Rechtbank Midden-Nederland, 18-05-2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2686, 16/705704-15
Rechtbank Midden-Nederland, 18-05-2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2686, 16/705704-15
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 18 mei 2016
- Datum publicatie
- 18 mei 2016
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2016:2686
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:866, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 16/705704-15
Inhoudsindicatie
Een 33-jarige vrouw uit Nederhorst den Berg is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van dood door schuld van haar toenmalige vriendin in 2014. De vrouw overleed na een overdosis GHB die was ingeschonken door de 33-jarige verdachte. De rechtbank oordeelt dat verdachte de hoeveelheid GHB niet nauwkeurig heeft afgemeten, maar dat er geen strafrechtelijk verwijt gemaakt kan worden omdat er in juridische zin geen sprake is van onvoorzichtig handelen.
Om iemand te kunnen veroordelen voor dood door schuld moet de verdachte hebben kunnen voorzien dat bepaald gedrag zo onvoorzichtig is dat dat tot de dood kan leiden. In deze strafzaak betekent dat dus dat verdachte moest kunnen voorzien dat de door haar ingeschonken hoeveelheid de dood tot gevolg kon hebben.
De verdachte heeft verklaard dat zij niet wist vanaf welke hoeveelheid GHB gevaarlijk is, maar wel hoeveel zij altijd met de mensen om haar heen gebruikte. Dit zag verdachte als een veilige hoeveelheid die zij ook gaf aan het slachtoffer. Uit de wisselende verklaringen leidt de rechtbank af dat de verdachte niet meer weet wat zij precies heeft ingeschonken. De proef met het inschenken die verdachte heeft gedaan op het politiebureau acht de rechtbank niet betrouwbaar omdat de proef slechts eenmaal en een jaar later is gedaan en er gebruik is gemaakt van een ander glas. Daarnaast kan de concentratie van GHB niet worden vastgesteld omdat dit niet is onderzocht.
Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen hoeveel GHB de verdachte heeft ingeschonken, of deze hoeveelheid meer was dan de normale gebruikershoeveelheid en wat de concentratie van de GHB was. De rechtbank oordeelt dat verdachte niet kon voorzien dat de dosering een dodelijke hoeveelheid was en spreekt de verdachte daarom vrij.
Uitspraak
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Lelystad
Parketnummer: 16/705704-15
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 mei 2016
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [1982] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzittingen van 20 april 2016 en 11 mei 2016, waarbij de verdachte tijdens eerstgenoemde zitting is verschenen, bijgestaan door mr. H. de Kroon, advocaat te Hilversum.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.E. Craenen en van de standpunten door de verdachte en haar raadsvrouw naar voren gebracht.
2 DE TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 29 maart 2014 te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, roekeloos, in elk geval grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld door aan [slachtoffer] , terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze geen/weinig ervaring had met het gebruik van verdovende middelen, een (te) grote hoeveelheid, althans meer dan een normale gebruikershoeveelheid van een verdovend en/of schadelijk middel (te weten GHB) (ter inname) aan te bieden en/of beschikbaar te stellen en/of toe te dienen, door genoemde hoeveelheid van dat middel in te schenken in een glas en/of dat glas en/of dat middel (vervolgens) aan die [slachtoffer] beschikbaar te stellen (ter inname),
waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zodanig letsel, (te weten een GHB-intoxicatie,) heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.
3 DE VOORVRAGEN
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.