Home

Rechtbank Midden-Nederland, 21-02-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:688, C/16/441459 / HA ZA 17-537 en C/16/441322 / HA ZA 17-524

Rechtbank Midden-Nederland, 21-02-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:688, C/16/441459 / HA ZA 17-537 en C/16/441322 / HA ZA 17-524

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21 februari 2018
Datum publicatie
27 februari 2018
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2018:688
Zaaknummer
C/16/441459 / HA ZA 17-537 en C/16/441322 / HA ZA 17-524

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens handelen in strijd met de statuten. Aansprakelijkheid wegens onbevoegde vertegenwoordiging. Beeindigen managementovereenkomst. Contractuele boete niet verschuldigd.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis in gevoegde zaken van 21 februari 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/441459 / HA ZA 17-537 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. M. Vissers te Utrecht,

eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers c.s.] genoemd worden

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. K.S. Loilargosain te 's-Gravenhage,

gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden c.s.] genoemd worden

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/16/441322 / HA ZA 17-524 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers,

advocaat mr. K.S. Loilargosain te 's-Gravenhage,

eisers zullen hierna gezamenlijk [gedaagden c.s.] . genoemd worden

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 2] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M. Vissers te Utrecht .

gedaagden zullen hierna gezamenlijk [eisers c.s.] genoemd worden

1 De procedure in de zaak 17-537

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 november 2017;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2018;

- de akte met eiswijziging van [eisers c.s.] van 24 januari 2018;

- de akte van [gedaagden c.s.] , ingekomen op de griffie op 1 februari 2018, waarin [gedaagden c.s.] bezwaar maakt tegen de eiswijziging.

1.2.

[eisers c.s.] is op de comparitie, met instemming van [gedaagden c.s.] , de gelegenheid geboden haar vordering tot betaling op grond van de managementovereenkomst te wijzigen zodat de eiswijziging tot zover is toegestaan. De wijziging van de grondslag waarop de vordering tot overdracht van de aandelen is gebaseerd, is in strijd met de goede procesorde nu hiervoor geen toestemming is verleend en [gedaagden c.s.] hierover niet is gehoord. De wijziging van de vorderingen over de (ver)nietig(baar)heid van het aandeelhoudersbesluit is toegestaan, omdat deze vorderingen worden afgewezen, zoals hierna blijkt, en [gedaagden c.s.] hierdoor dus niet is benadeeld.

1.3.

Ten slotte is op de comparitie vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 17-524

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 november 2017;

- de akte vermeerdering van eis van [gedaagden c.s.] ., ingekomen op de griffie op 23 december 2017;

- de akte van [eisers c.s.] , ingekomen op de griffie op 8 januari 2018;

- de brief van [gedaagden c.s.] met een productie, ingekomen op de griffie op 9 januari 2018;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2018.

De na het tussenvonnis ingekomen stukken maken onderdeel uit van het procesdossier.

2.2.

Ten slotte is op de comparitie vonnis bepaald.

3 De feiten in beide zaken

3.1.

Enkele producties, waaruit in de hieronder opgenomen feiten wordt geciteerd, zijn niet in beide zaken ingebracht. Dit staat bij het desbetreffende feit tussen haakjes vermeld.

3.2.

[gedaagde sub 3] (verder: [gedaagde sub 3] ) is de moedervennootschap van [gedaagde sub 2] (verder: [gedaagde sub 2] ) en [gedaagde sub 3] De heer [A] (verder: [A] ) is via zijn vennootschap [bedrijf 4] B.V. bestuurder van [gedaagde sub 3] .

3.3.

[gedaagde sub 3] detacheert (via haar dochtervennootschappen) personeel en leidt het te detacheren personeel op. Op 13 november 2014 heeft [gedaagde sub 3] met [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) een overeenkomst gesloten op grond waarvan het te detacheren personeel tegen betaling toegang kreeg tot digitale opleidingen via een digitaal platform van [bedrijf 1] .

3.4.

Op 21 november 2014 is [gedaagde sub 2] opgericht om - samengevat - personeel te detacheren en te adviseren op het gebied van informatietechnologie. In de akte van oprichting van [gedaagde sub 2] staat dat voor investeringen vanaf € 25.000,- vooraf de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders (verder: AVA) nodig is.

3.5.

