Rechtbank Midden-Nederland, 21-02-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:6879, C/16/419300 / HL ZA 16-198
Rechtbank Midden-Nederland, 21-02-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:6879, C/16/419300 / HL ZA 16-198
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 21 februari 2018
- Datum publicatie
- 25 februari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2018:6879
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2019:3820
- Zaaknummer
- C/16/419300 / HL ZA 16-198
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid en het beroep op het verlenen van decharge aan de bestuurder door de algemene ledenvergadering.
Uitspraak
vonnis
Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/419300 / HL ZA 16-198
Vonnis van 21 februari 2018
in de zaak van
de vereniging
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. A.P.P. Witteveen te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. J. Ekelmans te 's-Gravenhage.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 4 juli 2016 met producties (1t/m 35);
- -
-
de conclusie van antwoord met producties (1 t/m 74);
- -
-
de conclusie van repliek met producties (36 t/m 56);
- -
-
de conclusie van dupliek;
- -
-
de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities;
- -
-
het verkort proces-verbaal van 30 oktober 2017;
- -
-
de fax van 13 november 2017 van [gedaagde] ;
- -
-
de fax van 16 november 2017 van [eiseres] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseres] is een woningcorporatie en exploiteert circa 3.600 (woon)eenheden.
[gedaagde] was, met uitzondering van de periode van 9 tot en met 19 juni 2010, van 1 januari 2006 tot 14 februari 2011 (enig) statutair bestuurder en directeur van [eiseres] .
De raad van toezicht van [eiseres] (RvT) bestond in de periode van begin 2010 tot medio 2011 uit de volgende personen: Mw. [A] ( voorzitter ), dhr. [B] ( vice-voorzitter ), en de leden mw. [C] , mw. [D] , mw. [E] , mw. [F] , dhr. [G] en dhr. [H] .
Artikel 23 lid 3 van de statuten van [eiseres] luidt:
“De statutair directeur is na verkregen toestemming van de Raad van Toezicht bevoegd tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt.”
Op 15 maart 2010 is [gedaagde] , in zijn hoedanigheid als directeur-bestuurder van [eiseres] , met [bedrijfsnaam] B.V. te [vestigingsplaats] schriftelijk akkoord gegaan met de door [bedrijfsnaam] gedane aanbieding terzake het project [project 1] (hierna: het project [project 1] ). Het project [project 1] betreft de bouw en levering van 34 appartementen en zes commerciële ruimten tegen een door [eiseres] te betalen bedrag van € 11.186.000,-- [gedaagde] is akkoord gegaan onder voorbehoud van de goedkeuring van de RvT.
Op 9 juni 2010 wordt [gedaagde] met onmiddellijke ingang voor de duur van drie maanden door de RvT geschorst.
Op 18 juni 2010 is door de kantonrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch de schorsing van [gedaagde] als bestuurder van [eiseres] ongedaan gemaakt.
Medio juni 2010 heeft de algemene ledenvergadering van [eiseres] aan de toenmalige minister van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verzocht tot het aanstellen van een externe toezichthouder . De heer [I] werd aangesteld als externe toezichthouder/procesbegeleider bij [eiseres] en was per 15 augustus 2010 als zodanig werkzaam bij [eiseres] .
Tijdens de vergadering van 16 september 2010 van de RvT met [gedaagde] is besloten dat de RvT uiterlijk 20 september 2010 uitsluitsel geeft over de door [gedaagde] gevraagde toestemming betreffende het project [project 1] .
De e-mail van 17 september 2010 van de RvT aan [gedaagde] luidt:
“Beste [voornaam van gedaagde] ,
Conform afspraak ontvang je hierbij ons besluit m.b.t. de aankoop van het plan [project 1] van [straatnaam] .
(...).
