Rechtbank Midden-Nederland, 26-01-2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:332, 16/995005-16 (P)
Rechtbank Midden-Nederland, 26-01-2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:332, 16/995005-16 (P)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 26 januari 2017
- Datum publicatie
- 26 januari 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2017:332
- Zaaknummer
- 16/995005-16 (P)
Inhoudsindicatie
Een bedrijf heeft zich gedurende een periode van ongeveer drie jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan het afvoeren van grote hoeveelheden van een gevaarlijke afvalstof, die alleen door verbranding verwerkt had mogen worden, als een ongevaarlijke afvalstof die geschikt zou zijn voor gebruik in een biovergister. Door de betreffende gevaarlijke afvalstof een verkeerde benaming te geven, is de stof terechtgekomen in een biovergister, verwerkt als meststof en vervolgens uitgereden over de landbouwgrond.
Het bedrijf heeft de betreffende afvalstof onder meer afgegeven aan bedrijven die daartoe niet bevoegd waren. Door het afvoeren van de gevaarlijke afvalstof ontstaan aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid en op forse milieuschade. Het bedrijf heeft zich hierbij meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door op de formulieren een onjuiste naam en code van de afvalstof te vermelden en zodoende te doen alsof het om een niet gevaarlijke afvalstof ging.
De rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte recent niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de periode waarin de feiten zijn gepleegd en dat niet is gebleken dat de verdachte zich na die periode niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.
Mede gelet op de financiële situatie van het bedrijf matigt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste geldboete. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke geldboete van 40.000 euro.
Uitspraak
Afdeling StrafrechtZittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/995005-16 (P)
Vonnis van de meervoudige economische kamer van 26 januari 2017
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] aan de [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. Verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door [A] , algemeen directeur van [verdachte] . is ter terechtzitting bijgestaan door mr. A.A. Bos, advocaat te Zwolle.
De behandeling van de zaak is op 12 januari 2017 gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat [A] en de raadsman naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.
De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :
Feit 1: zich in de periode van 1 januari 2011 tot en met 11 juli 2012 samen met een ander
of anderen dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet
milieubeheer door al dan niet opzettelijk bedrijfsmatig handelingen te verrichten
met afvalstoffen, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu kunnen
ontstaan dan wel zijn ontstaan;
Feit 2: zich in de periode van 1 januari 2011 tot en met 11 juli 2012 samen met een ander of anderen dan wel alleen als degene die zich van bedrijfsafvalstoffen heeft ontdaan schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer door al dan niet opzettelijk op een of meerdere begeleidingsbrie(f)(ven) van bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen onjuiste gegevens te vermelden;
Feit 3: zich in de periode van 17 april 2012 tot en met 11 juli 2012 schuldig heeft gemaakt
aan overtreding van de Warenwet, door zich als exploitant van een
levensmiddelenbedrijf niet te houden aan een aantal van daarvoor geldende algemene hygiënevoorschriften;
Feit 4: zich in de periode van 17 april 2012 tot en met 12 februari 2013 schuldig heeft
gemaakt aan overtreding van de Kaderwet Diervoeders, door als exploitant van een
diervoederbedrijf al dan niet opzettelijk activiteiten uit te voeren zonder de daarvoor
vereiste erkenning;
Feit 5: zich in de periode van 17 april 2012 tot en met 12 februari 2013 schuldig heeft
gemaakt aan overtreding van de Kaderwet Diervoeders door al dan niet
opzettelijk op een etiket van een door haar verwerkt product een onvolledige aanduiding te vermelden;
Feit 6: zich in de periode van 29 december 2011 tot en met 9 maart 2012 samen
met een ander of anderen dan wel alleen meermalen schuldig heeft gemaakt aan
valsheid in geschrift;
Feit 7: zich in de periode van 12 juli 2012 tot en met 31 december 2013 samen met een ander of anderen dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer door al dan niet opzettelijk bedrijfsmatig handelingen te verrichten met afvalstoffen, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan dan wel zijn ontstaan;
Feit 8: zich in de periode van 3 juli 2012 tot en met 31 december 2013 samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer door in strijd met die wet al dan niet opzettelijk bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen af te geven aan een of meerdere rechtsperso(o)n(en);
Feit 9: zich in de periode van 3 juli 2012 tot en met 8 november 2013 samen met een ander of anderen dan wel alleen meermalen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.
3 Voorvragen
Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank
De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.
Uit het dossier volgt dat verdachte ten aanzien van het feitencomplex dat onder 3, 4 en 5 ten laste is gelegd een strafbeschikking heeft ontvangen met dagtekening 8 juni 2015. Deze strafbeschikking is onherroepelijk. Verdachte heeft de in de strafbeschikking opgelegde geldboete op 30 oktober 2015 voldaan.
De dagvaarding in de huidige strafzaak is op 1 augustus 2016 aan verdachte betekend.
Gelet op het voorgaande, mocht verdachte erop vertrouwen dat hij na een afgeronde procedure niet voor de tweede keer voor dezelfde feiten zou worden vervolgd. Daarom dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten is de officier van justitie ontvankelijk.
Schorsing van de vervolging
Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.