De heer [eiser sub 3] (verder: [eiser sub 3] ) is op 21 november 2014 via zijn vennootschappen [eiser sub 2] en [eiser sub 1] benoemd als bestuurder van [gedaagde sub 2] . Op dezelfde datum heeft [eiser sub 3] in privé en als bestuurder van zijn voornoemde twee vennootschappen en van [gedaagde sub 2] een overeenkomst gesloten met [gedaagde sub 3] genaamd “ [managementovereenkomst] ” (verder: managementovereenkomst). In deze overeenkomst staat dat de bestuurder van [gedaagde sub 2] een vergoeding ontvangt voor zijn diensten van € 7.000,- exclusief omzetbelasting per maand. Ook staat erin dat de bestuurder van [gedaagde sub 2] vooraf goedkeuring vraagt aan de AVA voor de rechtshandelingen waarvan de aandeelhouders hebben bepaald dat dat nodig is. Op 21 november 2014 hebben onder meer [eiser sub 3] , [gedaagde sub 3] en [A] een aandeelhoudersovereenkomst getekend waarin staat dat investeringen boven de € 25.000,- voorafgaande goedkeuring nodig hebben van de AVA. Verder bevat de managementovereenkomst de verplichting om de aandeelhouders per kwartaal te informeren, onder meer over voorgenomen investeringen. In de managementovereenkomst is een geheimhoudings- en een relatiebeding opgenomen, bij overtreding waarvan een boete van € 50.000,- wordt verbeurd. Tot slot staat in de managementovereenkomst dat partijen de overeenkomst te allen tijde kunnen opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Zowel in de managementovereenkomst als in de aandeelhoudersovereenkomst staat dat [eiser sub 1] verplicht is de aandelen in [gedaagde sub 2] aan te bieden aan de overige aandeelhouders indien de managementovereenkomst eindigt.

3.6.

Op 27 september 2015 heeft [bedrijf 1] aan [eiser sub 3] per e-mail een document met daarin een businessplan voor samenwerking gezonden, genaamd “ FTE Academy Business Plan”. Het plan houdt samengevat in zogenaamde Tmap opleidingen online te verkopen via het platform van [bedrijf 1] . In het plan staat onder meer een investering opgenomen van € 30.000,- voor aankoop van het e-learning platform en € 30.000,- voor ondersteuning daarvan gedurende zes maanden. Op 24 november 2015 heeft [eiser sub 3] dit document doorgezonden aan [A] . Op 30 november 2015 heeft [A] aan [eiser sub 3] gemaild:

Ik heb het bekeken. Idee is goed, maar ik zou het nog verder uitgewerkt willen zien. Volgens mij vergeten we namelijk nog 1 belangrijke: de effort die er in gaat zitten om de inkomsten te genereren, die zie ik namelijk nergens terug.”

3.7.

Op 21 januari 2016 heeft [bedrijf 1] aan [eiser sub 3] per e-mail onder meer het volgende bericht (deze productie zit niet in zaak 17-537):

Fijn om gisteren bij te praten over de status van de (ver)koop en te gaan starten met de implementatie van de software. [...] Op basis van de aantekeningen en ons gesprek heb ik gepoogd om een beknopt overzicht op de stellen van wat we in de kern hebben afgesproken.

Wil je mij laten weten of onderstaande tekst akkoord is, al dan niet voorzien van aanvullingen? [...]

  1. [bedrijf 1] verkoopt één exemplaar van haar [bedrijf 1] aan [gedaagde sub 2]

  2. De voorgaande overeenkomst met [gedaagde sub 2] inzake een opleidingen abonnement komt hiermee te vervallen. Over 2015 volgen geen facturen meer door [bedrijf 1] inzake dit abonnement. [...]

7. De aankoopprijs is € 60.000 exclusief BTW. [...]”

[eiser sub 3] heeft deze onderdelen van de tekst ongewijzigd teruggezonden met als begeleidende tekst “Voila. Zie onderstaand.”

3.8.

Op 25 februari 2016 heeft [bedrijf 1] per e-mail onder meer het volgende aan [eiser sub 3] bericht (deze productie zit niet in zaak 17-537):

”Naar aanleiding van ons gesprek verduidelijk ik graag de onderstaande zaken.

Software Platform

Voor € 27.500,= excl. BTW wordt het platform eigendom van [gedaagden c.s.] op basis van de voorwaarden in de conceptovereenkomst van 3 februari 2016 en in combinatie met de aanvullende dienstverlening voor het leveren en ontwikkelen van opleidingen.

Productie- en levering van opleidingen

Voor € 27.500,= excl. BTW levert [bedrijf 1] deze opleidingen mee:” [...]

Daarop heeft [eiser sub 3] op 29 februari 2016 aan [bedrijf 1] gemaild (deze productie zit niet in zaak 17-537): “ Wat mij betreft prima zo. [...]”

3.9.

Op 4 maart 2016 heeft [eiser sub 3] aan [bedrijf 1] gevraagd de eerste factuur op naam van [gedaagde sub 3] te zetten. Op 4 maart 2016 heeft [bedrijf 1] € 27.500,- exclusief BTW gefactureerd aan [gedaagde sub 3] met als omschrijving “Object Code Only-overeenkomst”. De factuur is gericht aan [eiser sub 3] en heeft als kenmerk OLF-5.

3.10.