Dat brengt ons tot het volgende besluit:
Bij handhaving van de gehanteerde parameters (en risico’s) voor de commerciële ruimten kunnen wij alleen instemmen met het plan op voorwaarde van een sluitende businesscase, dus zonder onrendabele investering. De berekende winst van de commerciële ruimten (in basisscenario € 1,3 mio) zou zodoende ingezet moeten worden voor de sociale huur (€ 0,9 onrendabel) en eventueel deels voor het onrendabel parkeren (max. dus € 0,4 mio). Bij tegenvallende ontwikkelingen bij het commerciëel vastgoed zal het verlies (onrendabel) van het project aanvaardbaar blijven. Dit uitgangspunt geeft ook weerstand bij andere mogelijk negatieve gevoeligheidsscenario’s zoals doorgerekend.
Je hebt in het voorstel al twee scenario’s opgenomen die het resultaat positiever maken (hogere commerciële huur, en lagere beheerslast parkeren. Wij willen daarnaast de suggestie doen nog eens structureel naar de exploitatie van de parkeerplaatsen te kijken, en de negatieve beheersexploitatie van de parkeerplaatsen voor de commerciële ruimten en de koopwoningen niet in de exploitatie van [eiseres] mee te nemen.
We dagen je uit om een scenario uit te werken dat kan voldoen aan onze bovenstaande voorwaarden.
Concreet t.a.v. de gevraagde besluiten ABC:
Ons voorstel om de grote onrendabele investering voor alle parkeerplaatsen niet volledig voor rekening van [eiseres] te nemen geldt ook ingeval alleen de verhuur/verkoop woningen worden aangeschaft. In het voorstel is niet duidelijk hoe hoog het onrendabel deel voor het parkeren is bij gevraagd besluit C.
Met vriendelijke groet,
Namens de RvT,
[E] ”
[gedaagde] heeft met de toezichthouder/procesbegeleider [I] en leden van het managementteam besproken of voormelde e-mail van 17 september 2010 betekende dat de RvT akkoord is gegaan met het project [project 1] . Geconcludeerd is dat dit het geval was.
Bij brief van 11 oktober 2010 schrijft [gedaagde] over het project [project 1] aan [bedrijfsnaam] onder meer:
“Goedkeuring Raad van Toezicht
Het voorbehoud op het akkoord van de goedkeuring door de Raad van Toezicht is niet meer van toepassing. Wij kunnen derhalve definitief akkoord gaan met uw aanbieding het hoekgebouw te leveren voor € 11.186.000,00 v.o.n.”
Op 18 november 2010 ondertekent [gedaagde] betreffende het project [project 1] de turnkey-koopovereenkomst met [bedrijfsnaam] .
Op 17 en 23 december 2010 heeft de levering van vastgoed voortvloeiende uit de overeenkomst van 18 november 2010 plaatsgevonden.
Bij brief van 22 december 2010 heeft het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) aan [eiseres] onder meer gemeld:
“a) [project 1] van [straatnaam] (€ 7.5 miljoen)
De totale investeringen van het project [project 1] van [straatnaam] bedragen € 11,3 miljoen.
Exclusief de 21 sociale koopwoningen bedragen de investeringen in totaliteit € 7,5 miljoen,
waarvan € 4,9 miljoen voor commerciële ruimten (inclusief parkeren) en € 2,6 miljoen voor 13 huurwoningen.
Het WSW is van mening dat gezien de disproportionalitelt tussen borgbare- en niet borgbare cq commerciële activiteiten én onvoldoende blijk van “in de geest van maatschappelijk belang” de commerciële ruimten in dit project niet aan de borgingscriteria van het WSW voldoen. U kunt wel borg krijgen voor de 13 huurwoningen, indien dit project doorgang vindt.”
Bij beschikking van 3 februari 2011 heeft de kantonrechter van de rechtbank ’s‐Hertogenbosch op verzoek van [eiseres] per 14 februari 2011 de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] ontbonden op grond van een verandering in de omstandigheden. Aan [gedaagde] is een vergoeding toegekend van € 100.000,-- bruto.
Vanaf maart 2011 tot juni 2013 heeft [gedaagde] werkzaamheden voor [bedrijfsnaam] verricht.
