Rechtbank Limburg, 18-01-2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:389, C/03/303668 / HA ZA 22-163
Rechtbank Limburg, 18-01-2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:389, C/03/303668 / HA ZA 22-163
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 18 januari 2023
- Datum publicatie
- 13 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2023:389
- Formele relaties
- Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:7400
- Zaaknummer
- C/03/303668 / HA ZA 22-163
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Misbruik van identiteitsverschil, vereenzelviging (Hoge Raad van 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480 (Rainbow) of frustratie van verhaal door verhanging van activa en bedrijfsactiviteiten van BV naar vof (HR 8 december 2006, ECLI:NL:2006:LJN AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen))?
Geen sprake van misbruik van identiteitsverschil, beroep op vereenzelviging afgewezen nu aan de stellingen van eiseres niet een vereenzelviging van rechtssubjecten (natuurlijke personen en/of rechtspersonen) maar een vereenzelviging van ondernemingen ten grondslag ligt, een rechtsfiguur waarvoor het vigerende recht geen steun biedt (vgl. Hoge Raad 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1865 (Roco/De Staat)).
Bewijslastverdeling: De rechtbank is van oordeel dat de genoemde feiten en de timing daarvan – bij gebreke van een andere aannemelijke verklaring – wijzen in de richting van overheveling van de activiteiten en activa van de werkmaatschappij naar de vof met het oogmerk verhaal op de werkmaatschappij te voorkomen, waarvan de bestuurders van de werkmaatschappij in beginsel een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Onder deze omstandigheden ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van gedaagden als degenen die de volledige zeggenschap hadden over zowel de werkmaatschappij als de vof, om aannemelijk te maken dat bij het overhevelen van de activiteiten en activa van de werkmaatschappij naar de vof niet een oogmerk van benadeling voorop stond maar sprake was van een noodzakelijke herstructurering om faillissement van de onderneming te voorkomen. De rechtbank ziet in de genoemde omstandigheden dan ook reden om de door eiseres gestelde verhaalsfrustratie op voorhand bewezen te achten en om gedaagden toe te laten om dat vermoeden te ontkrachten door het leveren van tegenbewijs ter ontzenuwing daarvan (vgl. Hoge Raad van 3 april 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0564, Van Waning/Van der Vliet).
Uitspraak
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rolnummer: C/03/303668 / HA ZA 22-163
Vonnis van 18 januari 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap naar Duits recht
SCHLOSS LIESER GMBH & CO OHG,
gevestigd te Lieser (Duitsland),
eiseres,
advocaat: mr. J.A. Koster,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijfsnaam X] BEHEER B.V.,
gevestigd te Reuver,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 6] HOLDING B.V.,
gevestigd te Reuver,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 9] HOLDING B.V.,
gevestigd te Reuver,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 8] HOLDING B.V.,
gevestigd te Reuver,
5. de vennootschap onder firma
[bedrijfsnaam Y] V.O.F.,
gevestigd te Reuver,
6. [gedaagde sub 6],
wonende te [woonplaats] ,
7. [gedaagde sub 7],
wonende te [woonplaats] ,
8. [gedaagde sub 8],
wonende te [woonplaats] ,
9. [gedaagde sub 9],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. Y.J.P. Janssen.
Partijen worden hierna Schloss Lieser en [gedaagde] c.s. genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding;
- -
-
de conclusie van antwoord;
- -
-
de nagezonden producties 22-25 van Schloss Lieser;
- -
-
de nagezonden producties 15-18 van [gedaagde] c.s.;
- -
-
de mondelinge behandeling van 2 november 2022 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen van de advocaten van partijen.
Tot slot is vonnis bepaald.
2 De feiten
Schloss Lieser beheert een kasteel met de naam Schloss Lieser. Dit kasteel is gelegen in Duitsland, in het plaatsje Lieser, en doet dienst als hotel.
Schloss Lieser diende groot onderhoud en vernieuwing te plegen aan het dak en koper- en zinkwerk van het kasteel. Op 9 september 2009 hebben Schloss Lieser en [bedrijfsnaam Z] BV (hierna: de werkmaatschappij) in dit verband een (eerste) overeenkomst van aanneming van werk gesloten, waarna nog vier overeenkomsten volgden.
Na discussie over de uitgevoerde werkzaamheden en het verzenden van een brief d.d. 9 maart 2011 heeft Schloss Lieser de werkmaatschappij in Duitsland in rechte betrokken en schadevergoeding gevorderd wegens tekortkoming in de uitgevoerde werkzaamheden. Deze procedure is in 2012 aangevangen en er is op 17 december 2021 vonnis gewezen door het Landgericht Trier, waarbij de werkmaatschappij veroordeeld is tot betaling van een bedrag van € 486.462,34 aan Schloss Lieser.
Voornoemde brief van Schloss Lieser van 9 maart 2011 heeft, voor zover relevant, de volgende inhoud:
“(...)
Op woensdag 2 maart ben ik gearriveerd in Lieser.
Ik ben geschrokken van wat ik hier aantrof en wat ik gehoord heb.
(...)
Verder ben ik geattendeerd op het kleine koperen dak aan de achterzijde. De zaken die daar spelen om nog af te werken zijn jou bekend en ik ga er van uit dat deze de komende week afgewerkt worden. Het is werkelijk een schandaal zoals je dit oplevert (...).
(...)
We wijzen op de afspraken die gemaakt zijn in de door ons beiden ondertekende overeenkomsten welke duidelijke termijnen aangeven voor het werk.
Er is geen enkel argument te noemen waarom dat dit werk niet in die voortvarendheid is opgepakt, buiten laksheid van de firma [gedaagde] B.V..
Ik heb tot op heden, weliswaar met veel protest, zaken getolereerd maar zal dit vanaf heden niet meer doen.
Mochten er enige vertragingen ontstaan dan zal ik deze zaak verder uit handen geven aan onze adviseurs in Duitsland. Dit vanwege het feit dat wij met elkaar een verdrag hebben getekend onder de Duitse wetgeving.
Ik verzoek je dan ook per heden zelf contact op te nemen met een Duitse adviseur zodat je verzekert bent van goede rechtsbijstand, indien je een schrijven van onze architecten en adviseurs zult ontvangen.
Ga er nu maar van uit dat wij rechtsmaatregelen zullen nemen die ertoe zullen leiden dat de werkzaamheden tijdig en correct worden voldaan, met of zonder [gedaagde] .
Ik wijs je nogmaals op de contractuele afspraken.
(...)”
In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat op 18 maart 2011 met terugwerkende kracht – per 1 januari 2011 – de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam Y] v.o.f. (hierna: de vof, gedaagde sub 5) is ingeschreven in het handelsregister. Als datum oprichting van de vof is 1 januari 2011 geregistreerd. De activiteiten van de werkmaatschappij zijn per 1 januari 2011 feitelijk gestaakt, althans tot een minimum beperkt.
De vof en de werkmaatschappij zijn op hetzelfde adres gevestigd en gebruiken hetzelfde telefoonnummer, faxnummer, e-mailadres en website. Daarnaast is de statutaire doelomschrijving identiek. De natuurlijke personen die (middellijk) bestuurder zijn van de werkmaatschappij zijn bij oprichting tevens vennoot in de vof geworden.
Van de werkmaatschappij is [bedrijfsnaam X] Beheer BV (hierna: Beheer, gedaagde sub 1) enig bestuurder en aandeelhouder. Tot 11 december 2020 waren [gedaagde sub 9] Holding B.V., [gedaagde sub 6] Holding B.V. en [gedaagde sub 8] Holding B.V. de bestuurders en aandeelhouders van Beheer (hierna samen: de Holdings, gedaagden sub 2 tot en met 4). Per 11 december 2020 is [gedaagde sub 6] Holding B.V. als bestuurder van Beheer uitgeschreven.
Van [gedaagde sub 9] Holding B.V. is [gedaagde sub 9] (hierna: [gedaagde sub 9] , gedaagde sub 9) enig aandeelhouder en bestuurder. Van [gedaagde sub 6] Holding B.V. zijn [gedaagde sub 6] (hierna: [gedaagde sub 6] , gedaagde sub 6) en [gedaagde sub 7] (hierna: [gedaagde sub 7] , gedaagde sub 7) de bestuurders. [gedaagde sub 6] is enig aandeelhouder. Van [gedaagde sub 8] Holding B.V. is [gedaagde sub 8] (hierna: [gedaagde sub 8] , gedaagde sub 8) enig aandeelhouder en bestuurder.
Tot 31 december 2012 waren de werkmaatschappij, [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] de vennoten van de vof. Op 31 december 2012 is de werkmaatschappij als vennoot uitgeschreven. Op 31 december 2019 zijn [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] als vennoten uitgeschreven. Momenteel zijn dus [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] enig vennoten.
Ten tijde van de aanvang van de gerechtelijke procedure tussen Schloss Lieser en de werkmaatschappij waren [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] zowel de enig (middellijk) bestuurders van de werkmaatschappij, alsmede de vennoten van de vof.
3 Het geschil
Schloss Lieser vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] c.s. hoofdelijk, des de een betaalt de ander is bevrijd, althans ieder van [gedaagde] c.s. voor delen die de rechtbank in goede justitie bepaalt, te veroordelen om aan Schloss Lieser te voldoen het schadebedrag ad € 486.462,34, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie bepaalt, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2011, althans een door de rechtbank te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening;
II. [gedaagde] c.s. hoofdelijk, des de een betaalt de ander is bevrijd, althans ieder van [gedaagde] c.s. voor delen die de rechtbank in goede justitie bepaalt, te veroordelen aan Schloss Lieser te betalen de door Schloss Lieser gemaakte buitengerechtelijke incassokosten te begroten op € 4.207,00, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie bepaalt, te vermeerderen met wettelijk rente vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] c.s. hoofdelijk, des de een betaalt de ander is bevrijd, althans ieder van [gedaagde] c.s. voor delen die de rechtbank in goede justitie bepaalt, te veroordelen aan Schloss Lieser te betalen de proceskosten, beslagkosten, nakosten en de wettelijke rente daarover.
Schloss Lieser legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Vastgesteld is dat de werkmaatschappij onrechtmatig heeft gehandeld dan wel wanprestatie heeft gepleegd. Het Landgericht Trier heeft bij vonnis bepaald dat de werkmaatschappij een bedrag moet vergoeden van € 486.462,34. De werkmaatschappij biedt evenwel geen verhaal. Schloss Lieser vordert vergoeding van de door haar geleden schade van [gedaagde] c.s. Enerzijds is er sprake van bestuurdersaansprakelijkheid, op grond waarvan de (middellijk) bestuurders gehouden zijn de schade op persoonlijke titel te vergoeden. Anderzijds maakt de vof misbruik van identiteitsverschil, althans is er sprake van vereenzelviging, zodat de vof en haar vennoten op die grond schadeplichtig zijn. Nu de vennoten van de vof en de (middellijk) bestuurders dezelfde natuurlijke personen zijn, zijn zij via twee ‘routes’ aansprakelijk: via de werkmaatschappij en via de vof.
[gedaagde] c.s. voeren verweer. Benadeling van schuldeisers is nimmer hun oogmerk geweest. De werkmaatschappij verkeerde in financieel zwaar weer en stond onder bijzonder beheer van haar bancaire financier. De wijziging van de bedrijfsstructuur is enkel ingegeven met het doel om faillissement van de werkmaatschappij te voorkomen en een rendabele bedrijfsvoering te realiseren. Oftewel een (naar achteraf blijkt geslaagde) poging om de kans op bestaanszekerheid van de onderneming te vergroten.
Op hetgeen partijen hebben aangevoerd wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling teruggekomen.