Rechtbank Midden-Nederland, 20-03-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1166, C/16/475269 / KG ZA 19-93
Rechtbank Midden-Nederland, 20-03-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1166, C/16/475269 / KG ZA 19-93
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 20 maart 2019
- Datum publicatie
- 26 maart 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2019:1166
- Zaaknummer
- C/16/475269 / KG ZA 19-93
Inhoudsindicatie
Kort geding. Registratie van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister wegens verdenking van valsheid in geschrifte en poging tot oplichting bij een hypotheekaanvraag, is niet onrechtmatig.
Uitspraak
vonnis
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/475269 / KG ZA 19-93
Vonnis in kort geding van 20 maart 2019
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat mr. J.A. Oudendijk te Amsterdam,
tegen
de naamloze vennootschap
DE VOLKSBANK N.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
advocaat mr. M.H. Berrevoets te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en De Volksbank genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 13 februari 2019;
- -
-
de producties van de zijde van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ;
- -
-
de producties van de zijde van De Volksbank;
- -
-
de mondelinge behandeling van 6 maart 2019;
- -
-
de pleitnota van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ;
- -
-
de pleitnota van De Volksbank.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben op 2 januari 2017 via een tussenpersoon bij De Volksbank een financieringsaanvraag gedaan voor de koop van een woning. De Volksbank heeft op basis van deze aanvraag op 3 januari 2017 een zogenoemd Hypotheek uitgangspuntenplan (hierna: Hup) uitgebracht. Dit Hup geeft in hoofdlijnen de bedoeling van de aanvragers weer.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben het Hup op 6 januari 2017 ondertekend en aan De Volksbank geretourneerd. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben met de ondertekening van het Hup verklaard dat de gegevens die De Volksbank van hen heeft en nog gaat krijgen, kloppen en volledig zijn.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben nadien nog verschillende gegevens bij De Volksbank aangeleverd, waaronder een werkgeversverklaring van de werkgever van [eiseres sub 2] die was gedateerd op 2 januari 2017. Blijkens deze werkgeversverklaring ontving [eiseres sub 2] een jaarsalaris van € 15.941,12.
Omdat het lettertype van de datum van ondertekening van de werkgeversverklaring afweek van het lettertype van de overige gegevens, heeft De Volksbank op 14 februari 2017 contact opgenomen met de werkgever van [eiseres sub 2] . De werkgever heeft verklaard dat de werkgeversverklaring die aan [eiseres sub 2] was gestuurd, was gedateerd en ondertekend op 29 december 2016 en niet op 2 januari 2017. Het jaarsalaris van [eiseres sub 2] bedraagt bovendien niet € 15.941,12 maar € 4.322,24. De werkgever heeft verder toegelicht dat op 26 augustus 2016 een werkgeversverklaring is opgesteld waarin een jaarsalaris van € 17.737,56 werd vermeld, maar dat dit was gebaseerd op de toenmalige loongegevens. Per 5 december 2016 heeft echter een vermindering van werkuren en loon plaatsgevonden.
Naar aanleiding van deze informatie heeft De Volksbank bij [eiseres sub 2] navraag gedaan naar de door haar ingeleverde werkgeversverklaring. De Volksbank vond de reactie van [eiseres sub 2] niet bevredigend en heeft geconcludeerd dat bij de aanvraag sprake is geweest van vervalsing van het inkomen, verzwijging van het juiste inkomen en vervalsing van de datum van de werkgeversverklaring. De Volksbank is vervolgens op 16 februari 2017 overgegaan tot registratie van de persoonsgegevens van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in het Incidentenregister (IR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR) voor de duur van 8 jaar. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben tegen deze registratie bezwaar gemaakt en hebben De Volksbank verzocht deze te verwijderen. De Volksbank heeft niet aan dit verzoek voldaan.
De Volksbank heeft tegen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en tegen hun (schoon)vader, [A] (hierna: de (schoon)vader), aangifte gedaan van krediet-, hypotheek- en depotfraude. De Officier van Justitie heeft [eiseres sub 2] op 26 september 2017 geschreven dat de zaak tegen haar wordt geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de zaak tegen de schoonvader voorwaardelijk is geseponeerd en dat tegen [eiser sub 1] geen onderzoek is ingesteld.