Rechtbank Midden-Nederland, 06-12-2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6075, C/16/424130 / HA ZA 16-739
Rechtbank Midden-Nederland, 06-12-2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6075, C/16/424130 / HA ZA 16-739
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 6 december 2017
- Datum publicatie
- 12 december 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2017:6075
- Zaaknummer
- C/16/424130 / HA ZA 16-739
Inhoudsindicatie
diefstal in dienstverband; gebruik verborgen camera; onrechtmatige daad; schadevergoeding.
Uitspraak
vonnis
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/424130 / HA ZA 16-739
Vonnis van 6 december 2017
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. D. Maats te Utrecht,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. E.R. Jonkman te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 25 januari 2017
- -
-
de akte houdende vermeerdering althans wijziging van eis van [eiseres]
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 29 mei 2017
- -
-
de akte van [eiseres]
- -
-
de akte van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseres] is een elektrotechnisch installatiebedrijf.
[gedaagde] is op 1 maart 2014 in dienst getreden van [eiseres] in de functie van elektro/beveiligingsmonteur. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is met ingang van 1 maart 2015 omgezet naar onbepaalde tijd.
[eiseres] beschikt over een open magazijn. Op 21 juli 2016 heeft [eiseres] een verborgen camera opgehangen in het magazijn, omdat [eiseres] bemerkte dat in de loop van 2016 de aantallen ingekocht materiaal in toenemende mate afweken van de aantallen verbruikt materiaal waarvoor zij geen verklaring kon vinden. [eiseres] kwam tot de conclusie dat er werd gestolen uit het magazijn.
Van 25 juli 2016 tot en met 27 juli 2016 heeft [naam recherchebureau] (hierna te noemen: [naam recherchebureau] ) in opdracht van [eiseres] onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van vermissingen van materialen uit het magazijn. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt, gedateerd 10 augustus 2016.
Op 27 juli 2016 heeft een gesprek tussen [gedaagde] en medewerkers van [naam recherchebureau] plaatsgevonden. [gedaagde] heeft erkend spullen van [eiseres] te hebben meegenomen. De spullen werden daarna door [gedaagde] verkocht. [gedaagde] heeft, onder meer, het volgende aan [naam recherchebureau] medegedeeld en het gespreksverslag daarna ondertekend:
“(...) Ik weet niet meer wat ik allemaal heb meegenomen. Zelfs die blauwe dozen wist ik net niet meer. In het begin was het niet zo vaak. (...)
(...) Ik denk aan € 15.000,- totaal dat ik eraan heb verdiend. Ik ben ook bereid dat terug te betalen aan [eiseres] . (...)
Het is bij mij echt begonnen in januari 2016 niet in juli 2015. Ik weet niet wat andere hier doen of hebben gedaan. (...)
De laatste tijd ben ik wel meer gaan meenemen. (...)
Je zegt dat over 2016 blijkt dat hier uit het magazijn 258 kasten missen. Dat is wel extreem veel. (...)
Hoeveel kasten ik in totaal heb meegenomen? Niet die 258 die daar op briefje staan. Ik heb er zeker niet meer dan 100 meegenomen. Dat zeg ik in reactie op die 258 die je noemt. Je zegt dat die 100 al de dubbele hoeveelheid is van die ik net had berekend. Ik denk dat er hier meer aan de hand is. Ik ben niet verantwoordelijk voor al die kasten.”
Vervolgens heeft [gedaagde] op 27 juli 2016 aan [eiseres] verschillende artikelen overhandigd die door hem in de laatste twee/drie weken waren meegenomen en een geldbedrag van € 9.000,00 dat door hem was verkregen met de meegenomen artikelen. Deze lijst is door [gedaagde] en [A] en [B] van [eiseres] voor akkoord ondertekend (productie 4 van de dagvaarding).
Op 28 juli 2016 is [gedaagde] door [eiseres] op staande voet ontslagen.
[gedaagde] heeft op 28 juli 2016 wederom verschillende artikelen ingeleverd bij [eiseres] , waarvan een lijst is opgemaakt die onder meer door [gedaagde] voor akkoord is ondertekend (productie 5 van de dagvaarding).
Op 29 juli 2016 heeft [C] namens [eiseres] bij de politie Eenheid Midden-Nederland aangifte gedaan van verduistering/diefstal door [gedaagde] .
3 Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat – na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad, dan wel wanprestatie aansprakelijk is voor de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 221.780,74 ter vergoeding van schade (bestaande uit schade wegens verdwijnen van materiaal € 176.990,74; kosten [naam recherchebureau] € 7.650,00; schade door inzet monteurs € 37.140,00), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop vonnis wordt gewezen tot de dag van de algehele voldoening;
III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 2.936,41 als vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten.
[eiseres] stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat [gedaagde] een onrechtmatige daad, dan wel wanprestatie heeft gepleegd die aan hem kan worden toegerekend. [gedaagde] heeft inbreuk gemaakt op het vermogensrecht/eigendomsrecht van [eiseres] door zonder toestemming eigendommen van [eiseres] toe te eigenen in de periode dat hij in dienst was van [eiseres] . [eiseres] heeft daardoor schade geleden. Daarnaast is [gedaagde] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn veplichtingen op grond van de arbeidsovereenkomst.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.