Rechtbank Midden-Nederland, 11-06-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2622, 19/1367
Rechtbank Midden-Nederland, 11-06-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2622, 19/1367
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 11 juni 2019
- Datum publicatie
- 25 september 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2019:2622
- Zaaknummer
- 19/1367
Inhoudsindicatie
Eiser bezit volgens verweerder zelf de deskundigheid, om procedures te voeren die gericht zijn tegen WOZ-waarde en daarom geen recht heeft op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar.
Zie ook uitspraak UTR 19/1367 23-7-2019 ECLI:NL:RBMNE:2019:4476
Uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/1367
(gemachtigde: G. Gieben),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van verweerder van 18 februari 2019.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. na kennis te hebben genomen van de stukken ziet de rechtbank aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2. Bij uitspraak van 18 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser (deels) gegrond verklaard. Verweerder heeft in deze uitspraak aan eiser geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar toegekend omdat de heer [eiser] – kort gezegd – zelf de deskundigheid bezit om procedures te voeren die gericht zijn tegen WOZ-waarde. Het is volgens verweerder daarom niet redelijk en aannemelijk dat de heer [eiser] de noodzaak heeft een gemachtigde in te schakelen, om namens hem een bezwaarschrift in te dienen tegen de WOZ- waarde.
3. Op grond van artikel 8:75 Awb, eerste lid, kan de bestuursrechter een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15 Awb regelt de vergoeding van kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
4. In de woorden ‘redelijkerwijs heeft moeten maken’ wordt tot uitdrukking gebracht dat niet slechts de kosten zelf redelijk dienen te zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn geweest (de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets). In de uitspraak van Hof Amsterdam van 13-03-2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:920) is overwogen dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk moet worden gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 (of 8:75a) Awb in aanmerking komen en dus 'redelijk' zijn.
5. De omstandigheid dat iemand zelf beschikt over zodanige juridisch kennis dat hij zelf voldoende kennis heeft om zijn eigen bezwaar-/of beroepsprocedure te voeren, maakt niet zonder meer dat als hij voor zo’n procedure professionele rechtsbijstand inschakelt, de kosten daarvoor niet in redelijkheid zijn gemaakt. Het standpunt van verweerder dat de kosten voor professionele rechtsbijstand door [eiser] niet in redelijkheid zijn gemaakt vanwege de enkele reden dat [eiser] zelf voldoende juridisch deskundig is, volgt de rechtbank daarom niet.
6. Daarnaast stelt verweerder in zijn verweerschrift dat de geclaimde kosten voor het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat deze niet redelijk zijn. In dit verband betoogt verweerder dat het taxatierapport van [A] is opgemaakt op 10 september 2018, terwijl de koopovereenkomst van het object al op 8 augustus 2018 is gesloten en dat het verkoopcijfer volstaat om de waarde aan te laten passen. De reden voor het laten opmaken en indienen van het taxatierapport is volgens verweerder onduidelijk.
7. De rechtbank volgt verweerder ook niet in dit standpunt. De reden hiervoor is onder meer dat uit de uitspraak van verweerder van 18 februari 2019 blijkt dat verweerder het verkoopcijfer juist niet voldoende vindt. Verweerder stelt in deze uitspraak namelijk dat de verkoopprijs niet aansluit op de waarde in het economische verkeer. Verweerder geeft in de uitspraak aan: “Gelet op de beschikbare marktcijfers en hetgeen blijkt uit het taxatierapport verlaag ik de waarde na hertaxatie naar € 630.000,-.“
8. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk gegrond en vernietigt het besluit van 18 februari 2019 voor zover dit gaat over de proceskosten. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 februari 2019.
9. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op € 1.278,52 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 254,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het aanwezig zijn bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak is ingediend met alleen de vraag om te beoordelen of de proceskosten juist zijn vastgesteld. € 256,52 voor het namens eiser ingebrachte taxatierapport (4 uur, € 53,- per uur vermeerderd met btw).
10. Verweerder moet ook het griffierecht aan eiser betalen (artikel 8:41 Awb)
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerder van 18 februari 2019 voor zover dit gaat over de proceskosten;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.278,52 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet vergoeden;
- bepaalt dat deze uitspraak in plaats treedt van het besluit van 18 februari 2019.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. de Vaan, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: