Home

Rechtbank Midden-Nederland, 25-07-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4022, NL17.12823

Rechtbank Midden-Nederland, 25-07-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4022, NL17.12823

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25 juli 2018
Datum publicatie
24 augustus 2018
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2018:4022
Zaaknummer
NL17.12823

Inhoudsindicatie

Uitleg statutaire bepaling niet op grond van de CAO-norm maar de Haviltexmaatstaf. Gedaagde moet haar aandelen in de jointventurevennootschap aanbieden aan eiseres.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL17.12823

Vonnis van 25 juli 2018 in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat D.Th.J. van der Klei,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat M.P.J. Kik te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de procesinleiding

-

het verweerschrift

-

alle bijlagen die [eiseres] en [gedaagde] in het geding hebben gebracht, waaronder hun spreekaantekeningen

-

het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 23 mei 2018

-

de brief van mr. Van der Klei namens [eiseres] van 29 juni 2018, met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Omdat mr. Van der Klei geen notificatie had ontvangen dat het proces-verbaal digitaal beschikbaar was gesteld, heeft de rechter toegestaan dat hij op 29 juni 2018 zijn schriftelijke commentaar op de inhoud daarvan in het geding heeft gebracht. Vervolgens is aan [gedaagde] een week de gelegenheid gegeven om ook schriftelijk te reageren op de inhoud van het proces-verbaal. Van die gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt. Ten slotte is bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2 Inleiding

2.1.

In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] haar aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) te koop moet aanbieden aan [eiseres] , zoals [eiseres] heeft gevorderd. Als onderbouwing van die vordering heeft [eiseres] vier argumenten aangevoerd (zie 4.2). Een van die argumenten, over de uitleg van een bepaling in de statuten, slaagt. De andere argumenten van [eiseres] , en de reactie van [gedaagde] daarop, hoeft de rechtbank daarom niet inhoudelijk te bespreken. Hieronder worden eerst relevante feiten weergegeven. Daarna volgt een samenvatting van de vorderingen en van de standpunten van partijen, waaruit het geschil blijkt. Vervolgens wordt onder ‘De beoordeling’ uitgelegd waarom het standpunt van [eiseres] over de uitleg van de statuten slaagt. Ten slotte worden de beslissingen gegeven waartoe [gedaagde] wordt veroordeeld.

3 Feiten

3.1.

De aandelen in [eiseres] worden gehouden door [A] (hierna: [A] ), die ook de enige bestuurder is van [eiseres] .

3.2.

In 2009 is [A] een samenwerking aangegaan met [gedaagde] , gericht op online nascholingscursussen van verpleegkundigen. Die nascholingscursussen worden onder de naam [naam] op de markt gebracht. [A] is sindsdien met name verantwoordelijk voor het uitgeven, de verkoop en de inhoud van de cursussen. [gedaagde] is onder meer verantwoordelijk voor de administratie, de ICT en het debiteurenbeheer.

3.3.

Via hun persoonlijke houdstermaatschappijen [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. waren [B] (hierna: [B] ) en [C ] (hierna: [C ] ) groot-aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] . Daarnaast hield de heer [D] (hierna: [D] ), gevolmachtigd directeur van [gedaagde] , 2,5% van de aandelen in [gedaagde] .

3.4.

Op enig moment is [naam] ingebracht in [bedrijf 1] . [eiseres] en [gedaagde] houden elk 50% van de aandelen in [bedrijf 1] . Zij zijn ook allebei bestuurder van [bedrijf 1] .

3.5.

In 2012 hebben [B] en [C ] aan [A] verteld dat het hun bedoeling was om [gedaagde] op termijn te verkopen.

3.6.

In 2012 hebben [B] en [C ] tegenover [A] de wens geuit dat [eiseres] en [gedaagde] als aandeelhouders van [bedrijf 1] een aandeelhoudersovereenkomst zouden sluiten en dat de statuten van [bedrijf 1] zouden worden aangepast. [A] is daarmee akkoord gegaan. De afdeling notariaat van NautaDutilh (hierna: het notariskantoor) heeft vervolgens concepten voor de aandeelhoudersovereenkomst en de nieuwe statuten opgesteld. Op

5 december 2013 hebben [eiseres] ( [A] ) en [gedaagde] ( [B] en [C ] ) de aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot [bedrijf 1] ondertekend (hierna: de aandeelhoudersovereenkomst). Ook hebben [eiseres] en [gedaagde] in december 2013 elk een managementovereenkomst met [bedrijf 1] gesloten. De statuten van [bedrijf 1] zijn op 10 juni 2014 gewijzigd door middel van een notariële akte, die is gepasseerd bij een notaris van het notariskantoor (hierna: de statuten).

3.7.

In april 2017 hebben [B] , [C ] en [D] hun aandelen in [gedaagde] overgedragen aan [gedaagde] B.V. (hierna: [gedaagde] Holding). Sindsdien zijn [D] en [E] bestuurder van [gedaagde] .

3.8.

[gedaagde] Holding is in handen van [bedrijf 4] , een Nederlandse onderneming die investeert/participeert in [bedrijven] . [bedrijf 4] zet fondsen op. Voor ieder fonds werft zij beleggers, die geld inleggen. [bedrijf 4] investeert in ondernemingen die na aftrek van kosten ten minste 12% rendement per jaar opleveren. De bedoeling van [bedrijf 4] is dat de inleggers na ongeveer vijf jaar hun inleg weer terug krijgen door de [bedrijven] te verkopen.

3.9.

In artikel 12 van aandeelhoudersovereenkomst is bepaald dat de aandeelhoudersovereenkomst de gehele overeenstemming bevat tussen [eiseres] en [gedaagde] over de in de aandeelhoudersovereenkomst geregelde onderwerpen en dat zij iedere vroegere schriftelijke en/of mondelinge overeenkomst vervangt. Deze bepaling wordt hierna de entire agreement clause genoemd.

3.10.

Artikel 11 van de statuten bevat in de leden 1 tot en met 10 een regeling voor het geval een aandeelhouder zijn aandelen in [bedrijf 1] wil verkopen. Die aandeelhouder is dan verplicht om zijn aandelen eerst te koop aan te bieden aan de andere aandeelhouder. Artikel 11 aanhef in combinatie met lid 11 onder g van de statuten (hierna: artikel 11.11.g van de statuten) luidt - voor zover in deze zaak van belang - als volgt:

‘Ingeval de zeggenschap in de zin van het SER-Besluit Fusiegedragsregels 2000 over een rechtspersoon, die direct of indirect zeggenschap in de zin van het SER-Besluit Fusiegedragsregels 2000 heeft over de Vennootschap, door één of meer anderen wordt verkregen, zulks ongeacht of die gedragsregels op de betreffende verkrijging van toepassing zijn, rust op de Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden of wettelijke vertegenwoordiger casu quo de nieuwe Aandeelhouder de verplichting daarvan aan het Bestuur kennis te geven, zulks binnen dertig dagen na het ontstaan van die verplichting. Onmiddellijk na ontvangst van deze kennisgeving deelt het Bestuur aan de betrokken Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden of wettelijke vertegenwoordiger casu quo de nieuwe Aandeelhouders mede dat zijn casu quo hun aandelen gelden als aangeboden in de zin van dit artikel. Het Bestuur is dan verplicht onverwijld de Aandeelhouders van het vooronderstelde aanbod in kennis te stellen. De leden 1 tot en met 10 van dit artikel vinden dan overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat de aanbieder niet het recht heeft zijn aanbod in te trekken en dat in een geval waarin de aanbieder vrij is de aangeboden aandelen aan de voorgestelde verkrijger(s) over te dragen de Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden casu quo de nieuwe Aandeelhouders slechts het recht hebben die aandelen te behouden. [...]’

4 Het geschil

6 De beslissing