastingdienst van 3 juni 2022,
- de zienswijze van de Belastingdienst van 8 juni 2022,
- de e-mail van mr. Hundscheid van 10 juni 2022.
De rechtbank heeft bepaald dat verzoekers voormelde belanghebbenden op grond van artikel 378 lid 8 Fw dienen te wijzen op de mogelijkheid een zienswijze te geven en om deel te nemen aan de mondelinge behandeling. Verzoekers hebben verklaard dat te hebben gedaan en dit ook onderbouwd met stukken (e-mailwisseling met genoemde belanghebbenden).
Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank Limburg via een videoverbinding op 10 juni 2022. Daarbij zijn verschenen:
- namens verzoekers: mr. Hundscheid,
- namens de Belastingdienst: mr. E.C. Pieters en mr. J. Bremer.
2 De relevante feiten
Door verzoekers is op 5 juli 2021 een startverklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd bij deze rechtbank. De VOF exploiteert een slagerij. Namens de VOF zijn haar schuldeisers benaderd voor overleg over het saneren van haar schulden middels een akkoord dat op de voet van artikel 384 Fw zou moeten worden gehomologeerd. De schuldeisers van de VOF zijn in dat kader door verzoekers ingedeeld in klassen als bedoeld in artikel 374 Fw. De Belastingdienst is als enige preferente schuldeiser in een eigen klasse ingedeeld. De overige belanghebbenden zijn als zogenoemde niet-MKB crediteuren samen in een andere klasse ingedeeld. De derde en laatste klasse betreft de MKB crediteuren.
Gedurende het overleg over een akkoord met de schuldeisers hebben verzoekers schuldeiser Interpolis, zijnde één van de vier schuldeisers die in de klasse ‘niet MKB crediteuren’ was ingedeeld, volledig betaald. Nadat zij daarvan op de hoogte is gesteld, heeft de Belastingdienst aan verzoekers kenbaar gemaakt niet langer in te stemmen met het eerder aan hem voorgehouden aanbod. De Belastingdienst heeft aangekondigd enkel akkoord te gaan als de aan hem te betalen som wordt verhoogd met het bedrag dat Interpolis méér heeft ontvangen dan de andere niet MKB crediteuren onder het akkoord zullen ontvangen.
3 Het verzoek en de onderbouwing daarvan
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zij, als gevolg van het geschilpunt met de Belastingdienst, niet in staat zijn om een akkoord ter homologatie voor te leggen. Daarom wenden zij zich op grond van artikel 378 Fw tot de rechtbank met het verzoek om een uitspraak te doen over:
- de vraag of Interpolis al dan niet te beschouwen is als een dwangcrediteur,
- de gevolgen van dit oordeel voor de uitkering aan de Belastingdienst en de niet MKB crediteuren,
althans een zodanige beslissing te geven als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
Ter onderbouwing van het verzoek en hun standpunt voeren verzoekers het volgende aan.
Interpolis is de actieve verzekeraar van de VOF en daarom aan te merken als dwangcrediteur. Het achterwege laten van volledige betaling van deze schuldeiser zou immers leiden tot royement van de verzekering. Dat was al aangekondigd door de contactpersoon van verzoekers bij Interpolis. Een royement van de verzekering zou betekenen dat de VOF niet zou worden geaccepteerd door een andere verzekeraar. Zonder verzekering zou voortzetting van de door de VOF gevoerde onderneming niet meer mogelijk zijn geweest.
Het volgen van het standpunt van de Belastingdienst leidt er toe dat de paritas creditorum wordt doorbroken omdat de Belastingdienst met de geëiste extra betaling binnen het voorgenomen aanbod percentueel meer dan het dubbele krijgt dan de klasse van de niet MBK crediteuren. Ook bevreemdt de houding van de Belastingdienst verzoekers, gelet op de brief van 11 oktober 2021 van de staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer. Daarin wordt gemeld dat in het tijdvak van 1 augustus 2022 tot en met 30 september 2023 door de Belastingdienst akkoord zal worden gegaan met hetzelfde percentage als concurrente crediteuren ontvangen.
Het standpunt van de Belastingdienst kan als volgt worden samengevat.
Verzoekers hebben Interpolis ten onrechte als dwangcrediteur aangemerkt. Niet kan worden aangenomen dat een royement van de verzekering aanstaande was. Als dat wel zou zijn gebeurd, zou de VOF zich bovendien bij een ander hebben kunnen verzekeren, zij het wellicht tegen een hogere premie. Van het risico van onverzekerd blijven is dan ook niet gebleken. Omdat Interpolis geen dwangcrediteur was, geldt de volledige betaling van de vordering van Interpolis als een niet acceptabele bevoordeling van een concurrente schuldeiser.
Daarbij komt dat de WHOA door de wetgever als instrument is bedacht om een oplossing te bieden aan ondernemingen met financiële problemen. Als schuldenaren na gedeeltelijke betaling op basis van een gehomologeerd akkoord vervolgens als wanbetaler worden aangemerkt en daarom worden uitgesloten van noodzakelijke diensten, komt een ondernemer alsnog niet uit zijn moeilijke positie.
Mocht het standpunt van verzoekers worden gevolgd dan zouden verzekeraars altijd een meer dan preferente positie in WHOA-akkoorden hebben.
De Belastingdienst onthoudt daarom zijn akkoord aan het aanbod, tenzij de aan de hem te betalen som wordt verhoogd met het bedrag dat Interpolis méér heeft ontvangen dan de andere niet MKB crediteuren onder het akkoord zullen ontvangen. Dat is niet in strijd met de paritas creditorum. Het is juist de VOF die daarmee in strijd heeft gehandeld door een concurrente schuldeiser volledig te betalen en daarmee de positie van de Belastingdienst als preferente crediteur niet te respecteren. In de situatie dat Interpolis hetzelfde zou ontvangen als de andere concurrente niet-MKB crediteuren, zou de Belastingdienst akkoord zijn gegaan met een uitkering ter hoogte van het dubbele percentage.
De verwijzing van verzoekers naar het beleid dat ingaat op 1 augustus 2022 is niet relevant alleen al nu het voorstel van verzoekers voordien is gedaan.
De overige belanghebbenden zijn niet ter zitting verschenen en hebben ook niet op andere wijze hun zienswijze kenbaar gemaakt.