Op 9 maart 2016 heeft [bedrijf 1] een concept licentieovereenkomst voor het gebruik van het platform aan [eiser sub 3] gezonden genaamd “Object Code Only”. [eiser sub 3] heeft dit concept op 10 maart 2016 in een e-mail (deze productie zit niet in zaak 17-524) aan [A] doorgezonden met als onderwerp “Overeenkomst [bedrijf 1] (concept)”.

3.11.

Op 10 maart 2016 heeft [eiser sub 3] aan [A] een door [eiser sub 3] opgestelde conceptovereenkomst met het bedrijf [bedrijf 2] gezonden. [bedrijf 2] kon de Tmap opleiding van een ander bedrijf, genaamd [bedrijf 3] , digitaliseren. Dit was nodig om deze opleiding digitaal via het platform te kunnen aanbieden. [A] heeft in een e-mail van 11 maart 2016 onder meer de volgende opmerkingen bij het concept van deze overeenkomst geplaatst (deze productie zit niet in zaak 17-537):

“- zoals ik nu lees is alles 50/50 incl NL

- zoals ik nu lees doen wij alle investeringen [...] Dat UK stuk zou volgens mij een

combi deal zijn

- - onze investering van 60K wordt omgeruild tegen de verwachte inkomsten 50% dus

- - ik zie niets terug van de wijze waarop we onze investering terugverdienen (eerste x

opleidingen) [...]

Afijn, dit doc is mij te onduidelijk allemaal om maandag aan de slag te gaan hiermee. Prima als ze dit willen doen, maar dan voor eigen rekening en risico” [...]

3.12.

Op 17 maart 2016 heeft [A] aan [eiser sub 3] een overzicht gezonden van een businessplan. De partijen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] maken onderdeel uit van dit plan evenals de afspraak dat met de opbrengsten eerst de investeringen worden terugbetaald.

3.13.

Op 4 april 2016 heeft [bedrijf 1] aan [gedaagde sub 3] een factuur gezonden van € 10.000,- exclusief BTW met onder meer de volgende omschrijving: “Productie TMap NEXT engineer NL [...] Workshop testlearning.nl, Projectwerkzaamheden”. De factuur is gericht aan [eiser sub 3] en heeft als kenmerk OLF-6.

3.14.

Op 5 april 2016 heeft [bedrijf 1] aan [gedaagde sub 3] een factuur gezonden van € 5.000,- exclusief BTW. De factuur is gericht aan [eiser sub 3] . [eiser sub 3] heeft deze factuur voor akkoord doorgezonden aan [A] , waarna de factuur is betaald. Op de factuur staat de volgende omschrijving:

“ -Productie Wft opleidingen

-Pre-productie TMAP TPI opleiding

-Projectwerkzaamheden

3.15.

Op 3 mei 2016 heeft [bedrijf 1] onder meer aan [eiser sub 3] gemaild (deze productie zit niet in zaak 17-537):

Hierbij bevestig ik de afspraken die we vandaag telefonisch maakten:

-

Ik ontvang vanmiddag de schermprint waaruit betaling op de [bedrijf 1] rekening [...] blijkt. Ondanks onze afspraak is dit bedrag tot op heden niet bijgeschreven.

-

Bijgaand tref je de factuur over mei 2016 aan

-

Bijgaand tref je de vervallen posten aan die binnen 2 weken voldaan moeten worden zoals aangegeven.”

3.16.

[eiser sub 3] heeft vervolgens op briefpapier van [bedrijf 1] een creditfactuur nagemaakt en gedateerd op 12 mei 2016 voor de factuur OLF-5 van € 27.500,- exclusief BTW en voor de factuur OLF-6 van € 10.000,- exclusief BTW. Ook heeft [eiser sub 3] sms-berichten nagemaakt over storingen bij banken waardoor niet kon worden betaald en die doorgezonden aan [bedrijf 1] .

3.17.

Op 17 mei 2016 heeft [eiser sub 3] onder meer aan [bedrijf 1] gemaild dat er nog geen overeenkomst was getekend, dat er nog derden nodig waren voor het sluitend maken van de businesscase en dat de facturen met kenmerken OLF-5, 6 en 10 niet betaald werden.

3.18.

In een brief van 20 mei 2016 heeft de advocaat van [bedrijf 1] [gedaagde sub 3] aansprakelijk gesteld (deze productie zit niet in zaak 17-537). [eiser sub 3] heeft [A] hiervan op de hoogte gebracht.

3.19.

Op 21 juni 2016 heeft een Algemene Vergadering van Aandeelhouders van [gedaagde sub 2] plaatsgevonden. In de notulen van de vergadering is onder meer het volgende vermeld:

Na stemming wordt [...] het vertrouwen opgezegd en wordt besloten tot ontslag van

bestuurder [eiser sub 3] ( [eiser sub 1] ) door [gedaagde sub 2] [...]