Tijdens de algemene ledenvergadering van [eiseres] van 30 juni 2011 zijn de jaarrekening en het jaarverslag over het boekjaar 2010 door de leden goedgekeurd. Voorts is het besluit genomen om aan de statutair directeur en de RvT decharge te verlenen over de stukken die aan de algemene vergadering zijn voorgelegd. In de notulen van deze algemene ledenvergadering is daarover opgenomen:
‘Besluit: de leden verlenen decharge aan de statutair directeur en de Raad van Toezicht over de stukken die aan de algemene ledenvergadering zijn overgelegd.’
Bij brief van 26 oktober 2011 heeft [eiseres] de notaris ten overstaan van wie de onder 2.14 genoemde levering is gepasseerd aansprakelijk gesteld wegens een beroepsfout in het kader van het project [project 1] . [eiseres] houdt de notaris aansprakelijk voor de door haar geleden en nog te lijden schade uit hoofde van het project [project 1] . [eiseres] meldt dat zij vermoedt dat de notaris van nog oude statuten van de vereniging is uitgegaan, waardoor de notaris ten onrechte heeft aangenomen dat de toestemming van de RvT geen vereiste is voor het rechtsgeldig sluiten van de koopovereenkomst van 18 november 2010.
Bij brief van 2 januari 2012 heeft de notaris de aansprakelijkheid verworpen.
Bij brief van 10 november 2015 heeft [eiseres] [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] op het project [project 1] geleden en nog te lijden schade. In de brief wordt gemeld dat de schade ‘in de miljoenen’ loopt.
3 Het geschil
[eiseres] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] ex art. 2:9 BW en/of art. 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn handelwijze als bestuurder van [eiseres] met betrekking tot het [project 1] -project;
-
[gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling, bij wege van voorschot, van het bedrag van EUR 3.500.000,00 (zegge: drie miljoen vijf honderd duizend euro), althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van aansprakelijkstelling (5 januari 2011), althans de dag van de laatste aanmaning (10 november 2015), althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
-
[gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eiseres] te voldoen, voor zover dit voormeld voorschot overstijgt, een bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet ter zake van de overige schade die [eiseres] als gevolg van het [project 1] project heeft geleden, de kosten van financiering en leegstand daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van aansprakelijkstelling (5 januari 2011), althans de dag van de laatste aanmaning (10 november 2015), althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
-
[gedaagde] wordt veroordeeld te voldoen een bedrag van EUR 6.775,00 ter vergoeding van gemaakte kosten ter vaststelling van de schade en verkrijging van voldoening buiten rechte te vermeerderen met, indien tijdige betaling uitblijft, de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
-
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten, inclusief nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met, indien tijdige betaling uitblijft, de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
[eiseres] heeft daartoe - kort en zakelijk weergegegeven - het volgende gesteld. [gedaagde] is in zijn hoedanigheid van (enig) statutair bestuurder van [eiseres] onbevoegd de verplichtingen betreffende het project [project 1] aangegaan. Het sluiten van de onder 2.13 bedoelde koopovereenkomst met [bedrijfsnaam] was en is niet in het belang van [eiseres] . [gedaagde] heeft daarmee onzorgvuldig en welbewust in strijd gehandeld met wettelijke (art. 2:44 BW) en statutaire bepalingen (art. 23 lid 3 en art. 34 lid 5). [gedaagde] heeft gehandeld zonder de benodigde financiering en zonder oog te houden voor de belangen van [eiseres] . Door deze handelwijze heeft [eiseres] aanzienlijke schade geleden en lijdt zij nog steeds schade, waarvoor [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is. [gedaagde] treft immers een ernstig verwijt. [gedaagde] kon en mocht op grond van de e-mail van 17 september 2010 van de RvT er niet op vertrouwen dat de RvT ingestemd had met het project [project 1] . De onbevoegd gesloten koopovereenkomst is ook niet door [eiseres] achteraf bekrachtigd. Aan [gedaagde] is niet toegezegd dat wordt afgezien van enige verhaalsactie jegens hem. Evenmin is juist dat op 30 juni 2011 de ledenvergadernig van [eiseres] aan [gedaagde] decharge heeft verleend.
[gedaagde] voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.