Rechtbank Midden-Nederland, 08-05-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2196, C/16/445103 / HL RK 17-60
Rechtbank Midden-Nederland, 08-05-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2196, C/16/445103 / HL RK 17-60
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 8 mei 2018
- Datum publicatie
- 25 mei 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2018:2196
- Zaaknummer
- C/16/445103 / HL RK 17-60
Inhoudsindicatie
Uitspraak
beschikking
Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rekestnummer: C/16/445103 / HL RK 17-60
Beschikking van 8 mei 2018
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem,
tegen
de rechtspersoon naar vreemd recht
GOOGLE LLC.,
gevestigd te Mountain view, Californië, Verenigde Staten
verweerster,
advocaten mr. R.D. Chavannes en mr. S.A. Hoogcarspel te Amsterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker] en Google.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift met daarbij 10 producties
- -
-
het verweerschrift met daarbij 29 producties
- -
-
de mondelinge behandeling op 13 maart 2018, waarbij de advocaten van partijen hun pleitnotities hebben overgelegd.
2 De feiten
[verzoeker] heeft in verschillende functies bij een aantal financiële instellingen gewerkt en is voormalig financieel adviseur van (noodlijdende) bedrijven.
Google (voorheen Google Inc. geheten) exploiteert Google Search. Deze zoekmachine helpt internetgebruikers om informatie op het internet te vinden. Gebruikers kunnen één of meer zoektermen opgeven, waarna Google Search een resultatenlijst toont met koppelingen naar bronpagina’s. Een koppeling is opgebouwd uit een titeltag, een internetadres (“Uniform Resource Locator”, hierna: “URL”) en een stukje tekst van de bronpagina. De selectie en ordening van de zoekresultaten en de vertoning daarvan aan de gebruiker zijn het dynamisch product van een geautomatiseerd, algoritmisch proces.
Bij het opgeven van de naam van [verzoeker] -geschreven als [verzoeker] , [verzoeker] of [verzoeker] - als zoekterm in Google Search worden verschillende zoekresultaten weergegeven.
In de onderhavige procedure gaat het om vier zoekresultaten met URL’s die in het verzoekschrift zijn aangeduid als URL 9a tot en met 9d. Het betreft de volgende URL’s:
- -
-
URL 9a: [http://www.....1]
- -
-
URL 9b: [http://www.....2]
- -
-
URL 9c: [http://www.....3]
- -
-
URL 9d: [http://www.....4]
Het zoekresultaat met URL 9a verwijst naar het openbaar faillissementsverslag van de curator van [bedrijfsnaam 1] B.V. van [2015] op de website van zijn kantoor. In dit verslag wordt [verzoeker] genoemd als voormalige partner van [A] , enig bestuurder en enig aandeelhouder van de failliete onderneming. Volgens de curator blijkt uit stukken die [A] heeft overgelegd dat [verzoeker] verhuurder was van gefailleerde. De curator meldt verder dat er in de woning van [verzoeker] goederen zijn aangetroffen die tot het vermogen van de failliet behoren.
Het zoekresultaat met URL 9b verwijst naar een publicatie van [2016] onder de titel ‘ [titel 1] ’ en een doorverwijzing naar het volledige artikel van [2016] . In dit artikel bericht journalist [B] (hierna: “ [B] ”) van het onlinetijdschrift [naam tijdschrift 1] dat de curator van het failliete autoconcern [naam autoconcern] in [2016] beslag heeft gelegd op vastgoed van [verzoeker] .
[verzoeker] werd in 2006 door ING aangesteld als saneerder bij [naam autoconcern] . In datzelfde jaar werd het concern in staat van faillissement verklaard. De curator van [naam autoconcern] heeft [verzoeker] wegens onrechtmatig handelen aansprakelijk gesteld voor de schade van de gezamenlijke crediteuren van vijf van de failliete vennootschappen. Bij arrest van 17 mei 2016 heeft het hof Amsterdam de vorderingen van de curator grotendeels toegewezen. Tegen dit arrest hebben zowel [verzoeker] als de curator cassatie ingesteld. Bij arrest van 26 januari 2018 heeft de Hoge Raad in het principale beroep de klacht van [verzoeker] over de ingangsdatum van de wettelijke rente gegrond verklaard en geoordeeld dat de overige klachten niet tot cassatie kunnen leiden. In het incidentele beroep werden de klachten van de curator gehonoreerd en de zaak werd verwezen naar het hof voor de verdere afdoening.
In het artikel waar het zoekresultaat met URL 9b naar doorverwijst, bericht [B] daarnaast, voor zover relevant, het volgende:
“(...) Het is in ieder geval niet de eerste keer dat [verzoeker] wordt belast met een miljoenenbetaling. Eerder dit jaar oordeelde een rechter dat hij €1,8 miljoen moet betalen ( [http://www.....5] ) in een faillissementszaak rond een Brabantse keukenfirma.
Daarnaast tracht het Openbaar Ministerie de [titel 2] achter slot en grendel te krijgen voor faillissementsfraude en bedrieglijke bankbreuk. Anderhalf jaar geleden werd [verzoeker] in hoger beroep veroordeeld tot 15 maanden cel, een uitspraak ( [http://www.....4] ) waartegen ook cassatie is aangetekend.(...)”
Met betrekking tot het faillissement van het keukenbedrijf heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant [verzoeker] bij vonnis van 9 september 2015 wegens bestuurdersaansprakelijkheid veroordeeld tot betaling van het faillissementstekort.
Over de veroordeling van [verzoeker] in dit faillissement heeft het [naam dagblad 1] op [2015] een artikel gepubliceerd, onder de titel “ [titel 2] ’ aansprakelijk voor tekort EUR 1,8 mln in bankroet keukenbedrijf’.
De onder 2.8 genoemde strafzaak was eerder onderwerp van een publicatie van
[2015] van [B] en betreft het bronmateriaal waar URL 9d naar verwijst. In het artikel wordt verwezen naar een arrest van het hof Amsterdam van 17 december 2014, waarbij [verzoeker] werd schuldig bevonden aan bedrieglijke bankbreuk en de benadeling van schuldeisers van twee failliete vennootschappen en veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden.
Over deze strafrechtelijke veroordeling van [verzoeker] hebben ook andere media bericht.
Het zoekresultaat met URL 9c verwijst naar een publicatie van [2015] in het Surinaamse tijdschrift [naam tijdschrift 2], onder de titel ‘ [titel 3] ’. Het artikel gaat over wijze waarop [verzoeker] een plantage zou hebben verkregen. In dit artikel staat, voor zover relevant, het volgende:
“(...)Voor de publicatie van het artikel is uitgebreid mailverkeer geweest met [verzoeker] . Daarin stelde hij keer op keer dat we het bij het verkeerde eind hadden en de door ons weergegeven feiten niet klopten. Maar wát er niet klopte, wist hij niet te vertellen. De augustuseditie verscheen, van de kant van [verzoeker] bleef het vervolgens echter stil. Waarschijnlijk omdat hij geen stok kon vinden om ons mee te slaan. Maar out of the blue ontving de redactie begin februari toch een mail van hem, waarin hij eiste dat het artikel van de [naam tijdschrift 2] -website werd verwijderd en in de eerstvolgende papieren editie een rectificatie wordt geplaatst.
Waarom we dat niet doen?Lees het in [naam tijdschrift 2] !(...)”
Op [2016] heeft het [naam dagblad 2] een artikel gepubliceerd over het faillissement van saneerder [bedrijfsnaam 2] . In dit artikel staat, voor zover relevant, het volgende:
“(...)Iedereen wijst met de beschuldigende vinger naar directeur [C] .
,,Hij heeft zich voor het faillissement ingelaten met adviseurs als [verzoeker] en [D] , die veroordeeld zijn voor faillissementsfraude en een strafblad hebben”, vertelt een oud-medewerker. Op advies van die twee werd de naam [bedrijfsnaam 2] BV vlak voor het faillissement veranderd in [bedrijfsnaam 3] B.V. Ook de holding kreeg die naam, zodat schuldeisers niet zagen dat de bedrijven failliet waren verklaard.(...)”
Op 10 april 2017 heeft de advocaat van [verzoeker] namens [verzoeker] Google verzocht om verwijdering van onder meer de in 2.4 weergegeven zoekresultaten. Google heeft dit verzoek per e-mail van 19 mei 2017 afgewezen.
Vervolgens heeft de advocaat van [verzoeker] namens [verzoeker] de Autoriteit persoonsgegevens (hierna: “AP”) bij brief van 26 juni 2017 verzocht om te bemiddelen tussen [verzoeker] en Google. De AP heeft dit verzoek bij brief van 12 juli 2017 afgewezen.
Bij vonnis van 19 april 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland geoordeeld dat op 6 maart 2017 aan [verzoeker] door de gedaagde in die procedure een volmacht is verleend in strijd met artikel 2:8 BW. Op basis van deze volmacht heeft [verzoeker] handelingen verricht op een wijze die door de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.10. is omschreven als volgt:
“(...)4.10. Dit handelen, dat in geen enkel geval enige basis in de wet of statuten kan vinden en uitsluitend gericht is op benadeling van [bedrijfsnaam 4] en haar positie binnen [bedrijfsnaam 5] lijkt een vorm van vennootschapspiraterij die zich aan geen enkele wettelijke of statutaire regel stoort.(...)”
Over deze kwestie hebben de [naam dagblad 3] en [naam tijdschrift 3] op respectievelijk [2017] en [2017] bericht.
3 Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt de rechtbank te bevelen:
Dat Google de aangevochten oppelingen, als zoekresultaat van een zoekopdracht naar de naam van [verzoeker] , geschreven als [verzoeker] , [verzoeker] of [verzoeker] , op Google Search verwijdert en verwijderd zal houden, dan wel afschermt en afgeschermd zal houden, een en ander op straffe van betaling van een dwangsom van € 5.000,-, dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat niet geheel of gedeeltelijk aan dit bevel is voldaan, vanaf de datum van de in dezen te wijzen beschikking, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van Google in de proceskosten.
Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft [verzoeker] , samengevat, het volgende gesteld. De verwerking van zijn persoonsgegevens door Google is onverenigbaar met de Wet bescherming persoonsgegevens (verder: de “Wbp”) en de richtlijn 95/46/EG van het Europees parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (verder: de “privacyrichtlijn”). Google maakt daarmee inbreuk op het fundamentele recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en op het recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals deze zijn verankerd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: het “Handvest”). Om deze redenen dient Google de zoekresultaten die weergegeven zijn onder 2.4 te verwijderen.
Google heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van het geding.