-

[eiser sub 3] treedt weer toe tot de AVA

-

Met [eiser sub 3] wordt het besluit van de aandeelhouders besproken. De volgende stappen worden in overleg afgesproken:

-

[eiser sub 3] dient zijn ontslagbrief in op 22/6/2016 en eindigt per 1/7/2016 de samenwerking,

-

[eiser sub 3] ziet af van alle rechten die nog kunnen voortvloeien uit de managementovereenkomst na de periode van 1/7, zoals opzegtermijn etc.”

3.20.

Op 22 juni 2016 heeft [eiser sub 3] in een brief aan [gedaagde sub 3] onder meer het volgende geschreven:

Naar aanleiding van ons gesprek van gisteren, wil ik u het volgende laten weten.

Met ingang van 1 juli 2016 zal ik mijn werkzaamheden als unitmanager [gedaagde sub 2] neerleggen en derhalve de managementovereenkomst beëindigen.”

In de begeleidende mail van 22 juni 2016 waarmee [eiser sub 3] deze brief aan [A] heeft gemaild staat onder meer het volgende:

“Zoals gisteren afgesproken stuur ik je hierbij mijn beëindigingsbrief per 1 juli 2016. Voor wat het waard is wil ik nogmaals benadrukken dat het mij enorm spijt dat het zover is gekomen.”

3.21.

In een brief van 23 juni 2016 heeft [A] namens [gedaagde sub 3] het volgende aan [eiser sub 3] en [eiser sub 1] bericht:

Naar aanleiding van ons besluit in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders [gedaagde sub 2] (AVA), van 21 juni 2016, bevestig ik hiermee per direct de beëindiging van de samenwerking tussen [eiser sub 1] en de heer [eiser sub 3] (hierna: [eiser sub 3] ) en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] anderzijds. Alle rechten van [eiser sub 1] voortvloeiend uit de onderliggende managementovereenkomst tussen Partijen komen daarbij van rechtswege per direct te vervallen.

De redenen van de directe beëindiging van de samenwerking zijn door Partijen besproken, uiteengezet en vastgesteld in de bijgaande notulen. Daarnaast kwamen wij de volgende voorwaarden overeen ter afwikkeling van de samenwerking:

- [eiser sub 1] en haar bestuurder(s) ziet met ingang van heden af van al haar rechten

voortvloeiend uit de managementovereenkomst, (waaronder maar niet uitsluitend

eventueel resterende vergoedingen voor werkzaamheden en beroep op opzegtermijn) [...]

3.22.

[eiser sub 3] heeft op 23 juni 2016 de in 3.21. genoemde brief getekend “voor akkoord”. Ook de in 3.19. genoemde notulen heeft [eiser sub 3] op 23 juni 2016 ondertekend.

3.23.

Op 12 juli 2016 heeft [eiser sub 1] haar aandelen in [gedaagde sub 2] overgedragen aan [gedaagde sub 2] .

3.24.

[bedrijf 1] is een bodemprocedure gestart tegen [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en heeft daarin nakoming gevorderd van de afspraken gemaakt in de mails van 21 januari 2016 (3.7.) en van 29 februari 2016 (3.8.). Daarnaast heeft [bedrijf 1] conservatoir beslag gelegd ten laste van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] .

3.25.

[gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] zijn op 7 juni 2016 overeengekomen dat [gedaagden c.s.] “in ieder geval” het platform van [bedrijf 1] koopt voor € 27.500,- exclusief BTW. Daarvan heeft [gedaagde sub 3] € 20.000,- exclusief BTW betaald, [gedaagde sub 2] € 2.500,- exclusief BTW betaald en [gedaagde sub 3] € 5.000,- exclusief BTW betaald. Daarnaast zijn [gedaagden c.s.] en [bedrijf 1] op 24 november 2016 overeengekomen de rechtszaak te schikken en te beëindigen tegen betaling van € 18.750,- exclusief BTW. [gedaagde sub 3] heeft dit bedrag aan [bedrijf 1] betaald.

3.26.

In een verklaring van 22 december 2017 van de heer [B] , eigenaar van [bedrijf 2] , is het volgende vermeld:

Omdat ik met [bedrijf 3] was overeengekomen dat de opleidingen in de zomer van 2016 live moesten gaan, was het voor mij belangrijk dat de portal ook tijdig zou worden ingericht. Toen ik van [A] [Rechtbank: [A] ] hoorde dat hij de tijdige oplevering niet kon garanderen, omdat er met [bedrijf 1] onenigheid was over de investering van [gedaagden c.s.] in [bedrijf 1] en er een rechtszaak werd aangespannen door [bedrijf 1] , heb ik contact gezocht met een andere partij, die voor mij uiteindelijk het platform voor de online opleidingen heeft ontwikkeld.”

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing