Home

Rechtbank Limburg, 14-08-2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:10154, C/03/320026 / HA ZA 23-297

Rechtbank Limburg, 14-08-2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:10154, C/03/320026 / HA ZA 23-297

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14 augustus 2024
Datum publicatie
8 januari 2025
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2024:10154
Zaaknummer
C/03/320026 / HA ZA 23-297

Inhoudsindicatie

Partijen hebben de rechtbank in deze - bij wijze van proefprocedure aanhangig gemaakte - zaak in verband met het principiële zaaksoverstijgende karakter eenstemmig verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De zaak betreft een geschil over de vraag of de faillissementsboedel wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd is over het loon dat op grond van artikel 40 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) als boedelschuld wordt aangemerkt; dit in het bijzonder tegen de achtergrond van de zogenoemde loongarantieregeling die is opgenomen in Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet. Deze vraag is opgekomen naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad inzake X C.V. / Curatoren Paperlinx (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994). Tussenvonnis waarbij partijen in de gelegenheid worden gesteld zich over enkele punten uit te laten.

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/320026 / HA ZA 23-297

Vonnis van 14 augustus 2024

in de zaak van

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING FNV,

gevestigd te Utrecht,

eisende partij,

hierna te noemen: FNV,

advocaat: mr. H.C.S. van Deijk-Amzand,

tegen

MR. R.J.C. GEELEN,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [gedaagde] B.V.,

kantoorhoudende te Venlo,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Curator,

advocaat: mr. T.T. van Zanten.

1 Inleiding

1.1.

Deze zaak is aanhangig gemaakt bij wijze van proefprocedure. Partijen hebben de rechtbank eenstemmig verzocht om in deze zaak prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Dit in verband met het principiële zaaksoverstijgende karakter van de rechtsvragen die voorliggen in deze kwestie. In de kern heeft het geschil betrekking op de vraag of de faillissementsboedel wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd is over het loon dat op grond van artikel 40 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) als boedelschuld wordt aangemerkt. Dit in het bijzonder tegen de achtergrond van de zogenoemde loongarantieregeling die is opgenomen in Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet. Deze vraag is opgekomen naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad inzake X C.V. / Curatoren Paperlinx1.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 juni 2023, - de conclusie van antwoord.

2.2.

Oorspronkelijk stond er in deze zaak een mondelinge behandeling gepland op 8 februari 2024. Omdat beiden partijen in deze zaak de rechtbank hadden verzocht om de zaak zonder mondelinge behandeling af te doen, is deze mondelinge behandeling geannuleerd. Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat zij partijen mogelijk nog bij akte in de gelegenheid zal stellen om vragen van de rechtbank te beantwoorden.

2.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

Op 20 juli 2018 is aan [gedaagde] voorlopige surseance van betaling verleend. Op 24 juli 2018 is de surseance ingetrokken en is [gedaagde] gelijktijdig in staat van faillissement verklaard. Mr. R.J.C. Geelen treedt op als curator in dit faillissement.

3.2.

Ten tijde van het uitspreken van het faillissement waren er 110 werknemers bij [gedaagde] in dienst.

3.3.

Na het uitspreken van het faillissement is de Curator op de voet van artikel 40 Fw overgegaan tot opzegging van alle hem bekende arbeidsovereenkomsten. De datum van uitdiensttreding varieerde per medewerker. Het merendeel van de werknemers is per 30 augustus 2018 of 5 september 2018 uit dienst getreden. De Curator heeft als uitgangspunt gehanteerd dat de eindafrekening van de werknemers binnen één maand na uitdiensttreding en dus uiterlijk op 30 september 2018 betaald hadden moeten zijn.

3.4.

Vanwege het ontbreken van enig vrij actief stond het de Curator (in zijn aanvankelijke hoedanigheid van bewindvoerder) niet vrij om het loon te betalen. Dit zou normaliter op vrijdag 20 juli 2018 zijn uitbetaald. Op grond va nart. 31 lid 5 van de toepasselijke cao Metaalbewerkingsbedrijf 2017 – 2019 diende het loon over juli 2018 uiterlijk op de laatste werkdag van de maand te zijn betaald, te weten 31 juli 2018.

3.5.

De Curator heeft de onderneming van [gedaagde] voortgezet.

3.6.

Op 2 augustus 2018 zijn namens het UWV op de locatie van [gedaagde] intakegesprekken met de werknemers van [gedaagde] gevoerd in het kader van de loongarantieregeling.

Een deel van de werknemers had recht op meer loon dan het UWV op grond van de loongarantieregeling uitkeert. Deze vorderingsrechten bestaan in het faillissement van [gedaagde] hoofdzakelijk uit verlofrechten, conform artikel 61 lid 1 onder c en lid 3 WW aangeduid als ‘vakantiegeld’. Vooruitlopend op de eindbeschikking van het UWV heeft de Curator de daarop gebaseerde boedelvorderingen van de werknemers berekend en per brief van 30 oktober 2018 aan de werknemers gecommuniceerd.

3.7.

Enkele werknemers hebben de Curator verzocht om de ten behoeve van hen genoteerde vorderingen, zoals door de Curator aan hen gecommuniceerd aan te passen aan de hand van de door het UWV aan hen toegestuurde eindbeschikking. Deze verzoeken zijn van geval tot geval beoordeeld en hebben in enkele gevallen geleid tot aanpassing van de lijst met boedelschulden.

3.8.

Per 3 april 2023 heeft de Curator de volgende boedelvorderingen in euro genoteerd in het financieel verslag in het faillissement van [gedaagde] :

Boedelvorderingen per groep Hoofdsom

UWV-premie wg-deel SV (hoog preferent) 87.766,38

Vordering UWV (preferent) 824.893,18

Vordering werknemers (preferent) 131.565,10

UWV-pensioenpremie (concurrent) 102.877,79

Overig (concurrent) 2.218,83

Totaal 1.159.296,89

3.9.

Per 3 april 2023 bedraagt het boedelsaldo in het faillissement van [gedaagde] € 1.153.801,77.

3.10.

Om vast te kunnen stellen welke bedragen op welke momenten aan individuele werknemers door het UWV zijn betaald, zijn meer (persoons)gegevens nodig dan door het UWV aan de Curator zijn verstrekt.

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing