Home

Rechtbank Midden-Nederland, 12-07-2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:3456, C/16/405914 / HA ZA 15-1002

Rechtbank Midden-Nederland, 12-07-2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:3456, C/16/405914 / HA ZA 15-1002

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12 juli 2017
Datum publicatie
12 juli 2017
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2017:3456
Formele relaties
Zaaknummer
C/16/405914 / HA ZA 15-1002

Inhoudsindicatie

Een oud-burgemeester heeft onvoldoende onderbouwd dat het onderzoek van het Bureau Integriteit (BING) onzorgvuldig is. Dat heeft de rechtbank Midden-Nederland vandaag beslist.

De gemeenteraad liet in april 2011 door BING onderzoek doen naar het handelen van de burgemeester. BING concludeerde dat er sprake was van belangenverstrengeling, machtsmisbruik en een angstcultuur. Nog voordat het rapport werd uitgebracht aan de gemeenteraad trad de burgemeester af. Volgens haar is het uitgebrachte rapport onzorgvuldig en is BING aansprakelijk voor de door haar geleden schade.

Het rapport zou zeven onjuistheden en ten onrechte getrokken conclusies bevatten. De rechtbank oordeelt dat BING op twee punten tekort is geschoten. In het rapport staat ten onrechte dat de oud-burgemeester niet heeft gereageerd op twee interviewverslagen. Daarnaast wordt in het rapport geconcludeerd dat het optreden van de oud-burgemeester heeft geleid tot een versterking van de boodschap dat voorzichtigheid moet worden betracht in contacten met de aannemer. De rechtbank stelt vast dat zij zich op verschillende momenten tegenover verschillende personen negatief heeft uitgelaten over de aannemer. De conclusie echter dat dit zorgde voor een substantiële afname van opdrachten aan de aannemer is te verregaand. De overige conclusies uit het rapport houden stand.

De slotsom is dat de oud-burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een onzorgvuldig uitgevoerd onderzoek. Dat het rapport niet op alle onderdelen kan worden gevolgd, maakt nog niet dat zij als gevolg daarvan in haar eer en goede naam is aangetast.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/405914 / HA ZA 15-1002

Vonnis van 12 juli 2017

in de zaak van

mr. C. van den Bergh, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiseres],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres, hierna [eiseres] ,

advocaat mr. O.R. van Hardenbroek te ’s-Gravenhage

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUREAU INTEGRITEIT B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

hierna: BING,

advocaat mr. F. Arts te Nijmegen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis,

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen,

- de brief van mr. O.R. van Hardenbroek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is van [2006] tot [2011] burgemeester geweest van de gemeente [gemeente] .

2.2.

BING is een onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van integriteit van het openbaar bestuur.

2.3.

Op 27 april 2011 heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente] aan BING de opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar mogelijke tekortkomingen in het professioneel handelen (onder andere belangenverstrengeling) van de burgemeester, de integriteit van de ambtelijke organisatie en de effectiviteit van de klokkenluidersregeling aan de hand van een aantal onderzoeksobjecten.

2.4.

Voornoemde opdracht is namens BING aanvaard door [A] , destijds registeraccountant en directeur van BING (hierna: [A] genoemd).

2.5.

[eiseres] is op [2011] op eigen initiatief afgetreden als burgemeester.

2.6.

BING heeft op 24 augustus 2011 een door [A] ondertekend rapport “integriteitsonderzoek” uitgebracht aan de gemeenteraad (hierna: het rapport). BING omschrijft zichzelf in het rapport als een bureau dat Nederlandse gemeenten gespecialiseerde adviesexpertise, onderzoeksexpertise en een vraagbaakfunctie biedt op het gebied van integriteit. BING heeft in het rapport (hoofdstuk 7) over de hierna opgesomde 17 onderzochte dossiers haar bevindingen en beoordeling gegeven en (hoofdstuk 8) haar bevindingen en beoordeling gegeven over het functioneren van de vertrouwenspersoon en de klokkenluidersregeling.

“(...)

7.1

Opdrachtverstrekking aan aannemersbedrijf

7.1.1

Opdrachtverstrekking aan [B]

7.1.2

Privégeschil met [B]

7.1.3

Relatie privégeschil – opdrachtverstrekking gemeente

7.2

Beantwoording vragen AD

7.3

Bemoeienis aanstelling medewerker Kabinet

7.4

Garantstelling gemeente voor aanschaf privéwoning

7.5

Invloeduitoefening op Bezwaarschriftencommissie

7.6

Inschakeling bedrijf van de zoon van de burgemeester

7.7

Behandeling post van de burgemeester

7.8

inzage GBA

7.9

Bouwdossier van de burgemeester

7.9.1

Bouwleges

7.9.2

Kapvergunning

7.9.3

Verbouwing en erfafscheiding

7.9.4

Parkeerplaats woonhuis burgemeester

7.10

Loket BWM

7.11

Aanstelling privérelatie als afdelingshoofd Communicatie

7.12

Subsidie jazzclub

7.13

Donaties uit het DeltaPort Donatiefonds

7.14

Aanstellingsprocedure huidig gemeentesecretaris

7.15

Opdrachtverstrekking aan bureau T.

7.16

Omgang met extern adviesbureau

8. functioneren vertrouwenspersoon en klokkenluiderregeling: een (on)veilig werkklimaat.

(...)”

2.7.

De bevindingen van BING luiden – voor zover van belang en samengevat weergegeven – per dossier als volgt:

7.1

Opdrachtverstrekking aan aannemersbedrijf [B]

Uit het onderzoek is gebleken dat sinds 2008 ambtelijk de boodschap is verspreid dat ‘voorzichtigheid moet worden betracht met [B] ’. Uit de feiten blijkt dat dit ambtelijk is opgevolgd, hetgeen (onder meer) heeft geleid tot een substantiële afname in opdrachtverstrekkingen aan het bedrijf. Weliswaar is uit het onderzoek niet gebleken dat de burgemeester zelf expliciet opdracht heeft gegeven het aannemingsbedrijf uit te sluiten van opdrachten voor de gemeente, zij heeft door haar optreden echter hetzelfde effect bereikt. (...) Het optreden van de burgemeester heeft blijkens het onderzoek in alle lagen van de organisatie waar contacten waren met [B] geleid tot het beeld dat [B] ‘gevoelig’ ligt en dat daar geen zaken mee gedaan moesten worden. In een situatie dat algemeen bekend is dat een burgemeester een geschil heeft met een relatie van de gemeente en het om een materieel geschil gaat, mag van de burgemeester verwacht worden dat hij/zij maatregelen neemt om de schijn van belangenverstrengeling te vermijden. De burgemeester had in deze casus naar onze mening (...) signalen aan de organisatie moeten geven die juist contra waren aan de signalen zoals in dit hoofdstuk beschreven. (...) Behalve dat de aannemer op enkele uitzondering na geen opdrachten meer ontving, is de aannemer in voorkomende gevallen ook geweerd in situaties waar kosten geen rol spelen. (...) Naar onze mening heeft de burgemeester met haar handelen haar privébelang verstrengeld met het belang van de gemeente. Haar handelen is daarmee in strijd met de kernbegrippen ‘dienstbaarheid’ (...), ‘onafhankelijkheid’ en ‘zorgvuldigheid’.

(...)

7.3

Bemoeienis aanstelling medewerker Kabinet

Met betrekking tot de aanstelling van de medewerker Kabinet blijkt uit de feiten dat:

 De burgemeester de betreffende medewerker bij de gemeente heeft geïntroduceerd, zij het indirect;

 Blijkens een in het personeelsdossier aanwezige e-mail de burgemeester zich met zijn aanstelling heeft bemoeid;

 Er geen vacature bestond;

 Er geen taakomschrijving en functieprofiel aanwezig was en – blijkens de verklaring van de betreffende medewerker Kabinet – nog steeds niet is;

 De gebruikelijke procedures van selectie, benoeming, aanstelling (verlengde korte dienstverbanden) en salariëring (verhoging naar schaal 8) niet gevolgd zijn;

 Een medewerker Kabinet heeft verklaard dat hij zaken op het Kabinet prima zelf afkon en meer nadeel dan voordeel heeft ondervonden van het aanstellen van de betreffende medewerker Kabinet;

 Dat zowel de clustermanager Dienstverlening als de burgemeester signalen hebben ontvangen dat de betreffende medewerker niet naar behoren functioneerde;

 Er aanwijzingen zijn van misbruik van positie (bij de aanstelling in interne e-mail richting een ambtenaar aangegeven “dat zij verwacht dat de medewerker voor 6 maanden wordt aangesteld” en bij het beschermen van de medewerker inzake diens functioneren) en aantoonbaar de schijn van belangverstrengeling is opgeroepen;

 Dat er gewaarschuwd is voor het inherente risico van deze medewerker door de chef Kabinet (...);

 De burgemeester de betreffende medewerker een aantal keren persoonlijk en direct heeft aangestuurd en dat niet via zijn leidinggevende heeft gedaan;

 De burgemeester de chef Kabinet, die zich kritisch opstelde jegens deze medewerker, hiervoor correctief heeft bejegend.

De burgemeester heeft in dit dossier naar onze mening gehandeld in strijd met de kernbegrippen ‘zorgvuldigheid’ (...), ‘onafhankelijkheid’ (...) en ‘betrouwbaarheid’ van de Gedragscode voor bestuurder 2007.

(...)

7.6

Inschakeling bedrijf van de zoon van de burgemeester

(...)

Uit de feiten blijkt dat de burgemeester weet heeft gehad van de inschakeling van onderneming C. Zij heeft nagelaten reeds bij de eerste kennisneming daarvan de relatie te verbreken c.q. te verbieden. Wij beschikken over een verklaring dat zij gewaarschuwd is voor belangenverstrengeling. De relatie tussen de gemeente en de onderneming van haar zoon heeft zich voortgezet tot het moment van de publicaties in de media. De verklaringen van de burgemeester dat zij de opdrachtverstrekking aan onderneming C. niet prettig vond en dat zij een keer zou hebben aangegeven om dat niet te doen, zijn om verschillende redenen ongeloofwaardig. Zo heeft de burgemeester aan de afdeling P&O voorgesteld om met onderneming J. te gaan praten, tevens een bedrijf van haar zoon.

Wij kwalificeren de samenwerking tussen de gemeente en de onderneming C. als belangenverstrengeling. De burgemeester heeft in strijd met het kernbegrip onafhankelijkheid gehandeld (...). Daarnaast heeft de burgemeester in strijd met de waarheid verklaard door in een e-mail van 24 mei 2011 aan te geven dat onderneming C. naar voren was gekomen omdat het de hoogste notering bij Google had. (...) De burgemeester heeft gestimuleerd dat er een samenwerking tot stand zou komen tussen de gemeente en een andere onderneming van haar zoon: onderneming J. Ook al zou de door de burgemeester beoogde samenwerking niet leiden tot facturatie, dan zou deze vorm van samenwerking de schijn van belangenverstrengeling hebben opgeroepen, concurrentievervalsing tot gevolg hebben en een reëel gevaar van belangenverstrengeling in zich hebben gehad.

(...)

7.7

Behandeling post van de burgemeester

(...)

Uit de bevindingen blijkt dat:

 de burgemeester mede naar aanleiding van een over haar ontvangen en door DIV geregistreerde klacht, de procedure heeft ingevoerd alle post die aan haar is geadresseerd, ongeopend en ongeregistreerd naar haar moet worden doorgezonden, en deze niet door DIV mag worden geregistreerd;

 dat deze procedure door tal van betrokkenen herhaaldelijk bekritiseerd is;

 dat bij het afgeven van deze signalen de juridische risico’s benoemd zijn;

 dat deze procedure niet door het college is vastgesteld noch goedgekeurd.

Klachten over de behandeling van de post zouden naar onze mening dienen te leiden tot aanpassing van gedrag van de behandelaars van de post en niet tot een aanpassing in de routing van de post. Deze gewijzigd routing in combinatie met de gebrekkige communicatie daarover en in combinatie met het gedrag van de burgemeester zoals elders beschreven in dit rapport, heeft bij de betreffende afdeling zowel gevoelens opgeroepen van gebrek aan vertrouwen bij de leiding als een gebrek aan vertrouwen in een correct en transparante afhandeling van de post door de burgemeester.

(...)

7.11

Aanstelling privérelatie als afdelingshoofd Communicatie

(...)

Uit de bevindingen blijkt:

 Dat de burgemeester en haar echtgenoot de heer W. en diens echtgenote kenden via de jazzclub;

 Dat de heer W. eerder is afgewezen voor de functie van medewerker Communicatie;

 Dat er over de geschiktheid van de heer W. als afdelingshoofd Communicatie gerede twijfels bestonden en dat deze twijfels zijn bevestigd door het uitgevoerde assessment;

 Dat na een overleg tussen de burgemeester en de clustermanager Dienstverlening het eerste externe juridische advies terzijde is geschoven en een tweede juridisch advies is gevraagd. Het eerste advies is naar onze mening een bij de situatie passend en correct advies. Niettemin wordt een tweede advies gevraagd. Dit – minder stringente – advies roept bij de praktische uitvoering daarvan integriteitsrisico’s op en stelt voorwaarden voor de aanstelling;

 Dat vermoedelijk op instigatie van de burgemeester een tweede juridisch advies is gevraagd, gezien de verklaring van de clustermanager Dienstverlening dat het eerste advies terzijde is geschoven in een overleg dat hij heeft gehad met de burgemeester;

 Dat het eerste juridisch advies niet samen met het tweede juridisch advies bij de ambtelijke adviesnotatie aan de burgemeester en de portefeuillehouder P&O is gevoegd;

 Dat in het ambtelijk advies de in het tweede juridisch advies genoemde voorwaarden voor aanstelling zijn opgenomen;

 Dat conform ambtelijk advies is besloten door uitsluitend de burgemeester en dat de paraaf van de toenmalig portefeuillehouder P&O ontbreekt;

 Dat de betreffende voorwaarden niet in het aanstellingsbesluit zijn opgenomen en het aanstellingsbesluit ook anderszins geen voorwaarden en bepaling bevat die belangenverstrengeling moeten voorkomen.

Wij beoordelen het handelen van de burgemeester als strijdig met het kernbegrip onafhankelijkheid (...). Ook al had zij de portefeuille Communicatie, het had gezien haar relatie tot de heer W. in de rede gelegen dat de aanstelling bestuurlijk zou zijn afgehandeld door de portefeuillehouder P&O. Daarnaast achten wij het op basis van de voorliggende bevindingen aannemelijk dat het tweede, minder stringente externe juridische advies, door de clustermanager Dienstverlening is aangevraagd op verzoek van de burgmeester. (...) Hiermee is op zijn minst de schijn gewekt dat er behoefte bestond om flexibel mogelijk te kunnen omgaan met eventuele opdrachtverstrekkingen aan bureau F., terwijl er juist alle aanleiding was om een en ander zo strak en helder mogelijk te organiseren teneinde het risico op belangenverstrengeling of de schijn daarvan te voorkomen.

(...)

7.12

Subsidie jazzclub

(...)

Uit de bevindingen blijkt dat de burgemeester zich actief heeft bemoeid met de opvolging van een subsidie aanvraag c.q. overleg met portefeuillehouder heeft gehad over deze aanvraag van een stichting waar haar echtgenoot bestuurder is. De aanvraag is ondertekend door de echtgenoot van de burgemeester. De schijn is opgeroepen dat haar bemoeienis effecten heeft gehad:

 Het lijkt er op dat de aanvraag niet tijdig is ingediend, hetgeen heeft geleid tot behandeling van de aanvraag (gedateerd in december 2009) in augustus 2010;

 Blijkens de verklaring van het afdelingshoofd Juridische Zaken is de gekozen oplossing er een die ze niet vaker ziet binnen de gemeente en beginsel niet binnen de ASV past.

De burgemeester heeft er naar onze mening onverstandig aan gedaan om zich met het dossier te bemoeien en heeft daardoor de schijn van belangenverstrengeling opgeroepen. De burgemeester heeft in strijd met de werkelijkheid verklaard geen bemoeienis te hebben gehad met het dossier. Zij heeft daarmede gehandeld in strijd met de gedragscode.

(...)

8. Functioneren vertrouwenspersoon en klokkenluidersregeling: een (on)veilig werkklimaat

(...)

Beoordeling

Inleiding

Uit de bevindingen kan afgeleid worden waarom de normale kanalen voor kritiek - zijnde (1) opmerkingen maken bij de direct leidinggevende, (2) opmerkingen maken via een hoger leidinggevende, en (3) opmerkingen bespreken met vertrouwenspersoon al dan niet met gebruikmaking van de klokkenluiderregeling - niet functioneerden: een angstcultuur – onvoldoende veilig voelen om zaken bij leidinggevenden aan te kaarten – en een onbekendheid onder de medewerkers met de procedure melden en de adressering van meldingen.

De burgemeester

De burgemeester is in de gesprekken gekwalificeerd als een belangrijke drager van de angstcultuur. Volgens geïnterviewden en melders hanteerde zij een verdeel en heers tactiek, zowel richting de ambtelijke organisatie als richting collegeleden. Er was blijkens de gehouden gesprekken zowel bij de ambtelijke organisatie als bij collegeleden sprake van een bepaalde mate van angst voor de burgemeester. In de gesprekken is echter ook aangegeven dat de cultuur niet uitsluitend aan de persoon van de burgemeester kan worden opgehangen, maar dat ook het college drager is van deze cultuur.

De e-mail die de burgemeester heeft geschreven over haar gesprek met de toenmalig voorzitter van de commissie Bezwaarschriften is illustratief voor haar werkwijze en bejegening van ambtenaren, functionarissen en andere partijen. Er is in meerdere onderzochte dossiers sprake van een werkwijze en bejegening die gebaseerd is op machtsdenken en intimidatie en in voorkomende gevallen voorbij gaat aan wet- en regelgeving, het scheiden van publieke en persoonlijke belangen alsmede de onafhankelijkheid en eigenstandige professionele verantwoordelijkheid van personen en gremia. Personen of gremia die niet

‘meebuigen’ worden door de burgemeester al snel een gebrek aan bestuurlijke empathie verweten, zo blijkt uit meerdere dossiers.

De burgemeester heeft nagelaten maatregelen te bevorderen die een veilige cultuur bevorderen en er op toe te zien dat een belangrijk onderdeel van integriteitbeleid - zorgen voor een ‘uitlaatklep’: melden via de vertrouwenspersoon met gebruikmaking van de klokkenluiderregeling – was geïmplementeerd.

De burgemeester als primus inter pares op het terrein van integriteit is naar onze mening op de thema’s cultuur en integriteit ernstig tekort geschoten.

(...)”

2.8.

[eiseres] heeft zich niet kunnen verenigen met het rapport van BING en de wijze waarop het rapport tot stand is gekomen. [eiseres] heeft tegen [A] in zijn hoedanigheid van registeraccountant op grond van de Wet op de Registeraccountants een klachtprocedure aanhangig gemaakt bij de Accountantskamer. [eiseres] heeft in dat verband de hierna volgende 16 klachten (klacht a t/m h) geformuleerd:

“a.1 [A] heeft voorafgaand aan het op 24 augustus 2011 gehouden kort geding informatie gelekt naar de pers, wat een onafhankelijk integriteitsonderzoeker niet past;

a.2 [A] heeft bewust onjuiste informatie gegeven waardoor hij de positie van [eiseres] in het kort geding nadelig heeft beïnvloed en waardoor bij het publiek een verkeerd beeld van de zaak is gewekt, als gevolg waarvan [eiseres] ten onrechte in een kwaad daglicht is gesteld;

b.1 [A] heeft op onzorgvuldige wijze ‘hoor’ heeft toegepast;

b.2 [A] heeft op onzorgvuldige wijze ‘wederhoor’ heeft toegepast;

c. [A] heeft ondeugdelijke onderzoeksmethoden gebruikt en een gebrek aan objectiviteit aan de dag heeft gelegd door:

c.1 gebruik te maken van de computer van [eiseres] ;

c.2 een onduidelijke selectie van te horen personen;

c.3 een suggestieve vraagstelling;

c.4 het verrichten van onvoldoende (zelfstandig) en onvolledig onderzoek;

c.5 op willekeurige en daardoor misleidende wijze uitspraken te gebruiken;

c.6 een beding te maken inhoudend dat zijn opdrachtgever de kosten draagt indien hij in rechte wordt aangesproken, waardoor zijn onafhankelijkheid wordt aangetast; en

c.7 op oneigenlijke wijze druk uit te oefenen;

d. [A] heeft in het rapport op een wijze die in strijd is met de waarheid, verantwoording afgelegd over het gebruik van de verslagen van de gesprekken met

[eiseres] ;

e. [A] heeft ten onrechte zelf conclusies getrokken en zaken gesuggereerd, terwijl hij het politieke oordeel aan de gemeenteraad had moeten overlaten;

f. [A] heeft [eiseres] ten onrechte (op p. 43 van het rapport) verweten gehandeld te hebben in strijd met de kernbegrippen ‘dienstbaarheid’ en ‘onafhankelijkheid’;

g. [A] heeft ten onrechte toegestaan dat het rapport breed is verspreid en heeft nagelaten maatregelen te treffen om de verspreidingskring van het rapport te beperken;

h. door toedoen van [A] is [eiseres] in de media neergezet als een despoot waarbij haar integriteit sterk in twijfel is getrokken, als gevolg waarvan zij dermate is beschadigd dat een verdere carrière in het overheidsbestuur uitgesloten lijkt.”

2.9.

De Accountantskamer heeft op 14 mei 2012 alle hiervoor genoemde 16 klachten van [eiseres] ongegrond verklaard. Zowel [eiseres] als [A] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Accountantskamer bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb).

2.10.

Op 7 juli 2014 heeft BING op haar website www.bureauintegriteit.nl onder het kopje “Nieuws” de volgende verklaring geplaatst:

“BING en [gemeente] : de feiten

7 juli 2014

In recente publicaties in de Volkskrant over de [gemeente] oud-burgemeester [eiseres] is het werk van ons onderzoeksbureau in een negatief daglicht geplaatst. BING heeft in 2011 een onderzoek verricht in opdracht van de gemeente [gemeente] naar het handelen van mevrouw [eiseres] .

Mevrouw [eiseres] uitte kritiek op ons onderzoek in een artikel in de Volkskrant en onlangs in een interview met het Volkskrant Magazine. Een week later citeerde de krant ‘een oud-ambtenaar’ die ons werk ‘een inquisitie’ noemde. In beide gevallen is ons helaas niet om commentaar gevraagd.

BING heeft de afgelopen tien jaar in opdracht van overheden en bedrijven honderden integriteitonderzoeken uitgevoerd. Wij doen dat zorgvuldig en professioneel, volgens een uitgebreid onderzoeksprotocol, met inachtneming van de belangen van alle partijen.

In het onderzoek naar mevrouw [eiseres] hebben wij tientallen betrokkenen geïnterviewd. Daaronder waren zowel critici van haar optreden als mensen die haar steunden. Wij hebben twee gesprekken met mevrouw [eiseres] zelf gevoerd. De conceptbevindingen van de zestien onderzochte dossiers hebben wij aan haar voorgelegd om commentaar. Haar reactie is ruimschoots in het onderzoeksrapport aan de orde gekomen. Wij hebben daarna gerapporteerd aan onze opdrachtgever, de gemeenteraad van [gemeente] . Mevrouw [eiseres] had overigens al lang voor het uitbrengen van ons rapport haar ontslag ingediend.

Alle klachten die door mevrouw [eiseres] tegen de voormalig directeur van BING bij de tuchtrechter zijn ingebracht, zijn ongegrond verklaard. Mevrouw [eiseres] is tegen onderdelen van deze uitspraak in beroep gegaan.

Wij hebben de Volkskrant na de laatste publicatie op de hoogte gebracht van onze lezing, en hechten eraan dat langs deze weg te doen aan iedereen die belang stelt in het werk van BING.”

2.11.

Op 8 december 2012 is op verzoek van [A] zijn registratie in het accountantsregister doorgehaald.

2.12.

Het CBb heeft op 18 december 2014 in hoger beroep uitspraak gedaan. Daarbij is het beroep van [A] ongegrond verklaard en is het beroep van [eiseres] gegrond verklaard. Het CBb heeft de bestreden uitspraak vernietigd ten aanzien van de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b.1, b.2, d en e en die klachtonderdelen alsnog (deels) gegrond verklaard. Voorts heeft het CBb aan [A] de maatregel van berisping opgelegd. Het CBb heeft in dat kader, voor zover van belang en samengevat weergegeven, het volgende overwogen:

“(...)

3.3

[A] heeft als enige grief tegen de uitspraak van de accountantskamer aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat hij, omdat hij stond ingeschreven in het register, aan het tuchtrecht is onderworpen.

(...)

3.3.2

Het College is van oordeel dat de werkzaamheden die door dan wel onder verantwoordelijkheid van [A] zijn verricht in het kader van het onder 3.1 genoemde onderzoek, behoren tot het beroepsmatig handelen waarbij de registeraccountant op de voet van artikel 33 Wet RA aan tuchtrechtspraak is onderworpen.

(...)

3.5

De tweede grief van [eiseres] is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b.1 en b.2 door de accountantskamer. De grief houdt in dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat [A] op juiste wijze hoor en wederhoor heeft toegepast.

(...)

3.5.2

Het College stelt voorop dat het onderzoek van BING in belangrijke mate het handelen van [eiseres] als burgemeester van [gemeente] als onderwerp had en dat voor de uitvoering van het onderzoek werkzaamheden met een verifiërend karakter zijn verricht. Gelet hierop moet het onderzoek worden aangemerkt als een persoonsgericht onderzoek in de zin van de Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken van 6 oktober 2010 (hierna: Praktijkhandreiking). Het College wijst erop dat het niet of niet correct toepassen van een bepaling uit de Praktijkhandreiking slechts een tuchtrechtelijk verwijt kan opleveren indien en voor zover daarmee schending van het bij of krachtens de Wet RA bepaalde aan de orde is, waarbij in het bijzonder het bepaalde in de VGC van belang is.

In paragraaf 5.1 van de Praktijkhandreiking staat als algemeen uitgangspunt vermeld dat degene die onderwerp is van een persoonsgericht onderzoek schriftelijk wordt geïnformeerd over het op hem gerichte onderzoek, tenzij de omstandigheden zich hiertegen verzetten. Voorts staat daarin vermeld dat het in belang is van zowel de kwaliteit van het uit te voeren onderzoek als de omgangsvormen tussen de accountant en de betrokkene dat deze de gelegenheid krijgt in de vorm van hoor en wederhoor een bijdrage te leveren aan het onderzoek.

3.5.3

[A] heeft op 3 mei 2011 en 16 juni 2011 een interview gehouden met [eiseres] . Blijkens haar verklaring is [eiseres] op 3 mei 2011 – de dag van het eerste interview – door de voormalig waarnemend raadsvoorzitter van de gemeente [gemeente] op de hoogte gebracht van de (niet getekende) conceptopdrachtbevestiging. Volgens het verslag van het interview met [eiseres] op 3 mei 2011 heeft [A] bij aanvang van dat gesprek een toelichting gegeven op de opdracht en heeft [eiseres] in dat gesprek desgevraagd verklaard dat zij inzage heeft gehad in de conceptversie van de opdracht. Hieruit volgt dat [eiseres] weliswaar min of meer op de hoogte was van de inhoud van het onderzoek, doch voorafgaand aan het interview op 3 mei 2011 niet door [A] , BING, of de gemeente [gemeente] schriftelijk is geïnformeerd over de – definitieve – opdracht voor het onderzoek. [A] heeft zijn stelling dat [eiseres] op 8 juni 2011 door de gemeente [gemeente] schriftelijk is geïnformeerd dat de onderzoeksopdracht van BING was uitgebreid niet nader onderbouwd. [eiseres] heeft nadrukkelijk gesteld dat zij pas bij het tweede interview op 16 juni 2011 door [A] hiervan op de hoogte is gebracht. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat [eiseres] voorafgaand aan het interview op 16 juni 2011 niet door [A] , BING, of de gemeente [gemeente] schriftelijk is geïnformeerd over de uitbreiding van de onderzoeksopdracht.

Het College is van oordeel dat, zoals ook uit de Praktijkhandreiking volgt, bij een persoonsgericht onderzoek als uitgangspunt dient te gelden dat degene die onderwerp is van zo’n onderzoek tijdig, in ieder geval voorafgaand aan het horen van die persoon, schriftelijk over het onderzoek en de inhoud daarvan wordt geïnformeerd. [A] heeft niet gesteld en heeft ook niets aangevoerd waaruit zou kunnen blijken van omstandigheden die zich daartegen hebben verzet. Door na te laten [eiseres] voorafgaand aan het horen tijdig schriftelijk te (doen) informeren over de onderzoeksopdracht en de uitbreiding daarvan heeft [A] gehandeld in strijd met het fundamenteel beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. De tweede grief, voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b.1, slaagt.

3.5.4

Niet in geschil is dat aan [eiseres] in het kader van wederhoor in de zin van de Praktijkhandreiking een concept van het rapport is voorgelegd waarin hoofdstuk 8 van het definitieve rapport ontbreekt. Dit hoofdstuk, dat als titel heeft “Vertrouwenspersoon en klokkenluidersregeling: een (on)veilig werkklimaat”, bevat een bespreking van observaties van melders en van de vertrouwenspersoon en bevindingen uit interviews en uit onderzoek van 16 dossiers. Het hoofdstuk eindigt met een beoordeling van onder andere het handelen van [eiseres] .

Het College stelt vast dat in hoofdstuk 8 zowel bevindingen worden weergegeven als conclusies worden getrokken die zien op het handelen van [eiseres] . Uit het rapport blijkt niet, en door of namens [A] is niet – ook desgevraagd ter zitting niet – duidelijk gemaakt, dat al deze bevindingen al eerder in het rapport zijn besproken en derhalve bij [eiseres] bekend konden zijn, zoals door hem is gesteld. Nu vaststaat dat [eiseres] niet in de gelegenheid is gesteld vooraf kennis te nemen van deze bevindingen en hierop te reageren, moet worden vastgesteld dat haar in dit verband niet op een juiste wijze wederhoor is geboden. Naar het oordeel van het College is dat in dit geval, gelet op de strekking van de in bedoeld hoofdstuk neergelegde bevindingen in strijd met het fundamenteel beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. De tweede grief, voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b.2, slaagt eveneens.

(...)

3.7.

De vierde grief van [eiseres] is gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel d. Zij voert aan dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat [A] niet verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van de onjuiste weergave van gespreksverslagen en haar reactie daarop.

3.7.1

Deze grief slaagt. In het rapport staat ten onrechte vermeld dat [eiseres] niet heeft gereageerd op de twee interviewverslagen terwijl dat wel het geval is. [eiseres] heeft bij e-mailbericht van 24 mei 2011 aan BING gereageerd op het haar ter becommentariëring toegezonden conceptverslag van het interview op 3 mei 2011 en heeft daarbij een aanzienlijk aantal opmerkingen gemaakt bij dit verslag. Bij brief van 28 juni 2011, gericht aan [A] , heeft [eiseres] nogmaals gereageerd op het verslag van het interview van 3 mei 2011 en tevens op het verslag van het interview op 16 juni 2011. [eiseres] heeft daarin expliciet medegedeeld dat zij het onderzoek, de vraagstellingen en de verslagen zeer onvolledig vindt en daarom niet akkoord gaat met de verslaglegging van de beide gesprekken. [A] heeft deze brief beantwoord met een e-mail van 25 juli 2011. [A] erkent in het verweerschrift dat [eiseres] niet heeft ingestemd met de gespreksverslagen van 3 mei en 16 juni 2011, doch voegt daaraan toe dat zij kennelijk geen beroep wilde doen op de bandopnames van de gesprekken en bezwaar heeft gemaakt tegen de onderzoeksaanpak. Volgens [A] was echter met hetgeen in het rapport staat vermeld voor de gebruiker van het rapport voldoende duidelijk dat [eiseres] de gelegenheid heeft gehad om kenbaar te maken dat de gespreksverslagen geen juiste weergave zouden vormen van de interviews. Het College is van oordeel, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, dat in het rapport ten onrechte staat vermeld dat [eiseres] niet heeft gereageerd op de haar toegezonden interviewverslagen, terwijl zij niet alleen bezwaren heeft gemaakt tegen de onderzoeksaanpak maar ook tegen de vraagstelling en de inhoud van de verslagen. [A] heeft door deze wijze van rapporteren gehandeld in strijd met het fundamenteel beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. De accountantskamer is hier ten onrechte aan voorbijgegaan en heeft klachtonderdeel d ten onrechte ongegrond verklaard.

3.8

De vijfde grief van [eiseres] houdt in dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene niet verwijtbaar heeft gehandeld door (onjuiste) conclusies te trekken over haar handelen.

(...)

3.8.2

Het College stelt vast dat [A] blijkens de opdrachtbevestiging van 27 april 2011 de opdracht had een feitenonderzoek te verrichten en de gemeenteraad te adviseren door deze feiten te beoordelen tegen de achtergrond van het geldende toetsingskader. [A] had derhalve ook de opdracht een beoordeling van de onderzochte feiten te geven.

(...)

3.8.3

Ten aanzien van de opdrachtverstrekking aan aannemingsbedrijf [B] is op pagina 42 van het rapport geconcludeerd dat uit het onderzoek is gebleken dat sinds 2008 ambtelijk de boodschap is verspreid dat ‘voorzichtigheid moet worden betracht in contacten met [B] ’, dat dit ambtelijk is opgevolgd en dat dit (onder meer) heeft geleid tot een substantiële afname in de opdrachtverstrekkingen aan het bedrijf. Vervolgens wordt geconcludeerd dat uit het onderzoek weliswaar niet is gebleken dat de burgemeester zelf expliciet opdracht heeft gegeven het aannemingsbedrijf uit te sluiten van opdrachten voor de gemeente, maar zij door haar optreden hetzelfde effect heeft bereikt. Volgens het rapport blijkt uit de feiten dat de burgemeester op verschillende momenten ten overstaan van verschillende personen - zowel individuele collegeleden als het college en ambtenaren - de slechte kwaliteit van het werk van de aannemer en haar slechte relatie met de aannemer duidelijk kenbaar heeft gemaakt, en dat zij zich had moeten realiseren dat deze opmerkingen het gedrag van haar toehoorders en hun ondergeschikten zouden beïnvloeden, juist ook gezien haar “directieve stijl van leidinggeven”.

3.8.4

Het College is van oordeel dat op basis van in het rapport weergegeven verklaringen over het optreden van [eiseres] de indruk kan ontstaan dat haar optreden van invloed kan zijn geweest op de afname in de opdrachtverstrekkingen aan [B] . Anderzijds zijn in het rapport ook verklaringen opgenomen – onder andere van de directeur van de gemeente – waaruit kan worden afgeleid dat die afname ook of juist het gevolg is van een aanscherping van de uitvoering van de aanbestedingsregels en een sterkere controle door de gemeente op de opdrachtverstrekking aan aannemers. Het College is van oordeel dat [A] in de beoordeling in het rapport hiervan onvoldoende rekenschap heeft gegeven en ten onrechte heeft volstaan met slechts één opmerking aan het slot van de betreffende pagina waarin hij stelt dat de verklaring “dat men scherper is gaan kijken naar [B] vanwege kostenaspecten” op basis van de bevindingen geen stand houden. Voorts blijkt uit het door [eiseres] overgelegde overzicht van door [B] bij de gemeente ingediende facturen dat de aannemer ook na 2008 voor aanzienlijke bedragen opdrachten heeft uitgevoerd voor de gemeente. Naar het oordeel van het College zijn de conclusies van [A] over deze kwestie te ongenuanceerd en zijn ten onrechte relevante zaken weggelaten. [A] heeft hiermee gehandeld in strijd met de beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en objectiviteit. Klachtonderdeel e is derhalve in zoverre gegrond, hetgeen de accountantskamer ten onrechte niet heeft onderkend. Dit betekent dat ook de vijfde grief slaagt.

(...)

3.10

Ten aanzien van de op te leggen tuchtrechtelijke maatregel overweegt het College als volgt. Het College is van oordeel dat [A] op belangrijke onderdelen van het onderzoek heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van objectiviteit. De aard en ernst van deze onzorgvuldigheden zijn naar het oordeel van het College zodanig dat daarmee het accountantsberoep in diskrediet is gebracht, waarmee [A] ook het fundamenteel beginsel van professioneel gedrag heeft geschonden. Naar het oordeel van het College is, gelet hierop, oplegging van de maatregel van berisping passend en geboden.

(...)”

2.13.

Het televisieprogramma Brandpunt heeft in de uitzending van 10 februari 2015 aandacht besteed aan de uitspraak van het CBb van 18 december 2014 en [eiseres] daarover geïnterviewd.

2.14.

Naar aanleiding van voornoemde uitzending van Brandpunt en het daarbij door [eiseres] gegeven interview heeft BING op haar website de volgende verklaring geplaatst:

“Reactie BING op uitzending Brandpunt

Het tv-programma Brandpunt heeft op dinsdagavond 10 februari 2015 aandacht besteed aan het vertrek van oud-burgemeester [eiseres] van [gemeente] in 2011 en het onderzoek van BING naar haar handelen.

BING werd pas twee werkdagen voor de uitzending door Brandpunt op de hoogte gesteld. Nadat wij hadden opgemerkt dat de redacteuren van Brandpunt zich nauwelijks hadden verdiept in de feiten en achtergronden, hebben wij Brandpunt enkele malen aangeboden met ons in gesprek te gaan over de kwestie [gemeente] . Dit aanbod werd meermalen afgewezen. De redactie wilde slechts op camera antwoord op een aantal vragen waarin ernstige onjuistheden stonden.

Omdat een toelichtend gesprek door Brandpunt geweigerd werd, en wij niet enkel op tendentieuze vragen op camera antwoord wilden geven, werd door Brandpunt aangegeven dat een verklaring van ons zou worden meegenomen in de uitzending. Deze schriftelijke verklaring hebben wij aan de redactie van Brandpunt op dinsdagmorgen voor de door hen gestelde deadline gestuurd, om deze te gebruiken als ons wederhoor in de uitzending. Dit is ondanks de toezegging niet gebeurd. De verklaring is alleen op de website van Brandpunt te lezen. Deze werkwijze is naar onze mening unfair, en een schending van het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor. Om geïnteresseerden in de gelegenheid te stellen onze kant van het verhaal te horen – hoewel wij op lang niet alle onterechte beschuldigingen in de uitzending konden ingaan, mede omdat deze ons niet vooraf bekend waren – plaatsen wij hier de verklaring die BING aan Brandpunt gaf.

Schriftelijke verklaring van BING aan Brandpunt

Oud-burgemeester [eiseres] is in opspraak geraakt na berichten over haar bewind in de media en na kritische vragen in de gemeenteraad. De gemeenteraad van [gemeente] heeft BING vervolgens opdracht gegeven om zeventien dossiers te onderzoeken. Geruime tijd voordat het BING-onderzoek was afgerond, is mevrouw [eiseres] opgestapt als burgemeester.

Op één onderdeel van de conclusies heeft mevrouw [eiseres] gelijk gekregen van het CBb, en dat is voor ons uiteraard één punt te veel. Maar de conclusies over haar handelen in de andere zestien dossiers, zoals over belangenverstrengelingen en machtsmisbruik, staan overeind. Klachten over de onderzoeksmethodiek, zoals het gebruik van interviews, heeft het CBb ongegrond verklaard.

BING heeft in de tien jaar van zijn bestaan honderden integriteitsonderzoeken uitgevoerd. In enkele gevallen heeft dit geleid tot klachten. Dat is vervelend en deels onvermijdelijk: wij werken in zeer gevoelige en soms complexe situaties met grote consequenties voor personen. Daarom houden wij onze werkwijze permanent kritisch tegen het licht.

De uitspraken van het CBb hebben betrekking op het tuchtrecht voor accountants. BING is geen accountantskantoor. Het is de vraag hoe een civiele rechter tegen de zaak aankijkt, maar wij zien eventuele schadeprocedures met vertrouwen tegemoet, mede omdat belangrijke conclusies van BING overeind zijn gebleven.”

2.15.

[eiseres] heeft BING bij brief van 19 februari 2015 aansprakelijk gesteld voor de schade, die [eiseres] en haar familie stellen te lijden als gevolg van het rapport en de onjuiste voorstelling van zaken. Voorts heeft [eiseres] BING gesommeerd om de berichtgeving te rectificeren. BING heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.16.

[eiseres] heeft BING op 5 maart 2015 in kort geding gedagvaard. Aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiseres] rectificatie gevorderd van de verklaringen van BING van 10 februari 2015 en 7 juli 2014.

2.17.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 1 april 2015, voor zover van belang, de (rectificatie)vordering van [eiseres] afgewezen. Geoordeeld is dat vooralsnog onvoldoende is komen vast te staan dat de uitlatingen van BING in strijd zijn met de waarheid of onnodig grievend zijn tegen [eiseres] . Geoordeeld is verder dat de uitlatingen van [eiseres] in de media geen steun vinden in de uitspraak van het CBb. [eiseres] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

2.18.

Op 2 april 2015 heeft BING de volgende verklaring op haar website geplaatst:

Verklaring BING kort geding [eiseres] -BING

Rechtbank wijst vorderingen [eiseres] tegen BING af

De rechtbank in Utrecht heeft de vorderingen van de oud-burgemeester van [gemeente] , [eiseres] , tegen het onderzoek- en adviesbureau BING, gisteren in kort geding afgewezen (lees hier het vonnis). BING deed in opdracht van de gemeenteraad van [gemeente] in 2011 onderzoek naar beschuldigingen van onder meer machtsmisbruik en belangenverstrengeling tegen de oud-burgemeester.

BING heeft volgens de rechter terecht publiekelijk mogen stellen dat de conclusies ten aanzien van het handelen van mevrouw [eiseres] op 16 van de 17 onderdelen (dossiers) van het onderzoeksrapport onverkort overeind staan. Die verklaring bevat volgens de rechter geen feitelijke onjuistheden en is niet onrechtmatig en niet grievend jegens mevrouw [eiseres] .

Op een van de 17 dossiers heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) vorig jaar, in een door [eiseres] aangespannen tuchtprocedure, uitgesproken dat BING ongenuanceerd heeft geoordeeld. Na deze uitspraak van het CBb, verklaarden mevrouw [eiseres] en haar woordvoerder in de media dat het onderzoek van BING door het CBb “in de prullenbak is gedaan” en het overgrote deel van de conclusies door het CBb “van tafel is geveegd”.

De rechtbank stelt nu dat de “verregaande uitspraken” van mevrouw [eiseres] “geen steun vinden in de uitspraak van het CBb omdat het CBb zich daarover niet heeft uitgesproken”. Ook meent de rechtbank dat “BING door de vele publicaties over deze zaak in een kwaad daglicht is gesteld”.

In zijn schriftelijke weerwoord op een uitzending van Brandpunt over de zaak- [eiseres] in februari, stelde BING dat de conclusies in 16 van de 17 dossiers van het onderzoek, zoals over belangenverstrengeling en machtsmisbruik van de oud-burgemeester, ook na de uitspraak van het CBb nog overeind staan. Ook klachten van mevrouw [eiseres] over de onderzoeksmethodiek, zoals het gebruik van interviews, heeft het CBb ongegrond verklaard.

Mevrouw [eiseres] spande hierop een kort geding aan tegen BING met de vordering om deze verklaring in te trekken. De rechtbank heeft deze vordering nu afgewezen. Mevrouw [eiseres] is veroordeeld tot het betalen van de proceskosten.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] heeft gevorderd - samengevat weergegeven – BING (I) te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade door de onrechtmatige gedragingen van BING, nader op te maken bij staat en BING (II) te veroordelen om de berichten over [eiseres] op haar website binnen twee dagen na het wijzen van dit vonnis te verwijderen en te rectificeren, met veroordeling van BING (III) in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] , samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat het door BING op onzorgvuldige wijze tot stand brengen van het rapport, het uitbrengen van het rapport en de daarop volgende berichtgeving zijn te kwalificeren als onrechtmatige daden van BING. Hierdoor heeft BING het recht van [eiseres] op bescherming van haar eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer ten onrechte aangetast. BING is op grond van de door haar gepleegde onrechtmatige daden aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg hiervan lijdt dan wel heeft geleden en BING dient deze schade te vergoeden.

3.3

BING voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, inclusief nakosten, onder bepaling dat [eiseres] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn wanneer zij deze kosten niet binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis zal hebben voldaan.

3.4

Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd zal hierna, voor zover voor de beslissing relevant, aan de orde komen.

4 De beoordeling

5 De beslissing