Rechtbank Limburg, 05-03-2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:991, ROE 23/1195
Rechtbank Limburg, 05-03-2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:991, ROE 23/1195
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 5 maart 2024
- Datum publicatie
- 29 maart 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2024:991
- Zaaknummer
- ROE 23/1195
Inhoudsindicatie
Eiser is eigenaar van een appartement. Verweerder is uit de Basisregistratie Personen gebleken dat op het adres van het appartement wisselend meerdere personen (die geen gezinsverband vormen) staan en stonden ingeschreven. Daaruit heeft verweerder geconcludeerd dat sprake is van volgtijdig gebruik. Verweerder heeft eiser aangemerkt als degene die het appartement voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt en hem aangeslagen voor de gebruikersheffingen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt dat hij de onroerende zaak als één geheel aan één huurder verhuurt en niet hij, maar degene aan wie hij verhuurt en die het appartement, zonder dat hij daar invloed op heeft, onderverhuurt, moet worden aangeslagen. Verweerder is daar niet op ingegaan en daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser en niet degene aan wie hij de onroerende zaak verhuurt degene is die de onroerende zaak ter beschikking stelt. Het beroep is gegrond.
Uitspraak
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 23 / 1195
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit met dagtekening 15 februari 2023 – voor zover voor deze procedure van belang – heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2023 voor de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing gebruiker, watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing bedrijven opgelegd.
Bij uitspraak op bezwaar van 9 mei 2023 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de hiervoor genoemde aanslagen ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft verweer gevoerd.
Eiser heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. Verweerder heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen van de partijen verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.
Overwegingen
1. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak, zijnde een appartement. Hij heeft in zijn beroepschrift vermeld dat hij de onroerende zaak als één geheel aan één huurder verhuurt en is daarom van mening dat hij niet voor de gebruikersbelastingen kan worden aangeslagen.
2. In zijn verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat sprake is van zogenoemd ‘volgtijdig gebruik’ van de onroerende zaak, in welk geval de afvalstoffen-heffing, de rioolheffing en de zuiveringsheffing bedrijven op grond van de voor die heffingen geldende verordeningen1 worden geheven van de eigenaar. Dat sprake is van volgtijdig gebruik leidt verweerder af uit gegevens uit de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP). Daaruit blijkt dat op het adres van de onroerende zaak wisselend meerdere personen (die geen gezinsverband vormen) staan en stonden ingeschreven. Verweerder heeft die gegevens (geanonimiseerd) ingezonden.
3. De voor de onroerende zaak over 2023 opgelegde aanslag watersysteemheffing ingezetenen is, aldus verweerder in zijn verweerschrift, ten onrechte opgelegd.
4. Eiser heeft bij conclusie van repliek herhaald dat hij de onroerende zaak (sinds 1 augustus 2022) in zijn geheel (en dus niet per kamer) aan één – door eiser met naam genoemde – persoon (en dus niet aan meerdere personen) verhuurt. Op het aantal personen dat staat ingeschreven in de BRP en de wisselingen van die personen, heeft hij geen invloed. Dit betekent volgens eiser dat hij niet op grond van volgtijdig gebruik voor de gebruikersheffingen kan worden aangeslagen.
5. Verweerder heeft bij conclusie van dupliek volstaan met een verwijzing naar zijn verweerschrift.
6. De rechtbank stelt voorop dat de gemeenteraad van de gemeente Maastricht en het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg op grond van artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 110 van de Waterschapswet bevoegd zijn om de in noot 1 genoemde belastingverordeningen, waarop de door verweerder opgelegde aanslagen zijn gestoeld, vast te stellen en daarin de wijze van belastingheffing te bepalen. Zij stelt vast dat bij ‘volgtijdig gebruik’ van een onroerende zaak op grond van de betreffende belastingverordeningen degene die het perceel of woonruimte ter beschikking stelt voor die heffingen als gebruiker mag worden aangemerkt in de plaats van de feitelijke gebruikers.
7. De rechtbank begrijpt uit wat eiser heeft aangevoerd dat, zoals ook volgt uit de gegevens uit de BRP, niet wordt bestreden dat de onroerende zaak voor relatief korte perioden door wisselende personen wordt gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden geconcludeerd dat sprake is van volgtijdig gebruik van de onroerende zaak.
8. Het is vervolgens in eerste instantie aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser degene is die de onroerende zaak voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt2. Bij de beoordeling wie moet worden aangemerkt als degene die de onroerende zaak ter beschikking stelt, is van belang wie het risico draagt dat de onroerende zaak al dan niet wordt verhuurd3 en wie de lasten van de onroerende zaak draagt4. Onderverhuur van een onroerende zaak door een huurder voor eigen rekening en risico aan derden, uit hoofde van de huurovereenkomst door de huurder aangegaan met de eigenaar/verhuurder, moet worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van de onroerende zaak aan die derden door de huurder en niet door de verhuurder5.
9. Hoewel eiser, door te stellen dat hij de onroerende zaak als één geheel aan één huurder verhuurt en geen invloed te hebben op het aantal personen dat staat ingeschreven en de wisselingen in de bezetting van de onroerende zaak, zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld, als nader onderbouwd in zijn repliek, dat hij niet degene is die de onroerende zaak voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt, is verweerder hierop in zowel het bestreden besluit als het verweerschrift als de conclusie van dupliek niet ingegaan en heeft hij volstaan met de conclusie dat eiser degene is die de onroerende zaak voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt. Verweerder heeft derhalve niet aan zijn bewijslast voldaan. Gelet hierop kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser en niet degene aan wie hij de onroerende zaak verhuurt degene is die de onroerende zaak ter beschikking stelt.
10. Het beroep is gegrond, enerzijds omdat – naar niet meer in geschil is – de aanslag watersysteemheffing ingezetenen ten onrechte aan eiser is opgelegd en bij het bestreden besluit is gehandhaafd en anderzijds omdat verweerder ten aanzien van de overige aanslagen zijn standpunt dat sprake is van volgtijdig gebruik door eiser onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank zal ten aanzien van eerstgenoemde aanslag zelf in de zaak voorzien en in zoverre het besluit van 15 februari 2023 herroepen. Met betrekking tot de overige aanslagen dient verweerder een nieuw besluit te nemen.
11. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden. Er is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het besluit van 15 februari 2023 voor zover dat ziet op de aanslag watersysteemheffing ingezetenen voor het jaar 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar ten aanzien van de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing gebruiker en zuiveringsheffing bedrijven te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt op 5 maart 2024.
griffier de rechter is verhinderd
te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: 5 maart 2024